wetzoeker

4.1 — Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar (artikel 37 ARAR) Wijziging Hoofdstuk VI ARAR

Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar (artikel 37 ARAR)

De ambtenaar heeft tijdens zijn ongeschiktheid tot werken gedurende 52 weken aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging. Daarna ontstaat voor de ambtenaar die tenminste 15% arbeidsongeschikt is, aanspraak op een WAO-uitkering. Deze WAO-uitkering wordt gedurende 26 weken aangevuld tot 100% van de bezoldiging van de ambtenaar en vervolgens tot de datum van een eventueel ontslag tot 80% van de bezoldiging van de ambtenaar.

In aansluiting op het voorgaande heeft de ambtenaar aanspraak op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering tot 100% van zijn bezoldiging in de gevallen waarin de ambtenaar:

– zijn arbeid voor tenminste 45% van de voor hem geldende werktijd verricht;

– in het belang van zijn genezing door de Arbo-dienst wenselijk geachte arbeid verricht voor tenminste 45% van de voor hem geldende werktijd verricht;

ongeschikt is tot werken in verband met een ziekte die is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.

Naast het voorgaande heeft de ambtenaar die wordt herplaatst nog de volgende aanspraken.

– Indien hij wordt herplaatst voordat de termijn van twee jaar, als bedoeld in artikel 98, derde lid, is verstreken heeft hij tot het moment waarop de termijn van twee jaar is verstreken, nog aanspraak op een aanvulling op zijn bezoldiging. Een dergelijke aanvulling ontvangt de ambtenaar indien de bezoldiging na herplaatsing lager is dan de bezoldiging voor zijn herplaatsing. De aanvulling bedraagt het verschil tussen enerzijds het bedrag waarop de ambtenaar aanspraak zou hebben gehad indien hem geen andere betrekking zou zijn opgedragen dan zijn eigen betrekking en anderzijds zijn bezoldiging na herplaatsing vermeerderd met de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen waarop hij aanspraak heeft.

– Indien de ambtenaar ongeschikt is tot werken in verband met een ziekte die is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, heeft de ambtenaar aanspraak op een aanvullende uitkering ter grootte van het verschil tussen een percentage van zijn bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en zijn bezoldiging na herplaatsing vermeerderd met de wettelijke en bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen waarop hij aanspraak heeft. Het bedoelde percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en varieert van 18% tot 90,02% (artikel 37, zevende lid ARAR).

Regeling
Wijziging Hoofdstuk VI ARAR
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
01-01-1998
BWB-id
BWBR0009307
Versie
1998-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl