Master Besluit opleidingseisen arts
De juist afgestudeerde arts is in staat om:
1. door middel van klinisch redeneren gezondheidsvraagstukken (bijlage 3) multidimensioneel te analyseren, gebruikmakend van de relevante biopsychosociale kennis en wetenschappelijke bronnen (bijlage 2), en toe te passen in de praktijk van de directe dan wel indirecte patiëntenzorg en op het individu gerichte preventie;
1.1 contextafhankelijk te denken en beslissen ter ondersteuning van het handelen in de professionele medische praktijk;
1.2 de verschillende fasen van het klinisch-redeneren-proces (diagnostische, therapeutische en evaluatiefase) op de juiste momenten toe te passen;
1.2.1 hiertoe gebruik te maken van competenties 2 t/m 5 van dit competentiedomein medische deskundigheid.
2. doeltreffend, doelmatig, ethisch verantwoord en patiëntgericht preventie, diagnostiek, prognostiek, gezamenlijke besluitvorming en behandeling/begeleiding toe te passen en een beleidsplan op te stellen voor zowel de individuele patiënt, patiëntengroepen als de populatie;
2.1 gebruikmakend van de relevante biopsychosociale kennis een consult te verrichten;
2.2 een volledige (hetero)anamnese af te nemen of populatie-informatie in kaart te brengen, rekening houdend met de medische voorgeschiedenis en met inachtneming van contextuele factoren op het niveau van de patiënt (leeftijd, multimorbiditeit, arbeidsparticipatie, sociaaleconomische status, gender, gezondheidsvaardigheden, taal en culturele, spirituele of religieuze achtergrond) of populatie;
2.3 op basis van de (hetero)anamnese de relevante organen en orgaansystemen te onderzoeken bij de patiënt en het functioneren van de patiënt in kaart te brengen en gezamenlijk behandeldoelen te bepalen, rekening houdend met de context van de patiënt;
2.4 de informatie uit anamnese en lichamelijk onderzoek of de beschikbare populatie-informatie te integreren tot een differentiaaldiagnose en te komen tot een voorstel voor een beleidsplan (diagnostiek, behandeling, preventie, gezondheidsbevordering);
2.5 in heldere bewoordingen het voorstel voor beleidsplan te bespreken met de supervisor;
2.6 samen met de patiënt en diens naasten, en in samenspraak met de supervisor, behandeldoelen op te stellen binnen het hele spectrum van vertragen van ziekteprogressie, behandelen van symptomen, genezen, functie verbeteren en palliatie;
2.7 met de patiënt en diens naasten een behandelplan op te stellen dat aansluit bij de wensen en doelen van de patiënt (gezamenlijke besluitvorming); en
2.7.1 dit in begrijpelijke taal te bespreken;
2.7.2 te controleren of de patiënt alles heeft begrepen;
2.7.3 het gesprek adequaat te structureren.
3. de juiste onderzoeken en/of therapieën in te zetten voor diagnostisch, preventief en/of therapeutisch en/of symptoomgericht beleid;
3.1 basale eerste hulp, inclusief reanimatie, toe te passen;
3.2 in overleg met de supervisor de indicatie te stellen voor een behandeling, procedure of preventieve maatregel;
3.2.1 dit in begrijpelijke taal uit te leggen aan de patiënt;
3.2.2 te komen tot informed consent en de patiënt en diens naasten hierbij te begeleiden;
3.2.3 complexe situaties te herkennen (zoals bij kwetsbare ouderen, in geval van multimorbiditeit of (meervoudige) beperkingen) en deze proactief met de supervisor te bespreken om het te volgen beleid hierop af te stemmen.
3.3 enkele eenvoudige chirurgische ingrepen uit te voeren (lokale verdoving, incisie en cutane hechtingen) en (farmaco)therapie (voorschrijven en controleren medicatie) toe te passen; en
3.3.1 uit te voeren op een bekwame en veilige manier;
3.3.2 supervisie te vragen waar nodig.
3.4 onderzoeken en therapie te prioriteren op basis van (klinische) urgentie en beschikbare middelen; en
3.4.1 door te verwijzen naar of te consulteren van andere (zorg) professionals indien nodig;
3.4.2 de patiënt en diens veiligheid centraal te stellen bij het uit te voeren beleid;
3.4.3 supervisie te vragen waar nodig.
4. zorg te dragen voor continuïteit van zorg en follow-up;
4.1 in overleg met de supervisor een adequaat plan op te stellen voor doorlopende zorg; en
4.1.1 indien van toepassing vervolgonderzoek, controle op behandeling en verwijzing te organiseren.
5. medische deskundigheid te tonen en bij te dragen aan de continue verbetering van de gezondheidszorgkwaliteit en patiëntveiligheid op zowel individueel-, patiëntengroep- als populatieniveau;
5.1 de patiënt en diens veiligheid centraal te stellen in het medisch consult;
5.2 volgens de geldende veiligheidsprotocollen te werken en incidenten adequaat te melden en verdere schade te voorkomen;
5.3 te reflecteren op het eigen handelen en hierop feedback te vragen;
5.4 effectief en in het belang van de patiënt samen te werken met andere (zorg)professionals om de (preventieve) zorg te optimaliseren;
5.5 in samenspraak met de supervisor een wetenschappelijk en/of maatschappelijk verantwoord standpunt in te nemen ten aanzien van preventie;
5.6 verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van het signaleren van gezondheidsrisico’s op patiënt- en populatieniveau (zoals werk, leefstijl, huiselijk geweld en meldplicht infectieziekten);
5.7 in overleg met de supervisor ontwikkelingen in zorglandschap en financiering uit te leggen aan patiënten en burgers;
5.8 in overleg met de supervisor bij te dragen aan kwaliteit van zorg door kwaliteitsindicatoren te interpreteren en in te zetten voor zorgverbetering;
5.9 kostenbewust te handelen en adequaat om te gaan met schaarse middelen in de zorg.
- Regeling
- Besluit opleidingseisen arts
- Soort
- AMvB
- Geldend vanaf
- 01-07-2024
- BWB-id
- BWBR0008846
- Versie
- 2024-07-01_0