wetzoeker

Paragraaf 2 Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens

Verkeerstekens op het wegdek

1 De gele doorgetrokken streep, zoals bedoeld in art. 23.1.g van het RVV 1990

Plaatsing

De gele doorgetrokken streep wordt op of langs de kant van de rijbaan aangebracht.

2 De gele onderbroken streep, zoals bedoeld in art. 24.1.e van het RVV 1990

Plaatsing

De gele onderbroken streep wordt op of langs de kant van de rijbaan aangebracht.

Uitvoering

De verhouding in meters tussen een streep en een onderbreking is:

1,00 : 1,00 of

0,50 : 0,50 of

0,30 : 0,30.

Het minimum aantal aan te brengen strepen bedraagt drie.

3 De blauwe streep als bedoeld in art. 25, tweede lid, van het RVV 1990

Plaatsing

De blauwe streep wordt tenminste aangebracht:

aan een lange zijde van een parkeervak bij langsparkeren;

aan een korte zijde van een parkeervak bij haaks of schuin parkeren;

of langs de kant van de rijbaan waar parkeren over grotere lengte met gebruik van de parkeerschijf is toegestaan.

4 De doorgetrokken streep als bedoeld in artikel 76 van het RVV 1990

Uitvoering

De minimumlengte van de doorgetrokken streep bedraagt 20 m.

5 Het verdrijvingsvlak, zoals bedoeld in art. 77 van het RVV 1990

Vooraanduiding

Voor het verdrijvingsvlak, ter aanduiding van een vermindering van het aantal rijstroken, wordt een vooraanduiding gegeven in de vorm van verdrijfpijlen op het wegdek voor het einde van een rijstrook, ongeacht de eventuele aanwezigheid van een bord L5.

6 De stopstreep, zoals bedoeld in art. 79 van het RVV 1990

Toepassing en plaatsing

Voor een verkeerslicht als bedoeld in de artikelen 68 tot en met 72 van het RVV 1990 en voor een bord B7 wordt een stopstreep aangebracht om duidelijk te maken op welke plaats door bestuurders gestopt dient te worden.

Uitvoering

De breedte van de stopstreep die wordt aangebracht bij bord B7 bedraagt ten minste 0,30 m.

7 Haaientanden, zoals bedoeld in artikel 80 van het RVV 1990

Toepassing (van zelfstandige haaientanden)

De toepassing van haaientanden met de betekenis, bedoeld in artikel 80 van het RVV 1990 (dus zonder bord B6 en eventueel tevens zonder een bord B3, B4, B5 op een kruisende weg) is beperkt tot:

fietspaden en parallelwegen indien de aanwezigheid van één van deze borden verwarring zou kunnen geven voor andere bestuurders;

de ten opzichte van de doorgaande weg ondergeschikte zijtak van een T-kruispunt, doch uitsluitend indien het informele voorrangsgedrag overeenkomt met de voorrangsregeling.

Plaatsing (van alle haaientanden)

Haaientanden worden aangebracht op de plaats waar bestuurders bij het verlenen van voorrang plegen te stoppen dan wel naar inzicht van de wegbeheerder dienen te stoppen.

8 De blokmarkering, zoals bedoeld in art. 11.4 van het RVV 1990

Uitvoering

De blokmarkering, bedoeld in artikel 11.4 van het RVV 1990, is ten minste 20 m lang. De blokken bestaan uit witte rechthoekige markeringen.

9 De voetgangersoversteekplaats (zebra), zoals bedoeld in art. 49.2 van het RVV 1990

Toepassing

Een zebra wordt slechts toegepast:

op wegen binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/h of 50 km/h en;

op wegen buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/h mits de naderingssnelheid van minimaal 85% van de motorvoertuigen lager is dan 50 km/h.

Uitvoering

1 Een zebra bestaat uit een dwars op de wegas aangebrachte markering met een breedte van ten minste 4 m, bestaande uit witte strepen met een breedte en een tussenliggende afstand van 0,4 tot 0,6 m.

2 Bij een zebra wordt, behalve bij verkeerslichten, altijd bord L2 geplaatst.

Regeling
Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens
Afkortingen
Uv BABW Vt
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-10-2023
BWB-id
BWBR0009104
Versie
2023-10-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl