wetzoeker

Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland

Wet van 14 februari 1998, houdende Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-01-2025
Rechtsgebied
Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Ministerie
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
BWB-id
BWBR0009385
Versie
2025-01-01_0
SHA-256 bron
22bd1f2a0f7807ede45d294bd0a5722e9b3aa33e4902abc2afdf4a2f89c96a41

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (28)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28

§ 1 — Begripsbepaling

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. programma: een samenhangend geheel van projecten, experimenten, onderzoek en ontwikkeling op het gebied van gezondheid, preventie en zorg, gericht op praktijkvraagstukken;

c. organisatie: de organisatie genoemd in artikel 2.

§ 2 — Instelling en taken van de organisatie

Artikel 2

1 Er is een organisatie ZorgOnderzoek Nederland (ZON).

2 De organisatie bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in een door Onze Minister te bepalen plaats.

3 De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is op de organisatie van toepassing.

§ 2 — Instelling en taken van de organisatie

Artikel 3

1 De organisatie heeft tot taak het doen uitvoeren en het subsidiëren of het verlenen van opdrachten met betrekking tot projecten, experimenten, onderzoek en ontwikkeling op het terrein van gezondheid, preventie en zorg. De organisatie bewaakt daarbij de kwaliteit en de samenhang en bevordert tevens het gebruik van de resultaten.

2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat Onze Minister de organisatie kan opdragen de in het eerste lid genoemde werkzaamheden te verrichten op andere, in de maatregel aangewezen verwante gebieden.

3 De organisatie kan met de instemming van Onze Minister de in het eerste lid genoemde werkzaamheden ook op verzoek van derden verrichten voor zover dit kostendekkend is en de werkzaamheden vallen binnen de gebieden bedoeld in het eerste of tweede lid. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het werken voor derden nadere regels worden gesteld.

4 De organisatie voert haar taak uit in afstemming met de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, alsmede andere organisaties die activiteiten als bedoeld in het eerste lid organiseren, financieren of uitvoeren.

§ 3 — Samenstelling, bevoegdheden en werkwijze bestuur

Artikel 4

1 Het bestuur van de organisatie bestaat uit ten hoogste negen leden waaronder de voorzitter.

2 Benoeming van de leden van het bestuur vindt plaats op persoonlijke titel.

3 Het bestuur wordt samengesteld uit deskundigen op het werkterrein van de organisatie. Bij de samenstelling van het bestuur wordt gestreefd naar evenredige deelneming van vrouwen en personen van etnische en culturele minderheidsgroepen aan het bestuur.

4 De voorzitter en de secretaris, bedoeld in artikel 6, tweede lid, voeren de besluiten van het bestuur uit en vertegenwoordigen de organisatie gezamenlijk in en buiten rechte.

5 De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren. De leden zijn eenmaal aansluitend herbenoembaar.

§ 3 — Samenstelling, bevoegdheden en werkwijze bestuur

Artikel 5

Vervallen

§ 3 — Samenstelling, bevoegdheden en werkwijze bestuur

Artikel 6

1 Het bestuur van de organisatie laat zich ten behoeve van de voorbereiding en uitvoering van zijn werkzaamheden ondersteunen door een bureau met aan het hoofd een directeur.

2 De directeur is secretaris van het bestuur van de organisatie.

§ 3 — Samenstelling, bevoegdheden en werkwijze bestuur

Artikel 7

1 Het bestuur van de organisatie stelt een bestuursreglement vast.

2 Het bestuursreglement bevat in ieder geval regels omtrent:

a. de werkwijze van het bestuur;

b. de instelling, samenstelling en werkwijze van programmacommissies;

c. de taken en bevoegdheden van de directeur.

§ 3 — Samenstelling, bevoegdheden en werkwijze bestuur

Artikel 8

Vervallen

§ 4 — De programma's, de jaarplannen en de bekostiging

Artikel 9

1 Onze Minister wijst aandachtsgebieden aan waarvoor een programma zal worden vastgesteld.

2 Het bestuur van de organisatie stelt, op basis van de gegeven aanwijzing en vastgestelde regels, een programma vast na goedkeuring door de Minister.

3 Het programma bevat:

a. een beschrijving van de beoogde resultaten van het programma;

b. een beschrijving in hoofdlijnen van de activiteiten, de samenhang daartussen en de prioriteit daarvan en de looptijd van het programma;

c. een beschrijving in hoofdlijnen van de wijze van uitvoering en de daaraan verbonden kosten;

d. de kwaliteitscriteria waaraan projecten, experimenten, onderzoek en ontwikkeling moeten voldoen.

§ 4 — De programma's, de jaarplannen en de bekostiging

Artikel 10

Vóór 1 november van elk boekjaar stelt het bestuur van de organisatie, met inachtneming van het in artikel 12, tweede lid, bedoelde maximale budget, in een jaarplan vast welke activiteiten in het daaropvolgende boekjaar ter verwezenlijking van de programma’s zullen worden uitgevoerd. Het jaarplan wordt tegelijk met de begroting, bedoeld in artikel 26 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, aan Onze Minister toegezonden.

§ 4 — De programma's, de jaarplannen en de bekostiging

Artikel 11

1 Het bestuur van de organisatie bekostigt projecten, experimenten, onderzoek en ontwikkeling met inachtneming van het jaarplan en de begroting.

2 Het bestuur van de organisatie stelt voor de bekostiging van projecten, experimenten, onderzoek en ontwikkeling regels betreffende:

a. de procedurele voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen, de procedures bij het aanvragen en verstrekken van subsidie, de bevoorschotting, de aan een subsidie verbonden verplichtingen en de subsidievaststelling;

b. de wijze van het verlenen van opdrachten, de daarbij te volgen procedures en de te stellen voorwaarden.

3 De in het tweede lid bedoelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

§ 5 — Financiële bepalingen

Artikel 12

1 Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

2 Onze Minister stelt vóór 1 oktober voorafgaande aan het boekjaar het maximaal aan de organisatie ter beschikking te stellen budget vast.

3 Onverminderd artikel 27 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, is in de begroting een meerjarenraming opgenomen.

§ 5 — Financiële bepalingen

Artikel 13

Het bedrag van de goedgekeurde begroting van de organisatie komt ten laste van:

a. ’s Rijks kas,

b. derden, voor zover het betreft werkzaamheden die op verzoek van deze derden worden uitgevoerd.

§ 5 — Financiële bepalingen

Artikel 14

Het bestuur stelt het jaarverslag en de jaarrekening, bedoeld in de artikelen 18 en 34 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, algemeen verkrijgbaar.

§ 5 — Financiële bepalingen

Artikel 15

Vervallen

§ 5 — Financiële bepalingen

Artikel 16

1 Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden met betrekking tot het financieel beheer, de inrichting van de begroting en het financieel verslag, de omvang en aanwending van de egalisatiereserve, en de accountantscontrole.

2 De accountant doet verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en de wijze waarop de organisatie is georganiseerd voldoen aan de eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid.

§ 5 — Financiële bepalingen

Artikel 17

Na afronding van een programma brengt het bestuur een verslag uit van de resultaten van het programma, en zendt dit toe aan Onze Minister.

§ 5 — Financiële bepalingen

Artikel 18

Vervallen

§ 5 — Financiële bepalingen

Artikel 19

Vervallen

§ 7 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20

In afwijking van artikel 4, vijfde lid, worden voor de eerste maal de helft van het aantal leden van het bestuur benoemd voor twee jaar en de overige leden, waaronder de voorzitter, voor vier jaar.

§ 7 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 21

1 De Wet op het praeventiefonds wordt ingetrokken.

2 Het Praeventiefonds draagt zorg voor de voortzetting en afsluiting van de administratie, het bestandsbeheer en het kasbeheer en dient binnen een half jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet bij Onze Minister een finale verantwoording in. Voor de uitvoering van de eerste volzin blijft het Praeventiefonds in stand tot twee maanden na de datum waarop de verantwoording is ingediend.

§ 7 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 22

Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen.

§ 7 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 23

1 Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn de personeelsleden in dienst bij het Praeventiefonds van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van de organisatie.

2 Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn de personeelsleden van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister vastgestelde lijst, van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van de organisatie.

3 De overgang van de in het eerste en tweede lid bedoelde personeelsleden vindt plaats met een rechtspositie die als geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij het Praeventiefonds onderscheidenlijk het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

§ 7 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 24

1 De rechten en plichten van het Praeventiefonds gaan over op de organisatie.

2 Onze Minister bepaalt welke rechten en plichten van de Staat worden toebedeeld aan de organisatie. Daarbij wordt de norm gehanteerd dat die rechten en plichten overgaan die door de Staat voor de inwerkingtreding van deze wet zijn verworven en betrekking hebben op activiteiten die als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet overgaan op de organisatie.

3 De in het eerste en tweede lid bedoelde rechten en plichten gaan met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel en om niet over op de organisatie.

§ 7 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 25

1 De archiefbescheiden van het Praeventiefonds gaan met ingang van inwerkingtreding van deze wet over naar de organisatie, voor zover zij niet overeenkomstig het bepaalde in de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

2 Archiefbescheiden van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor zover betrekking hebbend op activiteiten die als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet overgaan op de organisatie, gaan met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet over naar de organisatie, voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

§ 7 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 26

In wettelijke procedures en rechtsgedingen met betrekking tot activiteiten die als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet overgaan op de organisatie waarbij het Praeventiefonds of het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is betrokken, treedt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet de organisatie in plaats van het Praeventiefonds onderscheidenlijk Onze Minister.

§ 7 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 27

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

§ 7 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 28

Deze wet kan worden aangehaald als: de Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland.