wetzoeker

Artikel 12 Uitvoeringswet Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie

PROCEDURE IN GEVAL VAN INTERLANDELIJKE ADOPTIE VAN EEN KIND DAT ZIJN GEWONE VERBLIJFPLAATS IN NEDERLAND HEEFT

1 In geval van interlandelijke adoptie van een kind dat zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft door echtgenoten of een persoon die hun gewone verblijfplaats hebben in een andere staat die partij is bij het verdrag, stelt de centrale autoriteit het in artikel 16 van het verdrag bedoelde rapport omtrent het kind op. Zij wint daartoe het advies in van de raad voor de kinderbescherming. Zij doet zich de op grond van artikel 4 van het verdrag vereiste toestemmingen door tussenkomst van de raad voor de kinderbescherming toekomen op bij regeling van Onze Minister van Justitie vast te stellen formulieren. Zij bepaalt of met de voorgenomen plaatsing het hoogste belang van het kind is gediend.

2 De centrale autoriteit doet het in het eerste lid bedoelde rapport, alsmede de in artikel 16, tweede lid, van het verdrag bedoelde bescheiden toekomen aan de centrale autoriteit van de staat van opvang.

Regeling
Uitvoeringswet Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie
Afkortingen
Uw Hav
Soort
Wet
Geldend vanaf
01-09-2017
BWB-id
BWBR0009614
Versie
2017-09-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl