wetzoeker

4 — De aanpassingen in verband met de in werking treding van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen Wijziging Hoofdstuk VI ARAR

De aanpassingen in verband met de in werking treding van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen

In verband met de inwerkingtreding van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen is de systematiek zoals die tot 1 januari 1998 is neergelegd in hoofdstuk VI van het ARAR, gewijzigd. De totale aanspraken van de ambtenaar zijn ten opzichte van de situatie voor 1 januari 1998 echter ongewijzigd gebleven.

In hoofdlijnen blijft gelden dat de ambtenaar gedurende de eerste 52 weken waarin hij ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid 100% van zijn bezoldiging krijgt doorbetaald. Na ommekomst van 52 weken komt de ambtenaar die arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO in aanmerking voor een WAO-uitkering. De aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering is in de systematiek zoals die vanaf 1 januari 1998 geldt afhankelijk van de aanspraak die de ambtenaar heeft op een WAO-uitkering. De bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering vult de WAO-uitkering gedurende 26 weken aan tot 100 % van de bezoldiging en vervolgens tot het einde van de arbeidsverhouding tot 80 % van de bezoldiging.

Voor wat de aanspraak van de ambtenaar op een WAO-uitkering en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft, zijn een aantal begrippen relevant, zoals arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, berekeningsgrondslag en restverdiencapaciteit.

Bij arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO gaat het om het verlies van verdiencapaciteit. Het verlies van verdiencapaciteit bepaalt het percentage arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar. Om de verdiencapaciteit en het arbeidsongeschiktheidspercentage te bepalen wordt het loon van de ambtenaar vergeleken met het loon dat hij – ondanks zijn arbeidsongeschiktheid – nog met gangbare arbeid zou kunnen verdienen. Wellicht ten overvloede vermeld ik thans al dat de ambtenaar die een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15% heeft, als niet arbeidsongeschikt wordt aangemerkt in de zin van de WAO.

Met de berekeningsgrondslag wordt steeds bedoeld de definitie van de berekeningsgrondslag zoals die is opgenomen in het Pensioenreglement.

De restverdiencapaciteit wordt in het algemeen bepaald door na te gaan welke functies de betrokken ambtenaar nog zou kunnen verrichten. Van de drie functies waaraan het hoogste loon is verbonden wordt voor het bepalen van de restverdiencapaciteit de functie aangehouden waaraan het op één na hoogste loon is verbonden. Die functie is bepalend voor de schatting van de arbeidsongeschiktheid. Of zo’n functie beschikbaar is en zo ja is daarbij niet relevant.

Na de datum van een eventueel ontslag dat is gegrond op artikel 98, eerste lid, aanhef, onderdeel f, van het ARAR, ontvangt de ambtenaar in hoofdlijnen de bovenwettelijke aanvullingen zoals die zijn vermeld in het werkboek WAO. Bij alle gevallen van ontslag met gebruikmaking van een andere ontslaggrond geldt een afwijkende situatie. Voor de volledigheid vermeld ik nog dat de aanspraken op een invaliditeitspensioen en een herplaatsingstoelage zijn geregeld in het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP. De aanspraak op een suppletie is geregeld in de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk.

Regeling
Wijziging Hoofdstuk VI ARAR
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
01-01-1998
BWB-id
BWBR0009307
Versie
1998-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl