wetzoeker

Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens

Beleidsregel betreffende de uitoefening van de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse zaken tot het afgeven van verklaringen van geen bezwaar, als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de Wet veiligheidsonderzoeken, in verband met de vervulling van vertrouwensfuncties op de burgerluchthavens

Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-02-1997
Rechtsgebied
Openbare orde en veiligheidsrecht
Ministerie
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
BWB-id
BWBR0008521
Versie
1997-02-01_0
SHA-256 bron
0fd16360954d23e0708bb534be6eb960d1f4e0b68b6f0c98772bdc11f853e161

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (3)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3

Artikel 1

1 Bij het afgeven van een verklaring als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de Wet veiligheidsonderzoeken, in verband met de vervulling van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, wordt, indien het naar de betrokken persoon ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, bij de beoordeling van die gegevens rekening gehouden met:

a. de aard van de gegevens;

b. de ouderdom van de gegevens;

c. de aard en de zwaarte van de delicten waarop de gegevens betrekking hebben;

d. de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen;

e. het aantal in een bepaalde tijdsspanne vastgelegde gegevens;

f. de leeftijd van betrokkene ten tijde van het vastleggen van de gegevens.

2 Bij de beoordeling van de in de aanhef van het eerste lid bedoelde gegevens wordt in het bijzonder gelet op gegevens betreffende:

a. gebruik of handel in harddrugs;

b. handel in grotere hoeveelheden softdrugs;

c. voorhanden hebben of handel in vuurwapens of schijnvuurwapens;

d. zwaardere vormen van diefstal, inbraak of heling;

e. verduistering, oplichting of valsheid in geschriften;

f. misdrijven tegen het leven gericht;

g. openlijke geweldpleging of zware vormen van mishandeling;

h. afpersing of afdreiging;

i. misdrijven tegen de veiligheid van de Staat;

j. deelneming aan een criminele organisatie, of deelneming aan de voortzetting van een verboden en ontbonden rechtspersoon;

k. luchtvaartmisdrijven of

l. andere feiten die een risico kunnen opleveren voor de veiligheid van de burgerluchtvaart.

Artikel 2

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 februari 1997.

Artikel 3

Deze beleidsregel kan worden aangehaald als ’Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens’.