wetzoeker

4.2 — Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid van de gewezen ambtenaar Wijziging Hoofdstuk VI ARAR

Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid van de gewezen ambtenaar

Zodra een ambtenaar ontslag is verleend op grond van artikel 98, eerste lid, onderdeel f, van het ARAR, gelden voor hem de WAO en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zoals die zijn geregeld in het Pensioenreglement (invaliditeitspensioen en herplaatsingstoelage) en de door de USZO BV uit te voeren suppletieregeling. Bij alle andere ontslagvormen geldt in eerste instantie de regeling zoals die is opgenomen in artikel 38 van het ARAR. Dit laatste laat overigens onverlet dat ook de gewezen ambtenaar in een later stadium nog aanspraak zal kunnen maken op een invaliditeitspensioen of een herplaatsingstoelage.

Het gaat er bij de gewezen ambtenaar niet om of hij zijn functie die hij voor het ontslag vervulde nog kan vervullen maar of hij naar aard en omvang soortgelijke werkzaamheden kan vervullen. Of er van ongeschiktheid tot werken sprake is wordt – middels een arbeidsgezondheidskundig onderzoek (artikel 36a, onderdeel c, ARAR) – bepaald door de Arbo-dienst.

Als de ongeschiktheid tot werken is ontstaan voor de datum van het ontslag heeft de gewezen ambtenaar tijdens zijn ongeschiktheid tot werken gedurende 52 weken – te rekenen vanaf de eerste ziektedag – aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging. In de periode voor de datum van het ontslag is de aanspraak gegrond op artikel 37 van het ARAR; vanaf de datum van het ontslag is deze aanspraak gegrond op artikel 38 van het ARAR. Daarna ontstaat voor de gewezen ambtenaar die een mate van arbeidsongeschiktheid heeft van tenminste 15%, aanspraak op een WAO-uitkering. Deze WAO-uitkering wordt gedurende 26 weken aangevuld tot 100% van de laatstgenoten bezoldiging van de ambtenaar. Na ommekomst van deze 26 weken heeft de gewezen ambtenaar die een mate van arbeidsongeschiktheid heeft van tenminste 15%, uitsluitend aanspraak op een WAO-uitkering.

Ontstaat de ongeschiktheid tot werken binnen een maand na de datum van het ontslag, dan heeft de gewezen ambtenaar gedurende maximaal 52 weken aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Voorwaarden voor het ontstaan van de aanspraak zijn alsdan dat de ambtenaar ten minste twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande in dienst is geweest. Indien de ongeschiktheid tot werken voortduurt tot na de periode van 52 weken, heeft de gewezen ambtenaar die een mate van arbeidsongeschiktheid heeft van tenminste 15%, aanspraak op een WAO-uitkering.

In aanvulling op het voorgaande heeft de gewezen ambtenaar die aanspraak heeft op een WAO-uitkering (in het ene geval na 78 weken en in het andere geval na 52 weken), aanspraak op een aanvullende uitkering tot een nader genoemd percentage van zijn laatstgenoten bezoldiging, in de gevallen waarin de ambtenaar ongeschikt is tot werken in verband met een ziekte die is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte. Dit percentage varieert van 18% tot 90,02% en is afhankelijk van de mate van ongeschiktheid tot werken (artikel 38, vijfde lid ARAR).

De gewezen ambtenaar die aanspraak heeft op een FPU-uitkering heeft op grond van artikel 38, zesde lid ARAR aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging voorzover deze tesamen met de aanvullende uitkering bedoeld in het FPU reglement zijn laatstgenoten bezoldiging niet overschrijdt. In de praktijk betekent dit dat de bedoelde gewezen ambtenaar zijn laatstgenoten bezoldiging ontvangt verminderd met de aanspraak op de aanvullende uitkering bedoeld in artikel 4 van het FPU reglement. De basis-uitkering FPU wordt immers op grond van artikel 9 van het FPU reglement verminderd met inkomsten uit of in verband met arbeid.

Regeling
Wijziging Hoofdstuk VI ARAR
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
01-01-1998
BWB-id
BWBR0009307
Versie
1998-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl