wetzoeker

4.3 — Begin en einde van het tijdvak van 52 weken Wijziging Hoofdstuk VI ARAR

Begin en einde van het tijdvak van 52 weken

Voor wat de aanvang en het einde van het tijdvak van 52 weken is aansluiting gezocht bij de overeenkomende bepalingen van de WAO. Het tijdvak van 52 weken vangt aan op de eerste dag waarop de ambtenaar ongeschikt is tot werken wegens ziekte of de werkzaamheden wegens ziekte heeft gestaakt. Bij verlofsituaties – ook bij ouderschapsverlof – wordt uitgegaan van de eerste dag waarop de ambtenaar niet zou hebben gewerkt of de werkzaamheden zou hebben gestaakt.

Het tijdvak van 52 weken eindigt na precies 52 weken. Indien de periode van ongeschiktheid wordt onderbroken door perioden van geschiktheid, worden perioden van ongeschiktheid die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken samengeteld. Dit laatste betekent dat bij een onderbreking die langer duurt dan vier weken het tijdvak van 52 weken opnieuw begint te tellen vanaf de nieuwe eerste ziektedag.

In afwijking van het voorgaande vangt de termijn van 52 weken voor de ambtenaar die met buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging is, aan op de eerste dag waarop het buitengewoon verlof is geëindigd. Dienaangaande vermeld ik dat het te overwegen is om het buitengewoon verlof in een dergelijk geval te beëindigen indien de verwachting is dat de ambtenaar gedurende een langere periode dan 35 weken arbeidsongeschikt zal blijven.

Voor wat de aanspraak op de WAO-uitkering betreft blijft overigens gelden dat de eerste ziektedag is de dag waarop de ambtenaar niet zou hebben gewerkt of de werkzaamheden zou hebben gestaakt wegens ziekte. Dit laatste betekent dat het in theorie zo kan zijn dat de ambtenaar die terugkeert van buitengewoon verlof direct al wordt geconfronteerd met een aanspraak op een WAO uitkering en een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. De ambtenaar heeft in een dergelijk geval steeds gedurende (52 + 26) 78 weken aanspraak op een aanvulling tot 100% van zijn bezoldiging en aansluitend tot 80% van zijn bezoldiging.

Het tijdvak van 52 wordt verlengd met de periode waarin het bevoegde gezag verzuimt om de 13e weeksmelding te doen (artikel 41, vijfde lid ARAR).

Regeling
Wijziging Hoofdstuk VI ARAR
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
01-01-1998
BWB-id
BWBR0009307
Versie
1998-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl