Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 15-03-2026
- Afkortingen
- VLG-regeling
- Rechtsgebied
- Vervoersrecht
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- BWB-id
- BWBR0010054
- Versie
- 2026-03-15_0
- SHA-256 bron
- fe4d5a22e405c7dd4a5b0d2ae04da055edcdc7d5d2c27621fb78a653fa79b4d3
Inhoud (141)
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 5
- Artikel 6
- Artikel 7
- Bijlage 1 — als bedoeld in de artikelen 2, onderdeel a, en 3 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
- Artikel 1. Toepassingsbereik
- Artikel 2. Ontheffingen
- Artikel 3. N-bepalingen
- 1.5.1.1. N Multilaterale overeenkomsten
- 5.1.2.1./5.2.1 N/5.5.3.4.1/5.5.3.6.2 Opschriften en kenmerking
- 5.4.1.4. N Vervoerdocument
- 6.8.3.2. N Uitrusting van tankwagens voor propaan, butaan en mengsels daarvan
- 6.8.3.4. N Inspectie
- 7.5.7.5/8.3.3 Openen van colli
- 8.1.2. N Documenten die het vervoer moeten begeleiden
- 8.2.1. N Speciale opleiding van de bestuurder
- 9.2.3.1. N Reminrichting
- 9.7.5.1. N Stabiliteit
- Artikel 1. Toepassingsbereik
- Artikel 2. Laad- en losplaats
- Artikel 3. Tunnelregime
- Artikel 4
- Artikel 5. Laden en lossen
- Artikel 6. Weersomstandigheden
- Artikel 7. Zout veer
- Artikel 8. Pont
- Artikel 9.
- Artikel 10. Toelating van voertuigen
- Artikel 11. 1.3.3 en 1.10.2.4 Bewaartermijn opleidingsdossiers
- Artikel 12. 1.8.3.2. Uitzondering verplichting veiligheidsadviseur
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 5
- Artikel 6
- Artikel 1 — Erkende instanties
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 4 — Erkenningsvoorwaarden
- Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
- Artikel 1 Begripsbepalingen
- Artikel 2 Europese Normen
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 5 rn. 6.8.2.4.4
- Artikel 6
- Artikel 7
- Artikel 8
- Artikel 9
- Artikel 10
- Artikel 11
- Artikel 12
- Artikel 13
- Artikel 14
- Artikel 15 scharnierende tank
- Artikel 16
- Artikel 17
- Artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 20 rn. 9.7.6 stootbalk algemeen
- Artikel 21
- Artikel 22
- Artikel 23
- Artikel 24
- Artikel 25
- Artikel 26
- Artikel 27
- Artikel 28
- Artikel 29
- Artikel 30
- Artikel 31
- Artikel 32
- Artikel 33
- Artikel 34
- Artikel 35
- Artikel 36
- Artikel 37
- Artikel 38
- Artikel 39
- Artikel 40
- Artikel 41
- Artikel 42
- Artikel 43
- Artikel 44
- Artikel 45
- Artikel 46 rn. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5
- Artikel 47 rn. 9.2.4.4 en 9.3.5
- Artikel 48 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6
- Artikel 49 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6
- Artikel 50 verticaal gerichte uitlaat
- Artikel 51
- Artikel 52
- Artikel 53
- Artikel 54
- Artikel 55 rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar
- Artikel 56
- Artikel 57
- Artikel 58
- Artikel 59
- Artikel 60
- Artikel 61
- Artikel 62
- Artikel 63
- Artikel 64
- Artikel 65
- Artikel 66
- Artikel 67
- Artikel 68
- Artikel 69
- Artikel 70
- Artikel 71
- Artikel 72
- Artikel 73
- Artikel 74
- Artikel 75
- Artikel 76
- Artikel 77
- Artikel 78
- Artikel 79
- Artikel 80
- Artikel 81
- Artikel 82
- Artikel 83
- Artikel 84
- Artikel 85
- Artikel 86
- Artikel 87 proefpersing
- Artikel 88
- Artikel 89
- Artikel 90
- Artikel 91
- Artikel 92
- Artikel 93
- Artikel 94
- Artikel 95
- Artikel 96
- Artikel 97
Artikel 1
1 In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Minister:
Minister van Infrastructuur en Milieu;
b. bevoegde autoriteit:
1°. Minister,
2°. een in bijlage 3 bij deze regeling erkende instantie, of
3°. een met toepassing van de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen erkende instantie;
c. richtlijn nr. 2008/68/EG:
richtlijn nr. 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PbEU L 260);
d. richtlijn EU 2022/1999:
richtlijn (EU) 2022/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (codificatie) (PbEU 2022, L 274).
2 De in bijlage 1 opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing op de bijlagen 2, 3 en 4 voorzover daarin niet anders is bepaald.
Artikel 2
Bij deze regeling behoren vier bijlagen:
a. bijlage 1: voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over land, zijnde de Nederlandse vertaling van de bijlagen A en B van het ADR en de daarbij behorende aanhangsels;
b. bijlage 2: voorschriften in afwijking van of in aanvulling op bijlage 1;
c. bijlage 3: erkende instanties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, 2°;
d. bijlage 4: rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
Artikel 3
Met voorwaardelijk tot het vervoer over land toegelaten gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 1 mogen de handelingen, bedoeld in artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, worden verricht, mits de in deze regeling gestelde voorschriften in acht worden genomen.
Artikel 4
1 De door de bevoegde autoriteiten op basis van randnummer 1.5.1.1 van de ADR overeengekomen tijdelijke afwijkingen worden in de vorm van een multilaterale overeenkomst aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten van de Europese Unie voorgelegd door de bevoegde autoriteit die het initiatief tot de overeenkomst neemt. Van dergelijke afwijkingen doet de Minister mededeling aan de Europese Commissie.
2 De afwijkingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de verzender, de vervoerder of de ontvanger, hebben een looptijd van ten hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.
Artikel 5
Bijlage 1 wordt bekendgemaakt op https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-infrastructuur-en-waterstaat.
Artikel 6
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1999.
Artikel 7
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
Bijlage 1 — als bedoeld in de artikelen 2, onderdeel a, en 3 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Bijlage 1 — als bedoeld in de artikelen 2, onderdeel a, en 3 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Gepubliceerd op https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-infrastructuur-en-waterstaat.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer › Artikel 1. Toepassingsbereik
Artikel 1. Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op vervoer van gevaarlijke stoffen dat uitsluitend binnen Nederland plaatsvindt.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer › Artikel 2. Ontheffingen
Artikel 2. Ontheffingen
De Minister verleent een ontheffing als bedoeld in artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen slechts op voorwaarden dat de veiligheid niet in gevaar komt en het vervoer waarvoor de ontheffing wordt verleend duidelijk is gespecificeerd en van tijdelijke aard is.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer › Artikel 3. N-bepalingen
Artikel 3. N-bepalingen
De N-bepalingen in dit hoofdstuk:
a. zijn een aanvulling op bijlage 1; of
b. treden, voor zover zij met de overeenkomstig genummerde bepalingen van bijlage 1 niet overeenstemmende verplichtingen bevatten, in plaats van bedoelde verplichtingen van de overeenkomstig genummerde bepalingen van bijlage 1.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer › Artikel 3. N-bepalingen › 1.5.1.1. N Multilaterale overeenkomsten
1.5.1.1. N Multilaterale overeenkomsten
1. Niet-grensoverschrijdend vervoer mag plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld in randnummer 1.5.1.1 van bijlage 1, die door Nederland zijn ondertekend.
2. Bij het vervoer dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde multilaterale overeenkomst worden de voorschriften met betrekking tot het vervoer in acht genomen die in deze overeenkomst zijn opgenomen.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer › Artikel 3. N-bepalingen › 5.1.2.1./5.2.1 N/5.5.3.4.1/5.5.3.6.2 Opschriften en kenmerking
5.1.2.1./5.2.1 N/5.5.3.4.1/5.5.3.6.2 Opschriften en kenmerking
De opschriften en kenmerkingen op colli, containers, tanks en voertuigen, dan wel op de oververpakkingen van colli, zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer › Artikel 3. N-bepalingen › 5.4.1.4. N Vervoerdocument
5.4.1.4. N Vervoerdocument
Het is toegestaan dat in het vervoerdocument de voorgeschreven aanduidingen uitsluitend zijn gesteld in de Nederlandse taal.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer › Artikel 3. N-bepalingen › 6.8.3.2. N Uitrusting van tankwagens voor propaan, butaan en mengsels daarvan
6.8.3.2. N Uitrusting van tankwagens voor propaan, butaan en mengsels daarvan
In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan, zijn voorzien van een noodstopvoorziening die is aangesloten op het bedieningssysteem van de veiligheidsinrichting, bedoeld in randnummer 6.8.3.2.3 van bijlage 1, en op het aandrijfsysteem van de pomp. Het bedienen van de noodstopvoorziening heeft tot direct gevolg dat de veiligheidsinrichtingen gesloten worden en de pomp gestopt wordt. De bedieningsorganen van de noodstopvoorziening zijn zowel aangebracht in de bedieningskast(en) als bij de linkervoorzijde als bij de rechterachterzijde van de tank.
Tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, zijn voorzien van een wegrijdalarmering, ter voorkoming van het wegrijden met een aangekoppelde of niet opgeborgen slang. Deze voorziening bestaat uit een knipperende rode lamp op het dashboard en een intermitterende claxon in de cabine.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer › Artikel 3. N-bepalingen › 6.8.3.4. N Inspectie
6.8.3.4. N Inspectie
In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan een controle op de goede werking van de uitrusting.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer › Artikel 3. N-bepalingen › 7.5.7.5/8.3.3 Openen van colli
7.5.7.5/8.3.3 Openen van colli
In afwijking van randnummers 7.5.7.5/8.3.3 van Bijlage 1, mag de chauffeur of de bijrijder:
a. een buitenverpakking openen die gevaarlijke stoffen bevat, die als pesticiden worden toegepast;
b. een IBC openen, waarin UN1202, dieselolie, gasolie of lichte stookolie wordt vervoerd.
Dit openen is uitsluitend toegestaan voor het direct afleveren van genoemde stoffen in de land- en de wegenbouw alsmede op bouwplaatsen.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer › Artikel 3. N-bepalingen › 8.1.2. N Documenten die het vervoer moeten begeleiden
8.1.2. N Documenten die het vervoer moeten begeleiden
Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer › Artikel 3. N-bepalingen › 8.2.1. N Speciale opleiding van de bestuurder
8.2.1. N Speciale opleiding van de bestuurder
Randnummer 8.2.1 van bijlage 1 is niet van toepassing op bestuurders van brandweervoertuigen die gevaarlijke stoffen bevatten, mits:
a. op deze voertuigen gediplomeerd brandweerpersoneel in de zin van het Besluit personeel veiligheidsregio’s aanwezig is, en
b. het met diploma behaalde veiligheidsniveau van dit personeel is gewaarborgd.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer › Artikel 3. N-bepalingen › 9.2.3.1. N Reminrichting
9.2.3.1. N Reminrichting
Voor wat betreft het duurremsysteem is randnummer 9.2.3.1 van bijlage 1 (retarder) niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer › Artikel 3. N-bepalingen › 9.7.5.1. N Stabiliteit
9.7.5.1. N Stabiliteit
In afwijking van de tweede volzin van randnummer 9.7.5.1 van bijlage 1, behoeft bij in Nederland geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan de daaromtrent in de Regeling voertuigen gestelde eisen.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied › Artikel 1. Toepassingsbereik
Artikel 1. Toepassingsbereik
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en:
a. is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4, of
b. dient ter invulling van specifiek in de randnummers van bijlage 1 opgenomen bevoegdheden.
2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig randnummer 1.1.3 en de hoofdstukken 3.4 en 3.5 van bijlage 1.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied › Artikel 2. Laad- en losplaats
Artikel 2. Laad- en losplaats
Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC of bulkcontainer gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van bijlage 1 te laden of te lossen elders dan:
a. op het adres van de afzender, vuller, belader en de geadresseerde, of
b. op plaatsen waar gevaarlijke stoffen worden aangewend.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied › Artikel 3. Tunnelregime
Artikel 3. Tunnelregime
1. Beperkingen voor het vervoer van de gevaarlijke stoffen, genoemd onder Tunnelcategorie C in randnummer 1.9.5.2.2 van bijlage 1, gelden voor:
a. de Beneluxtunnel, gelegen in de A4 tussen Vlaardingen en Hoogvliet;
b. de Coentunnel, gelegen in de A10 te Amsterdam;
c. de Drechttunnel, gelegen in de A16 tussen Zwijndrecht en Dordrecht;
d. de Heinenoordtunnel, gelegen in de A29 tussen Barendrecht en Oud-Beijerland;
e. Hollandtunnel gelegen in de A24 te Vlaardingen;
f. de Ketheltunnel, gelegen in de A4 te Schiedam;
g. de Kiltunnel, gelegen in de S43 tussen Dordrecht en ’s-Gravendeel;
h. Maasdeltatunnel gelegen in de A24 onder de Nieuwe Waterweg/het Scheur tussen Vlaardingen en Rozenburg (ZH);
i. de Noordtunnel, gelegen in de A15 tussen Hendrik-Ido-Ambacht en Alblasserdam;
j. de Salland-Twentetunnel, gelegen in de N35 te Hellendoorn;
k. de Sluiskiltunnel, gelegen in de N62 bij Terneuzen;
l. de Sytwendetunnel, gelegen in de N14 te Leidschendam–Voorburg;
m. de Thomassentunnel, gelegen in de N15 te Rotterdam;
n. de Victory Boogie Woogietunnel gelegen in de Rotterdamsebaan te Den Haag;
o. de Vlaketunnel, gelegen in de A58 tussen Kruiningen en Kapelle;
p. de Waterwolftunnel, gelegen in de N201 tussen Aalsmeer en Haarlemmermeer;
q. de Westerscheldetunnel, gelegen in N62 tussen Terneuzen en Goes;
r. de Wijkertunnel, gelegen in de A9 tussen Beverwijk en Velsen;
s. de Zeeburgertunnel, gelegen in de A10 te Amsterdam.
2. Beperkingen voor het vervoer van de gevaarlijke stoffen, genoemd onder Tunnelcategorie D in randnummer 1.9.5.2.2 van bijlage 1, gelden voor:
a. de Botlektunnel, gelegen in de A15 tussen Hoogvliet en Rozenburg;
b. de Hubertustunnel, gelegen in de N14 te Den Haag;
c. de IJtunnel, gelegen onder het IJ te Amsterdam;
d. de Koningstunnel, gelegen in de Koningskade te Den Haag;
e. de Maasboulevardtunnel, gelegen in de gemeente Maastricht;
f. de Maastunnel, gelegen onder de Nieuwe Maas, te Rotterdam;
g. de Michiel de Ruijtertunnel, gelegen onder de De Ruijterkade te Amsterdam;
h. de Piet Heintunnel, gelegen onder het Amsterdam-Rijnkanaal te Amsterdam;
i. de Spaarndammertunnel gelegen in de S102 te Amsterdam;
j. de Stationspleintunnel gelegen in de Schipholweg te Leiden;
k. de Velsertunnel, gelegen in de A22, tussen Beverwijk en Velsen.
3. Beperkingen voor het vervoer van de gevaarlijke stoffen, genoemd onder Tunnelcategorie E in randnummer 1.9.5.2.2 van bijlage 1, gelden voor:
a. de ArenAtunnel, gelegen onder de Amsterdam ArenA te Amsterdam;
b. de Stadsbaantunnel, gelegen naast de A2 te Utrecht;
c. de wisselbuis (A9 Z) van de Gaasperdammertunnel, gelegen in de A9 te Amsterdam.
4. De in dit artikel bedoelde tunnels worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Onder het bord wordt een onderbord geplaatst waarop met een hoofdletter de categorie van de desbetreffende tunnel, overeenkomstig dit artikel, wordt aangeduid.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied › Artikel 4
Artikel 4
Het vervoer van de stoffen die in tabel 1 zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.
Tabel 1
Klasse | Vervoer in tanks | Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6
1 | Alle stoffen | Alle stoffen en voorwerpen boven de hoeveelheden als bedoeld in 1.1.3.6 met uitzondering van de stoffen en voorwerpen genoemd onder subklasse 1.4
2 | Alle brandbare en/of giftige gassen waarvoor een etiket volgens modelnr. 2.1 en/of 2.3 is voorgeschreven
4.1 | | Zelfontledende stoffen met explosieve eigenschappen (type B), stoffen waarvoor een etiket volgens modelnr. 4.1 en 1 is voorgeschreven
4.2 | Stoffen van verpakkingsgroep I
4.3 | Alle stoffen
5.2 | | Organische peroxides met explosieve eigenschappen (type B), stoffen waarvoor een etiket volgens modelnr. 5.2 en 1 is voorgeschreven
6.1 | Stoffen van verpakkingsgroep I die specifiek als giftig bij inademing zijn aangemerkt ingevolge de juiste vervoersnaam als bedoeld in randnummer 3.2.1 van bijlage 1 of middels bijzondere bepaling 354 van hoofdstuk 3.3 van bijlage 1
8 | De stoffen met de volgende UN-nummers: 1829, 2240, 2502 en 2817 | UN-nummer 2502
lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied › Artikel 5. Laden en lossen
Artikel 5. Laden en lossen
Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied › Artikel 6. Weersomstandigheden
Artikel 6. Weersomstandigheden
1. Indien het zicht door weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 meter, is het niet toegestaan:
a. gevaarlijke stoffen te vervoeren in transporteenheden met tanks waarvan de capaciteit meer dan 3000 liter is;
b. vuurwerk te vervoeren boven de vrijgestelde hoeveelheden als bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1.
2. Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1:
a. indien door weersomstandigheden het zicht minder is dan 50 m; of
b. bij glad wegdek.
3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, geldt niet voor het vervoer van medische isotopen.
4. De Minister kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid vermelde verbod bij glad wegdek, indien:
a. sprake is van langdurige gladheid; en
b. het spoedeisende karakter van het vervoer naar zijn oordeel genoegzaam is aangetoond.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied › Artikel 7. Zout veer
Artikel 7. Zout veer
1. Onder ‘zout veer’ wordt verstaan: schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende trajecten:
a. Texel-Den Helder;
b. Vlieland-Harlingen;
c. Terschelling-Harlingen;
d. Ameland-Holwerd;
e. Lauwersoog-Schiermonnikoog.
2. Onder ‘open rijdek’ wordt verstaan: rijdek op een schip waarop het openen van de boegdeur en de hekdeur geen negatief effect heeft op de lekstabiliteit van het schip.
3. Het vervoer van gevaarlijke stoffen op zoute veren in tanks of in colli in hoeveelheden die niet onder de vrijstelling van 1.1.3.6 ADR vallen is niet toegestaan, met uitzondering van de in tabel 2 vermelde stoffen.
4. Het vervoer van de in tabel 2 vermelde gevaarlijke stoffen is slechts toegestaan indien:
a. ten hoogste twee transporteenheden als laatste geplaatst zijn op een open rijdek; of
b. ten hoogste één transporteenheid als laatste geplaatst is op een gesloten rijdek.
5. Op een gesloten rijdek van een zout veer wordt geen transporteenheid geplaatst die beladen is met stoffen van klasse 3 met verpakkingsgroep I en II.
6. Rondom de transporteenheden, beladen met gevaarlijke stoffen, wordt tijdens de vaart in het horizontale vlak ten opzichte van andere voertuigen een vrije ruimte aangehouden van ten minste twee meter. Ten opzichte van passagiers wordt tijdens de vaart een afstand van ten minste vijf meter aangehouden.
7. De bestuurder of bijrijder van een transporteenheid met gevaarlijke stoffen houdt tijdens de vaart toezicht op zijn voertuig.
8. De bestuurder van een transporteenheid beladen met gevaarlijke stoffen die zijn vermeld in tabel 2, verstrekt, alvorens een zout veer op te rijden, aan de schipper of kapitein dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent de aard en hoeveelheid gevaarlijke stoffen.
9. Rederijen kunnen aanvullende of beperkende maatregelen treffen.
Tabel 2
VN nummer | Naam
1072 | Zuurstof, samengeperst
1202 | Dieselolie of Gasolie of Stookolie, light
1203 | Benzine
1223 | Kerosine
1791 | Hypochloriet, oplossing
1863 | Brandstof voor straalvliegtuigen
1951 | Argon, sterk gekoeld, vloeibaar
1977 | Stikstof, sterk gekoeld, vloeibaar
2796 | Zwavelzuur met ten hoogste 51% zuur of Accumulatorvloeistof, zuur
3082 | Milieugevaarlijke stof, N.E.G.
3257 | Verwarmde vloeistof, N.E.G.
3295 | Koolwaterstoffen, vloeibaar, N.E.G.
3373 | Biologische stof categorie B
Lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied › Artikel 8. Pont
Artikel 8. Pont
Bij het kruisen van een binnenwater zijn op het vervoer van voertuigen op schepen anders dan een zout veer als bedoeld in artikel 7, de volgende voorschriften van toepassing:
a. een transporteenheid beladen met ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 wordt met voorrang op de pont toegelaten boven andere voertuigen of personen;
b. tijdens een transport als bedoeld in onderdeel a bevinden zich geen andere voertuigen of personen op de pont, tenzij deze personen behoren tot de bemanning van de transporteenheid dan wel benodigd zijn voor de bediening van de pont;
c. transporteenheden met tank(s) geëtiketteerd en gekenmerkt ingevolge randnummers 5.3.1 en 5.3.2 van bijlage 1 worden zodanig op de pont geplaatst dat zij snel kunnen worden verwijderd; en
d. de bestuurder van een transporteenheid, beladen met gevaarlijke stoffen, verstrekt, alvorens de pont op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied › Artikel 9.
Artikel 9.
Vervallen.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied › Artikel 10. Toelating van voertuigen
Artikel 10. Toelating van voertuigen
1. In Nederland geregistreerde, ingevolge deze regeling keuringsplichtige voertuigen als bedoeld in randnummer 9.1.3.1 van bijlage 1, kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer.
2. De goedkeuring wordt geweigerd, indien een voertuig als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer niet voldoet aan deze regeling.
3. In afwijking van het tweede lid kunnen voertuigen, waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze regeling, worden goedgekeurd indien de technische inrichting en uitrusting der voertuigen naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een ten minste gelijkwaardige veiligheid bieden.
4. De eigenaar of houder van een voertuig als bedoeld in het eerste lid stelt na een aanrijding of ongeval waardoor beschadiging van het voertuig is ontstaan, de Dienst Wegverkeer hiervan onverwijld in kennis.
5. De eigenaar of houder van een voertuig als bedoeld in het eerste lid zorgt dat dit voertuig voor onderzoek aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden:
a. telkenmale voordat de laatste goedkeuring haar geldigheid verliest;
b. na een belangrijke herstelling; of
c. wanneer de Dienst Wegverkeer een onderzoek om redenen van veiligheid noodzakelijk acht.
6. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het vijfde lid, blijkt dat een voertuig als bedoeld in het eerste lid niet aan deze regeling voldoet, is de eigenaar of houder ervan verplicht te zorgen dat dit niet weer in gebruik wordt genomen voordat uit een hernieuwd onderzoek is gebleken dat de door de Dienst Wegverkeer nodig geachte voorzieningen zijn aangebracht; in afwachting van het hernieuwde onderzoek kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht op eerste vordering van of vanwege de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument af te geven.
7. Indien een voertuig als bedoeld in het eerste lid niet overeenkomstig het bepaalde in het zesde lid voor keuring wordt aangeboden, kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht het keuringsdocument aan hem af te geven.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied › Artikel 11. 1.3.3 en 1.10.2.4 Bewaartermijn opleidingsdossiers
Artikel 11. 1.3.3 en 1.10.2.4 Bewaartermijn opleidingsdossiers
De werkgever bewaart de dossiers, bedoeld in randnummers 1.3.3 en 1.10.2.4 van bijlage 1 gedurende de arbeidsrelatie met de werknemer, die de opleiding heeft genoten.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied › Artikel 12. 1.8.3.2. Uitzondering verplichting veiligheidsadviseur
Artikel 12. 1.8.3.2. Uitzondering verplichting veiligheidsadviseur
De voorschriften onder randnummer 1.8.3 van bijlage 1 zijn niet van toepassing op ondernemingen als bedoeld in randnummer 1.8.3.2.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg › Artikel 1
Artikel 1
De Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg › Artikel 2
Artikel 2
1. Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:
a. heeft betrekking op een representatief deel van het vervoer;
b. wordt verricht overeenkomstig artikel 3 van verordening (EEG) nr. 4060/89 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 inzake de afschaffing van controles aan de grenzen van de lidstaten voor wegvervoer en binnenvaart (PbEG L 390) en verordening (EEG) nr. 39123/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake in de Gemeenschap in het wegvervoer en de binnenvaart uitgevoerde controles van in een derde land ingeschreven of tot het verkeer toegelaten vervoermiddelen (PbEG L 359);
c. wordt uitgevoerd met toepassing van de controlelijst, bedoeld in bijlage I van richtlijn (EU) 2022/1999;
d. wordt uitgevoerd door middel van steekproeven en omvat zoveel mogelijk een groot deel van het wegennet.
2. Wanneer het toezicht is uitgevoerd, ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de controlelijst, bedoeld in bijlage I van richtlijn (EU) 2022/1999.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg › Artikel 3
Artikel 3
1. De plaats waar het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 1, wordt gehouden, wordt zodanig gekozen, dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.
2. Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van richtlijn (EU) 2022/1999, wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg › Artikel 4
Artikel 4
Indien bij het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 1 dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel van de Minister of van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport, ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport of de Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de desbetreffende lidstaat.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg › Artikel 5
Artikel 5
Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in Nederland ingeschreven voertuig of in Nederland gevestigde onderneming, vergezeld van het verzoek tegen de overtreder passende maatregelen te treffen, doet de Minister aan die instantie mededeling van de genomen maatregelen.
Bijlage 2 — bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Aanvullende Voorschriften › Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg › Artikel 6
Artikel 6
Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming uitgevoerde toezicht op de naleving.
Bijlage 3 — als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Artikel 1 — Erkende instanties
Artikel 1 — Erkende instanties
1. In de onderstaande tabel zijn de erkende instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voor zover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.
2. In afwijking van het eerste lid is de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voor zover deze betrekking hebben op drukhouders en tanks als bedoeld in de Regeling vervoerbare drukapparatuur voorbehouden aan de op grond van die regeling aangewezen instanties.
Tabel 1
Randnummer | Instanties
1.3.3, eerste volzin | ILT
1.4.2.2.4 | ILT
1.6.3.44 | RDW
1.6.3.54 | RDW
1.6.4.57 | RDW
1.7.4 | Autoriteit
1.8.1.1, 1.8.1.2, 1.8.1.3, 1.8.1.4, 1.8.2.2, 1.8.2.3, 1.8.3.3, 1.8.3.5 | ILT
1.8.3.7, 1.8.3.8, 1.8.3.10, 1.8.3.12, 1.8.3.14, 1.8.3.16 | CBR
1.8.5.1, 1.8.5.3, 1.8.5.4 | ILT
1.10.1.6 | CBR
1.10.2.4, eerste volzin | ILT
1.10.3.2.2, Opmerking | Politie
2.2.1.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria | TNO
2.2.1.1.3 | TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie
2.2.1.1.7.2 | TNO
2.2.1.1.8.1, 2.2.1.1.8.2, 2.2.1.1.9.1 | TNO
2.2.1.3, Opmerking bij UN-nummer 0190 | TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie
2.2.2.1.5 | ILT
2.2.41.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.41.1.13 | TNO
2.2.51.1 en 2.2.52.1 beide voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria | TNO
2.2.51.2.2 | TNO
2.2.52.1.8 | TNO
2.2.62.1.9, Opmerking, 2.2.62.1.12 | EZ of VWS
2.2.9.1.7 | ILT
3.1.2.6 | ILT
3.3.1, bijzondere bepalingen 16 en 178 | TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie
3.3.1, bijzondere bepalingen 181 en 237 | TNO
3.3.1, bijzondere bepaling 239 | ILT
3.3.1, bijzondere bepalingen 266, 271, 272 en 278 | TNO
3.3.1, bijzondere bepaling 283 | ILT
3.3.1, bijzondere bepalingen 288, 307, 309 en 311 | TNO
3.3.1, bijzondere bepaling 356 | ILT
3.3.1, bijzondere bepaling 364 | TNO
3.3.1, bijzondere bepaling 376 | ILT
3.3.1, bijzondere bepaling 636, Opmerking | ILT
3.3.1, bijzondere bepaling 645 | TNO
3.3.1, bijzondere bepaling 666 en 670 | ILT
3.3.1, bijzondere bepaling 407 | TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie
4.1.1.15 | ILT
4.1.3.6.6, 4.1.3.8.1 | ILT
4.1.4.1, P099 | ILT
4.1.4.1, P101 | TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie
4.1.4.1, P405 (2) b) | TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie
4.1.4.1, P620, P650 | EZ of VWS
4.1.4.1, P910 | ILT
4.1.4.2, IBC520, IBC02, B16 | TNO
4.1.5.15, 4.1.5.18 | TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie
4.1.7.2.2 | TNO
4.1.8.7 | EZ of VWS
4.1.10.4, MP21 | TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie
4.2.1.7 | RDW
4.2.1.13.1, 4.2.1.13.3 | TNO
4.2.3.6.4 | ILT
4.2.5.2.6, T23, 4.2.5.3, TP9 | TNO
4.2.5.3, TP10 | RDW
4.3.2.1.7, 4.3.2.3.7 | ILT
4.3.5, TU39, TU41 | TNO
5.1.5 | Autoriteit
5.2.2.1.9 | TNO
5.4.1.1.1 h) | ILT
5.4.1.2.1 | TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie
6.1.1.2 | ILT
6.2.1.6.1, eerste zin, 6.2.1.7.2, 6.2.2.5.2.4, 6.2.2.5.2.6, 6.2.2.6.2.3, 6.2.2.6.2.4, 6.2.2.6.3.2, 6.2.2.6.3.3, 6.2.2.6.4.1, 6.2.2.6.4.3, 6.2.2.6.4.5, 6.2.2.6.4.6, 6.2.2.6.4.7, 6.2.5, 6.2.6.3.2, 6.2.6.3.3 | ILT
6.3.2.1 | ILT
6.4 | Autoriteit
6.5.1.1.2 | ILT
6.7.1.3, 6.7.2.19.6.1 b), 6.7.3.1, 6.7.3.15.6.1 b) | ILT
6.7.3.15.9, 6.7.3.15.10, 6.7.4.1, Alternatieve regeling, 6.7.4.2.1, 6.7.4.2.8.1, 6.7.4.2.8.2, 6.7.4.2.14, 6.7.4.3.3.1, 6.7.4.5.10, 6.7.4.6.4, 6.7.4.7.4, 6.7.4.13.1, 6.7.4.14.3 | RDW
6.7.4.14.6.1 b) | ILT
6.7.4.14.10, 6.7.4.14.11 | RDW
6.7.5.2.9, 6.7.5.4.1, 6.7.5.4.3, 6.7.5.11.1 | RDW
6.7.5.12.3, 6.7.5.12.7 | RDW
6.8.2.1.4, 6.8.2.1.16, 6.8.2.1.19, 6.8.2.1.20, 6.8.2.2.2, | RDW
6.8.2.3.2, 6.8.2.4.1 voetnoot, 6.8.2.3.4, 6.8.2.4.2 voetnoot, | RDW
6.8.2.7 | ILT
6.8.3.4.14 | RDW
6.8.3.7 | ILT
6.8.4 TA2 | TNO
6.8.4 TT11 | RDW
6.9.1.4, 6.9.2.2.1, 6.9.2.2.2.4, 6.9.2.2.2.5, 6.9.2.2.3.2, 6.9.2.2.3.14.5, 6.9.2.2.3.15, 6.9.2.3.1, 6.9.2.3.4, 6.9.2.3.7, 6.9.2.7.1.3 | RDW
6.11.2.4 | ILT
6.11.4.4 | RDW
6.11.5.4.2 | ILT
6.12.3.1.2, 6.12.3.1.3, 6.12.3.2.2, 6.12.3.2.6, 6.12.5 | RDW
6.13.1.1, 6.13.2.5, 6.13.2.13, 6.13.2.14.2, 6.13.2.14.3, 6.13.4.4.1 | RDW
7.3.2.6.2 d) | ILT
7.3.3.1, VC3 | RDW
7.5.2.2 voetnoot a) | RDW
7.5.11 CV1 | Burgemeester
8.1.4.4 | J&V
8.2.1.1, 8.2.1.2, 8.2.1.3, 8.2.1.5, 8.2.2.4.2, 8.2.2.6.1, 8.2.2.6.4, 8.2.2.6.5, 8.2.2.6.7, 8.2.2.7.1.3, 8.2.2.7.1.5, 8.2.2.7.1.8, 8.2.2.8.2, 8.2.2.8.4 | CBR
8.5 S1 (4) | Burgemeester
9.1.2, 9.1.3 | RDW
Bijlage 3 — als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Artikel 2
Artikel 2
1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
Autoriteit: Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Kernenergiewet;
brandweer: brandweerdiensten, met uitzondering van de bedrijfsbrandweer als bedoeld in het Besluit veiligheidsregio’s;
burgemeester: de burgemeester van de desbetreffende gemeente;
CBR: Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen;
Defensie: Minister van Defensie;
EZ: Minister van Economische Zaken;
ILT: Minister, namens deze de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport;
J&V:
1. Minister van Justitie en Veiligheid,
2. ten aanzien van de inspectie: een ieder die een erkenning heeft van de Vereniging van Beveiligingsondernemingen in Nederland (VBON) op grond van de regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine blusmiddelen (REOB);
politie: het landelijke politiekorps, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012;
RDW: Dienst Wegverkeer;
TNO: Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek;
VWS: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
2. Bij de uitvoering van de bevoegdheden van J&V, bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, geldt als merkteken het rijkstypekeur.
Bijlage 3 — als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Artikel 3
Artikel 3
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. overeenstemming vooraf: het CBR doet schriftelijk een voorstel aan de Minister, die, indien akkoord, instemt;
b. informatie achteraf: het CBR informeert schriftelijk achteraf de Minister door toezending van een jaarlijks verslag, houdende:
1°. aantallen examens;
2°. aantallen geslaagden aan wie een ADR-vakbekwaamheidscertificaat is verstrekt; en
3°. een evaluatie van het in onderdeel a en b genoemde.
2. Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden, bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, geeft het CBR toepassing aan tabel 2.
Tabel 2. Specificatie bevoegdheden CBR
ADR-randnummer | bevoegdheid van het CBR | overeenstemming vooraf | Informatie achteraf
8.2.1.2, 8.2.1.4 + 8.5; S1, S11, S12, 8.2.1.5, 8.2.1.6, 8.2.2.1 | Afgifte vakbekwaamheidscertificaten en aantekening herhalingscursus | | X
8.2.1.2, 8.2.1.3, 8.2.1.4, 8.2.2.3.1, 8.2.2.3.2, 8.2.2.3.3, 8.2.2.3.4, 8.2.2.3.5 | inhoudelijke eisen opleiding: vaststellen eindtermen | X
8.2.2.6.1, 8.2.2.6.4, 8.2.2.6.5 | goedkeuren van de opleidingen; vaststellen van erkenningsrichtlijn | X
8.2.2.7.1.3, 8.2.2.7.1.6 | eisen aan examens en wijze van examineren: opstellen van examenrichtlijn en afnemen examen | X
Bijlage 3 — als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Artikel 4 — Erkenningsvoorwaarden
Artikel 4 — Erkenningsvoorwaarden
1. Een in artikel 1 erkende instantie, met uitzondering van bij de Staat der Nederlanden behorende organen, de politie en de brandweer, bedoeld in artikel 2:
a. heeft rechtspersoonlijkheid;
b. is redelijkerwijs onafhankelijk van de betrokken opdrachtgever;
c. beschikt over voldoende vakbekwaamheid voor de desbetreffende taak op ten minste MBO-niveau;
d. beschikt over een geschikt kwaliteitsborgingssysteem, en
e. voldoet aan andere door de Minister met het oog op het behoorlijk uitvoeren van de desbetreffende taak te stellen nadere voorschriften.
2. De Minister kan een erkenning intrekken of schorsen, indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan het eerste, derde of vierde lid.
3. De erkende instantie, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de Minister binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar een overzicht van de in dat jaar verrichte keuringen, bevattende goedkeuringen, weigeringen tot goedkeuring, alsmede de redenen voor weigeringen tot goedkeuring.
4. De erkende instantie, bedoeld in het eerste lid, verstrekt alle inlichtingen die namens de Minister verlangd worden door de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport en die betrekking hebben op het eerste lid voor zover betreffende handelingen met betrekking tot wagens en tanks als bedoeld in bijlage 1.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Deze bijlage behoort bij de regeling tot wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de omzetting van de Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen in bijlage 4 bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk I Algemeen › Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
a. directeur: Algemeen Directeur van de RDW;
b. EN: Europese norm vastgesteld door de Europese commissie voor normalisatie (CEN);
c. IEC: Internationaal Electrotechnical Commission;
d. ISO: Internationale norm vastgesteld door de International Organization for Standardization;
e. RDW: Dienst Wegverkeer;
f. rn: randnummer in de zin van de bijlagen 1 en 2;
g. voertuig: ingevolge rn. 9.1.2.1 van de VLG keuringsplichtig voertuig of voertuigcombinatie;
h. VT: Divisie voertuigtechniek van de RDW;
i. TTV: Afdeling Toelating en Toezicht Voertuigen, Productbeoordeling zwaar.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk I Algemeen › Artikel 2 Europese Normen
Artikel 2 Europese Normen
In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:
EN 50 020:1992: Stroomkringen met weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium;
IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code);
IEC 60079–11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres – part 11: intrinsic safety ‘i’.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk I Algemeen › Artikel 3
Artikel 3
1. Voertuigen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn uitsluitend tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:
a. de voorschriften gesteld in de bijlagen 1 en 2;
b. de in deze bijlage genoemde voorschriften, voor zover in de bijlagen 1 en 2 niet uitdrukkelijk anders is bepaald;
c. waar het voertuigen betreft, de Regeling voertuigen.
2. De directeur kan voertuigen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en uitrusting van de voertuigen naar het oordeel van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden.
3. Met de krachtens deze regeling tot het vervoer toegelaten voertuigen worden gelijkgesteld voertuigen die aan gelijkwaardige eisen voldoen en die tot het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk I Algemeen › Artikel 4
Artikel 4
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk I Algemeen › Artikel 5 rn. 6.8.2.4.4
Artikel 5 rn. 6.8.2.4.4
1. Wanneer schade aan een voertuig is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. De melding wordt gericht aan het keuringsstation van de VT waaronder de ondernemer ressorteert.
2. Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 1. Beoordelingsnormen/Codes › Artikel 6
Artikel 6
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 1. Beoordelingsnormen/Codes › Artikel 7
Artikel 7
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 1. Beoordelingsnormen/Codes › Artikel 8
Artikel 8
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 1. Beoordelingsnormen/Codes › Artikel 9
Artikel 9
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 1. Beoordelingsnormen/Codes › Artikel 10
Artikel 10
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 2 Dimensionering › Artikel 11
Artikel 11
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 2 Dimensionering › Artikel 12
Artikel 12
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 3 Constructie › Artikel 13
Artikel 13
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 3 Constructie › Artikel 14
Artikel 14
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 3 Constructie › Artikel 15 scharnierende tank
Artikel 15 scharnierende tank
1. Tanks mogen scharnierend zijn bevestigd indien de constructie en de gehele inrichting daarop zijn afgestemd.
2. In dit geval zijn zodanige voorzieningen aangebracht dat:
a. de tank in rijdende toestand van het voertuig automatisch is vergrendeld; en
b. het kipmechanisme tijdens het rijden niet in werking kan worden gesteld.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 3 Constructie › Artikel 16
Artikel 16
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 3 Constructie › Artikel 17
Artikel 17
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 3 Constructie › Artikel 18
Artikel 18
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 3 Constructie › Artikel 19
Artikel 19
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 4 Bescherming › Artikel 20 rn. 9.7.6 stootbalk algemeen
Artikel 20 rn. 9.7.6 stootbalk algemeen
1. Van de stootbalk bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging om de zwakste doorsnede ten minste 20 cm3.
2. Indien de in de Regeling voertuigen genoemde beschermingsinrichting tegen klemrijden is aangebracht op ten minste 10 cm achter de achterzijde van de tank of achter de tank aangebrachte apparatuur, kan deze tevens worden aangemerkt als de stootbalk overeenkomstig randnummer 9.7.6.
3. (apparatuurkast) Indien de tank aan de achterzijde is beschermd door een constructie, zoals een apparatuurkast waarvan de sterkte ten minste gelijkwaardig is aan die van genoemde stootbalk, is voldaan aan het gestelde in rn. 9.7.6. De constructie alsmede de bevestiging hiervan aan het voertuig is van dien aard, dat de bij een ongeval op de kast uitgeoefende krachten zodanig op het voertuigchassis worden overgebracht, dat beschadiging van de tank wordt voorkomen.
4. (stootbalk bij tanks met isolerende bekleding) Bij tanks voorzien van een uitwendige isolerende bekleding wordt de achterzijde van de binnentank als het meest naar achteren gelegen deel van de tankwand aangemerkt. De achterzijde van de stootbalk behoeft niet meer dan 50 mm achter de bekledingsbodem te zijn gelegen (gemeten in rijklare toestand van het voertuig), mits de dikte van de isolatie ten minste 50 mm bedraagt.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 4 Bescherming › Artikel 21
Artikel 21
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 4 Bescherming › Artikel 22
Artikel 22
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 4 Bescherming › Artikel 23
Artikel 23
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 4 Bescherming › Artikel 24
Artikel 24
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 5 › Artikel 25
Artikel 25
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 5 › Artikel 26
Artikel 26
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 5 › Artikel 27
Artikel 27
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 5 › Artikel 28
Artikel 28
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 5 › Artikel 29
Artikel 29
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 5 › Artikel 30
Artikel 30
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 5 › Artikel 31
Artikel 31
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk II Tanks › § 5 › Artikel 32
Artikel 32
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk III › Artikel 33
Artikel 33
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk III › Artikel 34
Artikel 34
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk III › Artikel 35
Artikel 35
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk III › Artikel 36
Artikel 36
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk III › Artikel 37
Artikel 37
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk III › Artikel 38
Artikel 38
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk III › Artikel 39
Artikel 39
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk III › Artikel 40
Artikel 40
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk III › Artikel 41
Artikel 41
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IV Chassis › Artikel 42
Artikel 42
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IV Chassis › Artikel 43
Artikel 43
Indien een oplegger niet is voorzien van parkeersteunen, is deze zodanig ingericht dat losse ondersteuningen kunnen worden geplaatst teneinde bij onderhoudswerkzaamheden en bij de periodieke keuring de ledige oplegger af te koppelen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IV Chassis › Artikel 44
Artikel 44
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IV Chassis › Artikel 45
Artikel 45
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk V Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5 › §1. Motor voor aandrijving van het voertuig › Artikel 46 rn. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5
Artikel 46 rn. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk V Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5 › §1. Motor voor aandrijving van het voertuig › Artikel 47 rn. 9.2.4.4 en 9.3.5
Artikel 47 rn. 9.2.4.4 en 9.3.5
1. Aan het bepaalde in rn. 9.2.4.4 en 9.3.5 wordt geacht te zijn voldaan indien:
a. de hete delen van de motor zoals de turbo en het uitlaatspruitstuk zich op ten minste 50 cm afstand bevinden van de ladingtank of de laadruimte; of
b. een warmtewerend schild is aangebracht tussen de hete delen en de ladingtank of de laadruimte.
2. Aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is bij een trekker voor een oplegger in elk geval voldaan, indien genoemde delen zich op niet meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine bevinden.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk V Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5 › §1. Motor voor aandrijving van het voertuig › Artikel 48 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6
Artikel 48 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6
1. De uitmonding van de uitlaatleiding is niet onder of in de nabijheid van vul- en aftapaansluitingen, apparatuurkasten en dergelijke gelegen.
2. De uitmonding van de uitlaatleiding mag onder het voertuig zijn gelegen indien de uitmonding schuin naar beneden is gericht.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk V Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5 › §1. Motor voor aandrijving van het voertuig › Artikel 49 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6
Artikel 49 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6
1. Aan het bepaalde in rn.’s 9.2.4.5 en 9.3.6 is voldaan indien een afscherming is aangebracht die ten minste even doeltreffend is als een afscherming met de onderstaande kenmerken:
a. het gedeelte van de uitlaatleiding dat achter de achterwand van de cabine is gelegen, is aan de bovenzijde van een metalen afschermkap voorzien waarvan de breedte aan weerszijden ten minste 2 cm meer bedraagt dan de diameter van de uitlaatleiding ter plaatse van de afschermkap;
b. de hoek tussen de raaklijn aan de uitlaatleiding naar de rand van de afschermkap en de verticaal bedraagt ten minste 15°, waarbij de afschermkap ten minste 1 cm boven de uitlaatleiding is aangebracht;
c. indien de uitlaat of delen daarvan onder een accubak, gereedschapkast of, bij trekkers, onder een metalen plaat tussen de cabine en de opleggerkoppeling is dan wel zijn aangebracht, behoeft het gedeelte van de uitlaatleiding dat zich hieronder bevindt, niet van de in onderdeel b bedoelde afschermkap te worden voorzien.
2. De uitlaatleiding behoeft niet van een (aanvullende) warmtewerende afscherming te worden voorzien indien:
a. delen van het uitlaatsysteem zich op een afstand van ten minste 50 cm van de ladingtank of de laadruimte bevinden of ten minste 20 cm van vul- en aftapleidingen van de tank; of
b. ten genoegen van de directeur wordt aangetoond dat het oppervlak van het achter de cabine van het voertuig gelegen deel van de uitlaatleiding of van de ommanteling daarvan bij langdurige belasting van de motor een temperatuur van 200°C niet overschrijdt; of
c. het een voertuig van de categorie N1 betreft met een gesloten opbouw die door de voertuigfabrikant is aangebracht, waar van fabriekswege maatregelen zijn genomen om opwarming van de laadvloer te voorkomen.
3. Bij een trekker voor het voortbewegen van een oplegger is in elk geval voldaan aan het tweede lid, indien:
a. delen van het uitlaatsysteem zich, ongeacht hun positie, op niet meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine bevinden; en
b. de in het derde lid, onderdeel a, genoemde delen op meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine doch niet boven de chassisbalken zijn aangebracht.
4. Bij een voertuigchassis voor het vervoer van (tank-)containers wordt geacht te zijn voldaan aan het tweede lid, indien:
a. delen van het uitlaatsysteem zich voor de voorste twist locks en niet boven de bovenzijde van de chassisbalken bevinden;
b. de in het vierde lid, onderdeel a, genoemde delen achter de voorste twist locks en niet boven de onderzijde van de chassisbalken zijn aangebracht.
5. In verband met de aansluiting van een uitlaatgasafzuiginrichting behoeft het aan de uitmonding grenzende deel van de uitlaatleiding over een lengte van ten hoogste 10 cm niet te zijn afgeschermd.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk V Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5 › §1. Motor voor aandrijving van het voertuig › Artikel 50 verticaal gerichte uitlaat
Artikel 50 verticaal gerichte uitlaat
1. Een verticaal gerichte uitlaatleiding is voor alle categorieën (FL, EX/II, EX/III, OX en AT) toegestaan indien:
a. de plaatsing en constructie zijn toegelaten in de typegoedkeuring; en
b. de delen zo dicht mogelijk tegen de achterwand van de bestuurderscabine zijn aangebracht, met in achtneming van de warmtebestendigheid van de cabine.
2. Bij voertuigen van de categorieën FL, EX/II, EX/III en OX, waarbij de afstand van de uitlaatleiding ten opzichte van de ladingtank minder dan 50 cm bedraagt, is deze voorzien van een warmtewerende ommanteling.
3. Bij voertuigen van de categorie FL is aan het einde van de uitlaatleiding een vonkenvanger aangebracht.
4. Het derde lid is niet van toepassing op voertuigen die zijn uitgerust met een uitlaatgasnabehandelingssysteem, voor zover het voertuigen betreft die minimaal voldoen aan de emissiegrenswaarden als opgenomen in de rijen B1, B2 of C van tabel 1 van bijlage 1 van richtlijn nr. 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (PbEU L 275) of als opgenomen in bijlage 1 van verordening (EU) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEU L 188).
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk V Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5 › § 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor) › Artikel 51
Artikel 51
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VI › Artikel 52
Artikel 52
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VI › Artikel 53
Artikel 53
1. Het gedeelte van de elektrische installatie dat achter de bestuurderscabine is gelegen, voldoet aan de volgende voorschriften:
a. bij toepassing van andere isolatiematerialen voor de elektrische leidingen dan die, genoemd in de afbeeldingen behorend bij rn. 9.2.2.2.2, wordt de gelijkwaardigheid van de bestendigheid met de materialen, genoemd in eerdergenoemde afbeeldingen aangetoond;
b. onder gelijkwaardigheid onder ‘normale gebruiksomstandigheden’ als genoemd in rn. 9.2.2.2.2 wordt verstaan: het zoveel mogelijk overeenkomen van het chemische en mechanische bestendigheidniveau binnen een temperatuurbereik van –40°C tot +100°C;
c. de volgende eigenschappen van de isolatiematerialen worden bij de beoordeling in aanmerking genomen:
1°. de slagvastheid bij de gedefinieerde minimumtemperatuur,
2°. de bestendigheid tegen verweking bij de gedefinieerde maximumtemperatuur,
3°. de chemische bestendigheid tegen verweking of aantasting door vetten, oplosmiddelen, zuren en logen,
4°. bestendigheid tegen veroudering;
d. de elektrische leidingen en armaturen vormen bij onderlinge aansluitingen een dichte afsluiting, waarbij voor zover geplaatst buiten de in artikel 54 omschreven ruimten hieraan wordt geacht te zijn voldaan bij plaatsing in een gesloten ruimte, indien de aansluitingen overeenkomen met aanduiding IP 44 overeenkomstig IEC 529 (beschermd tegen binnendringen van vaste voorwerpen en opspattend water), of overige aansluitingen, volgens aanduiding IP 54 (beschermd tegen binnendringen van stof en opspattend water);
e. indien een accu in een gesloten kast is geplaatst welke mede is bestemd voor apparatuur zoals een hulpmotor voor de aandrijving van een pomp of compressor, wordt de bescherming van de accu geacht te voldoen aan het bepaalde in rn. 9.2.2.4 indien deze bestaat uit een isolerend deksel van metaal of van daaraan gelijkwaardig materiaal.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VI › Artikel 54
Artikel 54
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VI › Artikel 55 rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar
Artikel 55 rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar
1. Indien zo dicht mogelijk bij de aansluiting op de accu’s een voorziening is aangebracht waardoor de stroomsterkte in het te beveiligen circuit een waarde van 1 A bij 30 V (6 A bij 15 V) niet kan overschrijden overeenkomstig figuur A.2.2 - stroomkringen met weerstand van IEC 60079-11 of EN 50 020, is het aangetoond dat delen van de elektrische installatie welke na het openen van de hoofdschakelaar onder spanning blijven, explosieveilig zijn.
2. Indien een voertuig is uitgerust met extra accu’s ten behoeve van hulpapparatuur, voldoen deze aan de volgende voorschriften:
a. indien gekoppeld aan het boordnet: door het bedienen van de in rn. 9.2.2.8 bedoelde hoofdschakelaar voldoet ook het door de extra accu gevoede circuit aan het bepaalde in het eerste lid;
b. indien onderdeel van een afzonderlijk circuit:
1°. de accu kan door middel van een afzonderlijke hoofdschakelaar worden gescheiden van het bijbehorende circuit;
2°. de bedieningsinrichting van de afzonderlijke hoofdschakelaar mag in afwijking van het bepaalde in genoemd randnummer enkelvoudig zijn uitgevoerd.
3. indien een bediening van de hoofdschakelaar aan de buitenzijde van het voertuig is aangebracht, is deze uitgevoerd in een duidelijk opvallende of contrasterende kleur.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VII Merktekens › Artikel 56
Artikel 56
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VII Merktekens › Artikel 57
Artikel 57
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VII Merktekens › Artikel 58
Artikel 58
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VII Merktekens › Artikel 59
Artikel 59
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 1. › Artikel 60
Artikel 60
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 1. › Artikel 61
Artikel 61
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 2. › Artikel 62
Artikel 62
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 2.1 › Artikel 63
Artikel 63
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 2.1 › Artikel 64
Artikel 64
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 2.1 › Artikel 65
Artikel 65
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 2.1 › Artikel 66
Artikel 66
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 2.1 › Artikel 67
Artikel 67
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 2.2. › Artikel 68
Artikel 68
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 3. › Artikel 69
Artikel 69
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 4. › Artikel 70
Artikel 70
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 4. › Artikel 71
Artikel 71
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 4. › Artikel 72
Artikel 72
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk VIII › § 4. › Artikel 73
Artikel 73
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 1. Algemeen › Artikel 74
Artikel 74
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 1. Algemeen › Artikel 75
Artikel 75
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 1. Algemeen › Artikel 76
Artikel 76
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 1. Algemeen › Artikel 77
Artikel 77
Bij keuringen en beproevingen bevinden de voertuigen en in het bijzonder de tanks met bijbehorende appendages, zich in een in- en uitwendig afdoende gereinigde staat.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 1. Algemeen › Artikel 78
Artikel 78
Voor zover geen inwendige inspectie van de tank is vereist, behoeft de tank niet inwendig te worden gereinigd bij de keuring van:
a. tankwagens uitsluitend goedgekeurd voor het vervoer van stoffen van klasse 2;
b. tankwagens die als laatste product kerosine met identificatienummer 1223, dieselolie, gasolie, lichte stookolie met identificatienummer 1202 of bitumen met identificatienummer 3257 hebben vervoerd.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 1. Algemeen › Artikel 79
Artikel 79
1. Bij keuringen, onderscheidenlijk beproevingen zonder inwendige inspectie van de tank wordt het bepaalde in artikel 77 bevestigd in een door de eigenaar, dan wel houder van het voertuig opgestelde verklaring, welke onmiddellijk vóór de keuring onderscheidenlijk beproeving aan de keurende inspecteur wordt afgegeven.
2. In deze verklaring is tevens vermeldt welke stof, aangegeven door naam, klasse en rn., als laatste werd vervoerd voorafgaand aan het tijdstip van keuring onderscheidenlijk beproeving.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 1. Algemeen › Artikel 80
Artikel 80
1. Voorafgaand aan een inwendige inspectie is de tank inwendig gereinigd.
2. Onmiddellijk voor de inwendige inspectie van de tank wordt een door een gasdeskundige als bedoeld in artikel 3.5h van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgemaakt veiligheids- en gezondheidsverklaring overgelegd. Deze veiligheids- en gezondheidsverklaring wordt opgesteld overeenkomstig het in bijlage IX van de Arbeidsomstandighedenregeling vastgesteld modellen.
3. Indien de fabrikant van de tank of de werkplaats waar de tank wordt geïnspecteerd ten minste is gecertificeerd voor een kwaliteitsborgingssysteem volgens de norm ISO 9001:2015, kan de directeur onder nader bekend te maken voorschriften en beperkingen toestaan dat het certificaat, bedoeld in het tweede lid, door de eigen gekwalificeerde deskundige wordt opgesteld en gewaarmerkt.
4. Het in het tweede lid genoemde certificaat behoeft niet te worden overgelegd, indien:
a. de tank niet is voorzien van een inwendige bekleding;
b. de tank uit roestvrij staal of aluminium is vervaardigd, een glad oppervlak en geen moeilijk te reinigen details bezit;
c. de tank door middel van stomen is gereinigd, waarbij elke aanslag is verdwenen; en
d. het inwendig betreden van de tank plaatsvindt, aansluitend op het ledigen van de tank na persing met water.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 1. Algemeen › Artikel 81
Artikel 81
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 2. Beproevingen (Algemeen) › Artikel 82
Artikel 82
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 2. Beproevingen (Algemeen) › Artikel 83
Artikel 83
Ten aanzien van tanks waarop rn. 6.8.2.1.14 onder a) van toepassing is, die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd overeenkomstig voorschriften die golden voor 1 januari 1990 behoeven de compartimenten geen afzonderlijke beproeving van de in rn. 6.8.2.1.14 onder a) bedoelde druk.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 2. Beproevingen (Algemeen) › Artikel 84
Artikel 84
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 2. Beproevingen (Algemeen) › Artikel 85
Artikel 85
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1 › Artikel 86
Artikel 86
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1 › Artikel 87 proefpersing
Artikel 87 proefpersing
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 4. Periodiek inspectie en beproeving rn. 6.8.2.4.2 › Artikel 88
Artikel 88
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 4. Periodiek inspectie en beproeving rn. 6.8.2.4.2 › Artikel 89
Artikel 89
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › § 4. Periodiek inspectie en beproeving rn. 6.8.2.4.2 › Artikel 90
Artikel 90
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › §5. Periodieke keuring voertuig › Artikel 91
Artikel 91
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › §5. Periodieke keuring voertuig › Artikel 92
Artikel 92
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › §5. Periodieke keuring voertuig › Artikel 93
Artikel 93
Bij de periodieke keuring wordt nagegaan of het voertuig:
a. geheel voldoet aan de daarvoor geldende voorschriften, zoals genoemd in artikel 3;
b. geen gebreken vertoont, waartoe het chassis goed gereinigd is;
c. voldoende is onderhouden.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › §5. Periodieke keuring voertuig › Artikel 94
Artikel 94
1. Indien ten behoeve van de periodieke keuring het inwendig reinigen van de tank niet, of slechts met zeer grote moeite mogelijk is, kan ontheffing daarvan worden aangevraagd bij TTV.
2. Wanneer de gevraagde ontheffing wordt verleend, zal de tank op door de directeur vast te stellen termijnen aan vervangende en aanvullende beproevingen worden onderworpen. Het voertuig wordt voor deze vervangende en aanvullende beproevingen aangeboden bij TTV.
3. Het oorspronkelijk verstrekte keuringsdocument wordt daarbij vervangen door een exemplaar waarop uitsluitend die stoffen zijn vermeld, welke aanleiding gaven tot het aanvragen van de ontheffing.
4. Indien de eigenaar of houder van het voertuig niet langer van de ontheffing gebruik wenst te maken, wordt het voertuig bij het keuringsstation van VT aangeboden waar dit is geregistreerd ter controle van die aspecten, die tengevolge van bedoelde ontheffing bij de voorgaande periodieke keuring achterwege zijn gebleven; eerst daarna kan het voertuig wederom worden goedgekeurd voor de stoffen die op het oorspronkelijke keuringsdocument waren vermeld.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen › §6. Keuring na belangrijke herstelling ongeval › Artikel 95
Artikel 95
Vervallen.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk X Overgangs- en slotbepalingen › Artikel 96
Artikel 96
Deze bijlage is van toepassing op voertuigen, tanks, tankcontainers en hun uitrusting, die zijn vervaardigd overeenkomstig de VLG.
Bijlage 4 — bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen › Hoofdstuk X Overgangs- en slotbepalingen › Artikel 97
Artikel 97
1. De voorschriften van bijlage 4 zoals die luidden ten tijde van de toelating van een voertuig of die tank of tankcontainer blijven op dat voertuig respectievelijk die tank of tankcontainer van toepassing.
2. De Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1990, zoals die luidde ten tijde van de toelating van een voertuig of die tank of tankcontainer blijven op dat voertuig respectievelijk die tank of tankcontainer van toepassing.
3. De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1985 zoals die luidden ten tijde van de toelating van een voertuig of die tank of tankcontainer blijven op dat voertuig respectievelijk die tank of tankcontainer van toepassing.
4. De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1978 zoals die luidden ten tijde van de toelating van een voertuig of die tank of tankcontainer blijven op dat voertuig respectievelijk die tank of tankcontainer van toepassing.