wetzoeker

II — Redelijkerwijs niet of niet geheel, ten laste van ... Circulaire schadevergoedingen

Redelijkerwijs niet of niet geheel, ten laste van ...

Als een causaal verband is vastgesteld, moet aannemelijk worden gemaakt dat de bedrijfsschade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de vergunninghouder dient te blijven. Hiertoe is een drieledige toets ontworpen, die hieronder bij a, b en c wordt besproken:

a. Doelmatigheid

In de eerste plaats moet de milieu-investering doelmatig zijn, dat wil zeggen dat het gaat om een gewenst milieuresultaat dat tegen aanvaardbare kosten kan worden bereikt en dat vervolgens ook daadwerkelijk tegen de laagst mogelijke kosten wordt bereikt. Als een vergunninghouder aan de milieueisen van het bevoegd gezag ook tegen lagere kosten kan voldoen geldt het laagst mogelijke bedrag als uitgangspunt voor de berekening van een schadevergoeding.

b. Hoogte in vergelijking met concurrenten

Om te kunnen vaststellen of er van een bovennormale last sprake is en hoe hoog deze is, moeten het normale voorzieningenniveau en de daarbij behorende kosten worden bepaald. Daartoe moeten worden nagegaan welk voorzieningenniveau bij concurrenten normaal is. Het is mede de taak van de vergunninghouder zelf om relevante concurrenten op te sporen. Bij het ontbreken van binnenlandse concurrenten kunnen de relevante concurrenten ook buitenlandse bedrijven zijn, mits deze in moderne industrielanden zijn gevestigd.

Voor alle duidelijkheid zij vermeld dat de schadevergoedingsregeling is gericht op uitzonderlijke situaties, waarin sprake is van een onevenredige last voor een individueel bedrijf.

De schadevergoedingsregeling is dus niet van toepassing als de overheid milieuvoorschriften aanscherpt vanuit algemene regels bedoeld om een hele bedrijfstak milieuhygiënisch te saneren. Dan is er immers geen sprake van één bedrijf dat zwaardere eisen krijgt opgelegd dan zijn concurrenten.

Als de hoogte van de bovennormale last bepaald is, moet naar het relatieve gewicht ervan worden gekeken.

c. Relatief gewicht

Na het bepalen van de laagst mogelijk kosten van de investering en de hoogte van de bovennormale last, moet vervolgens het relatieve gewicht van deze last worden vastgesteld.

Dit betekent dat moet worden nagegaan of de bovennormale last een aantoonbaar nadelige invloed heeft op de concurrentiepositie van het bedrijf.

De vergunninghouder dient daarom na te gaan of aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan.

1. De bovennormale last is aanzienlijk

De kosten van de bovennormale last moeten tenminste twintig procent hoger zijn dan de kosten van de normale milieumaatregelen.

2. Het bedrijf heeft geen monopoliepositie

Alleen een bedrijf dat op zijn productmarkten met wezenlijke concurrentie te maken heeft, komt voor een schadevergoeding in aanmerking.

3. De bovennormale last heeft een nadelige invloed op de concurrentiepositie

De invloed van een bovennormale last op de concurrentiepositie van een bedrijf is over het algemeen moeilijk ondubbelzinnig en objectief vast te stellen. Deze invloed zal groter zijn naarmate de bovennormale last een groter beslag legt op de financiële ruimte van de ondernemer om zijn concurrentiepositie te handhaven of te verbeteren. Over het algemeen zal pas een wezenlijke aantasting van de concurrentiepositie optreden als de bovennormale last ten minste tien procent bedraagt van de gemiddelde cashflow over de laatste drie boekjaren.

Regeling
Circulaire schadevergoedingen
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
22-12-1997
BWB-id
BWBR0008488
Versie
1997-12-22_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl