wetzoeker

Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen

Besluit van 23 december 1996, houdende een procedure aangaande een geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid en een pensioenkeuring van militairen (Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen)

Soort
AMvB
Geldend vanaf
02-08-2006
Rechtsgebied
Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht, Militaire ambtenarenrecht
Ministerie
Defensie
BWB-id
BWBR0008475
Versie
2006-08-02_0
SHA-256 bron
7ac3f57be3ad8724d0e81731b96c1a6f80436254149f0b1127923d360834045a

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (98)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Inhoudsopgave
  18. VOORWOORD
  19. A — AMPUTATIES
  20. B — FUNCTIESTOORNISSEN
  21. A — AMPUTATIES
  22. B — FUNCTIESTOORNISSEN
  23. HOOFDSTUK III — SCHEDEL EN GELAAT
  24. A — WERVELKOLOM
  25. B — THORAX
  26. C — BEKKEN
  27. HOOFDSTUK V — OVERIGE AANDOENINGEN VAN BEENDEREN EN GEWRICHTEN
  28. a — Post-traumatisch post-commotioneel syndroom (of gevolgen van een infectieuse meningitis)
  29. b — Epilepsie
  30. c — Corpus alienum
  31. d — Hemiplegie
  32. e — Paraplegie (van cerebrale of medullaire oorsprong
  33. a — N. trigeminus (V)
  34. b — N. facialis (VII)
  35. c — N. glosso-pharyngeus (IX)
  36. e — N. accessorius (XI)
  37. f — N. hypoglossus (XII)
  38. 3 — Andere aandoeningen van het centrale zenuwstelsel
  39. 4 — Ruggemerg
  40. 5 — Neuritiden en Neuralgieën
  41. 1 — Psychosen
  42. 2 — Aangeboren intelligentiestoornissen
  43. 3 — Dementieën (of progressieve en verworven zwakzinnigheid)
  44. 4 — Psychoneurosen, neurosen
  45. A — SYMPATISCHE ZENUWSTELSEL
  46. B — ENDOCRINOLOGIE
  47. A — DOOFHEID
  48. B — NEUS
  49. C — SINUSITUS – mits chronisch en etterig
  50. D — OREN
  51. E — EVENWICHTSORGAAN
  52. F — NEUS-KEELHOLTE
  53. G — LARYNX
  54. 1 — Blindheid
  55. 2 — Vermindering van de centrale visus van beide ogen
  56. 3 — Verlies van perifere visus (gezichtsveldbeperking)
  57. 4 — Diplopie
  58. 5 — Lensafwijkingen
  59. 6 — Accommodatie-afwijkingen
  60. 7 — Aandoeningen van de adnexa
  61. 1 — Anaemische Syndromen
  62. 2 — Leucaemische, pseudo-leucaemische en agranulocytotische syndromen
  63. HOOFDSTUK XII — HUIDAFWIJKINGEN
  64. 1 — Hart
  65. 2 — Bloedvaten
  66. Varices
  67. Ulcus cruris Varicosum
  68. 1 — Bovenste luchtwegen
  69. 2 — Diaphragma
  70. 3 — Trachea en Bronchi
  71. 4 — Pleura
  72. 5 — Longen
  73. 2 — Oesophagus
  74. 3 — Buikwand
  75. 4 — Peritoneum
  76. 5 — Maag en duodenum
  77. 6 — Darmkanaal
  78. 7 — Rectum en anus
  79. 8 — Speekselklieren
  80. 9 — Lever
  81. 1 — Nieren en Ureteren
  82. 2 — Blaas
  83. 3 — Manlijke Urethera
  84. 4 — Penis en testikels
  85. 5 — Gynaecologie
  86. 6 — Vrouwelijke borstklieren
  87. a — Neustuberculose
  88. b — Larynxtuberculose
  89. c — Longtuberculose
  90. 2 — Tuberculose van het Spijsverteringsstelsel
  91. 3 — Tuberculose van het Zenuwstelsel
  92. 4 — Tuberculose van het Uitscheidingsstelsel
  93. 5 — Huidtuberculose
  94. 6 — Tuberculose van het Lymphatische stelsel
  95. 7 — Been- en gewrichtstuberculose
  96. HOOFDSTUK XVIII — TROPISCHE EN PARASITAIRE ZIEKTEN
  97. BEMERKINGEN BIJ TABEL 0931
  98. BEMERKINGEN BIJ NR. 0121–0124 EN 0216

Paragraaf 1 — Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie;

b. geneeskundige autoriteit: de door Onze Minister aan te wijzen medische autoriteit, die hem adviseert omtrent blijvende dienstongeschiktheid;

c. geneeskundig onderzoek: een militair geneeskundig onderzoek naar het bestaan van blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de militaire dienst;

d. pensioenkeuring: een geneeskundig onderzoek naar het ontstaan, tot uiting komen of verergeren, de aard en de gevolgen van verwonding, ziekten of gebreken, ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen inzake arbeidsongeschiktheid, alsmede inzake invaliditeit met dienstverband;

e. pensioenverzekeringsautoriteit: een door Onze Minister aan te wijzen medisch adviseur, die hem adviseert omtrent de pensioenverzekeringsaspecten;

f. commissie: de commissie genoemd in artikel 3.

Paragraaf 2 — Het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid

Artikel 2

1 In geval van langdurig arbeidsverzuim dient voorafgaand aan het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid uiterlijk in de 26e week na de eerste dag van het arbeidsverzuim een eerste beoordeling plaats te vinden omtrent de vraag of de betreffende militair moet worden voorgedragen voor een dergelijk geneeskundig onderzoek. Deze beoordeling vindt plaats op een door de geneeskundige autoriteit te bepalen wijze. Zo nodig wordt deze beoordeling in de twaalfde maand herhaald.

2 Een geneeskundig onderzoek en een herhaald geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de geneeskundige autoriteit in opdracht van Onze Minister.

3 Van de opdracht genoemd in het vorige lid doet de geneeskundige autoriteit mededeling aan de pensioenverzekeringsautoriteit.

Paragraaf 2 — Het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid

Artikel 3

1 Een al dan niet na langdurig ziekteverzuim te houden geneeskundig onderzoek, als ook een herhaald geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid, wordt ingesteld door een commissie, welke bestaat uit ten minste drie artsen, waarvan de voorzitter, tevens lid, en de overige leden worden aangewezen door de geneeskundige autoriteit.

2 Ten aanzien van de samenstelling van een commissie als genoemd in het eerste lid geldt dat:

a. niet als lid kan worden aangewezen de behandelend arts van de militair en tevens voor een herhaald geneeskundig onderzoek niet kan worden aangewezen een arts, die als lid deel heeft uitgemaakt van de commissie, welke het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid heeft ingesteld;

b. zo mogelijk als lid een hoofdofficier wordt aangewezen.

Paragraaf 2 — Het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid

Artikel 4

Aan de te onderzoeken militair wordt bij de schriftelijke oproep voor een geneeskundig of herhaald geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid door de voorzitter van de commissie bekend gemaakt met welk doel het onderzoek zal plaatsvinden.

Paragraaf 2 — Het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid

Artikel 5

Indien de te onderzoeken militair door zijn toestand verhinderd is te verschijnen op de door de voorzitter van de commissie bepaalde zittingsplaats, bepaalt de voorzitter waar en op welke wijze het geneeskundig of herhaald geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid alsdan zal plaatsvinden.

Paragraaf 2 — Het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid

Artikel 6

De militaire autoriteiten zijn, met inachtneming van de op de Wet persoonsregistraties gebaseerde privacyreglementen, verplicht aan de voorzitter van de commissie op diens verzoek toe te zenden een staat van dienst betreffende de te onderzoeken militair en hem voorts die gegevens te verstrekken, welke de commissie nodig acht, in het bijzonder:

a. een verslag van het verloop van de verzuimcontrole en verzuimbegeleiding;

b. een verslag van de reïntegratieactiviteiten van het krijgsmachtdeel en eventueel externe diensten;

Paragraaf 2 — Het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid

Artikel 7

De commissie beoordeelt een militair op het bestaan van blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de militaire dienst met inachtneming van het Militair keuringsreglement.

Paragraaf 2 — Het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid

Artikel 8

1 De commissie brengt aangaande het geneeskundig onderzoek en het herhaald geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid een rapport uit. Het rapport omvat een onderbouwde uitspraak omtrent de al dan niet blijvende dienstongeschiktheid van de militair en de gegevens waarop deze uitspraak is gebaseerd en voor het herhaald geneeskundig onderzoek een nadere beschouwing met betrekking tot de door de militair aangevoerde redenen van zijn verzet.

2 In geval van niet blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de militaire dienst bevat het rapport tevens een verklaring of herstel van de militair binnen een periode van 6 maanden na ommekomst van de ziekteverzuimperiode van 2 jaar is te verwachten, zodanig dat dit alsnog tot een geschiktverklaring zou kunnen leiden.

3 Een lid van de commissie bij wie op een of meer punten een van het gevoelen der meerderheid afwijkende mening bestaat, is bevoegd om daarvan onder vermelding van de gronden, waarop die mening berust, te doen blijken bij een aan het rapport toe te voegen nota.

4 De voorzitter van de commissie zendt het rapport alsmede eventuele nota’s als genoemd in het derde lid, naar de geneeskundige autoriteit.

Paragraaf 2 — Het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid

Artikel 9

1 De geneeskundige autoriteit kan de commissie opdragen het rapport nader te motiveren, zo nodig na een op zijn last voortgezet onderzoek.

2 De geneeskundige autoriteit zendt Onze Minister een uittreksel van het rapport, na dit te hebben voorzien van zijn visum. Dit uittreksel bevat een uitspraak omtrent de al dan niet blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de militaire dienst van de militair en eventuele overige gegevens, die de geneeskundige autoriteit noodzakelijk acht.

3 Alvorens de in het tweede lid bedoelde uitspraak aan Onze Minister te zenden deelt de geneeskundige autoriteit aan de militair mede of hij hem al dan niet blijvend ongeschikt acht voor het vervullen van de militaire dienst alsmede de gronden waarop dit oordeel berust en wijst hem daarbij op de mogelijkheid voorzien in het vierde lid.

4 Binnen zes weken na de dag waarop de militair in kennis is gesteld van de uitspraak genoemd in het derde lid, kan de militair daartegen bij Onze Minister schriftelijk en met redenen omkleed in verzet komen, waarna binnen zes weken na de datum van ontvangst een herhaald geneeskundig onderzoek kan worden ingesteld.

Paragraaf 2 — Het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid

Artikel 10

In bijzondere gevallen kan Onze Minister bepalen dat hem het volledige rapport wordt toegezonden met het oog op een integrale herbeoordeling van de uitspraak van de geneeskundige autoriteit, door een door hem aangewezen functionaris belast met de taak om namens hem op te treden in medische zaken.

Paragraaf 2 — Het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid

Artikel 11

Onze Minister kan bepalen, dat een onderzoek ten aanzien van een dienstplichtige door een keuringsraad wordt aangemerkt als een geneeskundig onderzoek.

Paragraaf 3 — De pensioenkeuring

Artikel 12

1 De pensioenverzekeringsautoriteit kan bij de vaststelling van de aanspraken van de militair, ter vervanging van een eigen pensioenkeuring gebruik maken van een geneeskundig onderzoek door de commissie.

2 Indien de pensioenverzekeringsautoriteit van de in het eerste lid bedoelde mogelijkheid gebruik wenst te maken, richt hij daartoe een verzoek aan de geneeskundige autoriteit onder gelijktijdige opgave van de behandelend medisch adviseur.

3 De commissie brengt omtrent de eventuele pensioenaanspraken van de militair een nader rapport uit aan de pensioenverzekeringsautoriteit.

4 In voorkomend geval kan de commissie tevens gevraagd worden een advies uit te brengen omtrent de vraag of en zo ja in hoeverre na ontslag alsnog sprake is van verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in de bij of krachtens Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen inzake invaliditeit met dienstverband.

Paragraaf 3 — De pensioenkeuring

Artikel 13

1 Bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband als bedoeld in de bij of krachtens Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen wordt uitgegaan van de War Pensions Committee-schaal zoals in de bijlage opgenomen.

2 Onze Minister kan in bepaalde gevallen afwijken van de in lid 1 genoemde schaal dan wel aanwijzingen geven ter nadere invulling van de toepassing ervan.

Paragraaf 4 — Slotbepalingen

Artikel 14

Het Besluit procedure geneeskundig onderzoek militairen wordt ingetrokken.

Paragraaf 4 — Slotbepalingen

Artikel 15

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van in het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Paragraaf 4 — Slotbepalingen

Artikel 16

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen.

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › Inhoudsopgave

Inhoudsopgave

INHOUD | Blz.

Voorwoord | 13

Hoofdstuk I: | Bovenste ledematen | 13

Hoofdstuk II: | Onderste ledematen | 17

Hoofdstuk III: | Schedel en gelaat | 20

Hoofdstuk VI: | Wervelkolom, thorax en bekken | 23

Hoofdstuk V: | Overige aandoeningen van beenderen en gewrichten | 25

Hoofdstuk VI: | Zenuwstelsel (neurologische aandoeningen) | 26

Hoofdstuk VII: | Psychische stoornissen | 31

Hoofdstuk VIII: | Sympatisch zenuwstelsel en Endocrinologie | 33

Hoofdstuk IX: | Oto-rhino-laryngologie | 35

Hoofdstuk X: | Opthalmologie | 37

Hoofdstuk XI: | Bloedziekten | 40

Hoofdstuk XII: | Huidziekten | 41

Hoofdstuk XIII: | Hart en bloedvaatstelsel | 42

Hoofdstuk XIV: | Ademhalingsstelsel | 44

Hoofdstuk XV: | Spijsverteringsstelsel en buikwand | 46

Hoofdstuk XVI: | Urogenitaalstelsel | 48

Hoofdstuk XVII: | Tuberculose | 50

Hoofdstuk XVIII: | Tropische ziekten | 53

Bemerkingen | 54

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › VOORWOORD

VOORWOORD

1. Definities:

a. Met invaliditeit wordt bedoeld iedere vermindering van de anatomische integriteit of functionele capaciteit van het individu.

b. Met invalide zijn wordt bedoeld het lijden aan enige vorm van invaliditeit.

2. De invaliditeit wordt gewaardeerd door het vermogen tot het volbrengen van de normale levensfuncties van de invalide te vergelijken met die van een niet-invalide. De waardering daarvan wordt bepaald door de algemene graad van verlies aan arbeidsvermogen tengevolge van de invaliditeit en niet door het overgebleven arbeidsvermogen in een bepaald bijzonder beroep. De invaliditeit wordt uitgedrukt in percentages van 1 tot 100.

3. De waardering van de invaliditeit is in het algemeen gebaseerd op de bevindingen tijdens het onderzoek.

In gevallen, waarbij tijdens het onderzoek geen duidelijke afwijkingen worden gevonden, kunnen de voorgeschiedenis, verloop van de aandoening en te verwachten verdere verloop in aanmerking worden genomen en een gemiddelde schatting voor een bepaalde periode gemaakt worden.

1 Onder protest Engeland.

4. De percentages genoemd in de schaal zijn minima. Deze kunnen overschreven worden indien bijzonderheden of complicaties, die het arbeidsvermogen beïnvloeden, aanwezig zijn. In dergelijke gevallen moet verwezen worden naar een ander nummer van de schaal. Als regel is in de schaal een marge gegeven, waarbinnen het minimum ligt, gewoonlijk op het laagste punt daarvan.

5. De genoemde percentages gelden alleen indien maximaal mogelijke verbetering door behandeling, rehabilitatie, prothese enz. bereikt is.

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK I — BOVENSTE LEDEMATEN › A — AMPUTATIES

A — AMPUTATIES

De percentages van invaliditeit zijn minima en gelden alleen bij:

a. medisch en chirurgisch goed afgewerkte stomp, met goede beweging in het naastbijzijnde gewricht of gewrichten;

b. volledige rehabilitatie;

c. mogelijkheid van goed gebruik van een prothese.

Bij complicaties, zoals keloid, neuromata, bewegingsbeperking, kan boven de aangegeven percentages worden gegaan, evenals indien ingevolge medische redenen de geamputeerde niet in staat is een prothese te dragen of behoorlijk te gebruiken.

1. Schouder en arm (rechts of links)

0101 | Exarticulatie van de schouder | 90

0102 | Amputatie van de humerus, stomp korter dan 20 cm, gemeten vanaf het acromion | 80

0103 | Amputatie van de humerus, stomp 20 cm of langer gemeten vanaf het acromion, exarticulatie van de onderarm in de elleboog, of amputatie vlak onder de elleboog met een stomp korter dan 11 cm, gemeten vanaf het olecranon | 70

0104 | Amputatie van de onderarm, stomp 11 cm of langer vanaf het olecranon | 60

0105 | Exarticulatie van de pols | 60

2. Vingers (rechts of links)

0106 | Verlies van alle vingers van de hand (duim inbegrepen) | 60

0107 | Verlies van 4 vingers, duim behouden en beweeglijk | 45

0108 | Verlies van 4 vingers, duim inbegrepen | 55

0109 | Verlies van 3 vingers, duim, wijs- en middelvinger | 50

0110 | Verlies van 3 vingers, middel-, ringvinger en pink | 25

0111 | Verlies van 3 vingers, wijs-, middel- en ringvinger | 30

0112 | Verlies van 2 vingers, duim en wijsvinger | 40

0113 | Verlies van 2 vingers, wijs- en middelvinger | 25

0114 | Verlies van 2 vingers, middel- en ringvinger | 20

0115 | Verlies van 2 vingers, ringvinger en pink | 20

0116 | Verlies van de duim en middenhandsbeentje | 35

0117 | Verlies van 2 kootjes van de duim | 30

0118 | Verlies van 1 kootje van de duim | 15

0119 | Verlies van de top van de duim | 5

0120 | Verlies van de wijsvinger | 14

0121 | Verlies van 2 kootjes van de wijsvinger | 11

* Nederland niet accoord (10%).

0122 | Verlies van het eindlid van de wijsvinger | 9

0123 | Verlies van de top van de wijsvinger | 5

0124 | Verlies van de middelvinger | 12

* Nederland niet accoord (10%).

0125 | Verlies van 2 kootjes van de middelvinger | 9

0126 | Verlies van het eindlid van de middelvinger | 7

0127 | Verlies van de top van de middelvinger | 4

0128 | Verlies van de ringvinger | 7

0129 | Verlies van 2 kootjes van de ringvinger | 6

0130 | Verlies van het eindlid van de ringvinger | 5

0131 | Verlies van de top van de ringvinger | 2

0132 | Verlies van de pink | 8

0133 | Verlies van 2 kootjes van de pink | 6

0134 | Verlies van het eindlid van de pink | 5

0135 | Verlies van de top van de pink | 2

3. Dubbelzijdige amputaties

0136 | Verlies van 2 handen | 100

0137 | Verlies van 2 duimen | 70

0138 | Verlies van 2 duimen met hun middenhandsbeentjes | 80

0139 | Verlies van een hand en een voet | 100

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK I — BOVENSTE LEDEMATEN › B — FUNCTIESTOORNISSEN

B — FUNCTIESTOORNISSEN

Opmerking: De aangegeven minimum percentages gelden zowel voor de rechter- als voor de linkerarm.

Met Ankylose wordt bedoeld volledige onbeweeglijkheid in het gewricht of hoogstens een zeer geringe beweeglijkheid van enkele graden.

Complicaties van dezelfde extremiteit, zoals aandoeningen van andere gewrichten, contracturen, pijnlijke callus osteomyelitis, e.d., kunnen volgens de algemene regels tot een hoger percentage leiden, doch het percentage voor amputatie van het desbetreffende deel van de extremiteit mag niet overschreden worden. Indien een chirurgische ingreep bij een invaliditeit verbetering zal brengen, moet het percentage naar de toestand na deze ingreep worden vastgesteld.

1. Schouder

0140 | Recidiverende schouderluxatie | 20

0141 | Recidiverende schouderluxatie, veelvuldig | 30

0142 | Bewegingsbeperking in de schouder in geringe mate | 10

0143 | Bewegingsbeperking in de schouder, abductie niet verder dan horizontaal | 20

0144 | Bewegingsbeperking in de schouder, abductie beperkt tot minder dan horizontaal | 30

0145 | Ankylose van de schouder, scapula gefixeerd | 45

0146 | Ankylose van de schouder, scapula beweeglijk | 30

0147 | «Los gewricht» van de schouder met excissie van de humerus kop | 50

2. Bovenarm

0148 | Slecht genezen humerusfractuur, met deformatie, atrofie en krachtverlies | 10

0149 | Slecht genezen humerusfractuur, met duidelijke verkorting en meer uitgesproken deformatie, atrofie en krachtverlies | 20

0150 | Pseudarthrose in middelste deel humerus | 45

3. Elleboog (180° betekent volledig gestrekte onderarm)

0151 | Beweging in elleboog actief mogelijk van 110° tot 75° | 15

0152 | Beweging in elleboog actief mogelijk van 75° tot 35° | 25

0153 | Beweging in elleboog actief mogelijk van 110° tot 180° | 30

0154 | Volledige ankylose van de elleboog (hand in semi-pronatie stand) in gunstige stand (semi-flexie) | 35

0155 | Volledige ankylose van de elleboog in ongunstige stand (flexie stand) | 40

0156 | Volledige ankylose van de elleboog in ongunstige stand (extensie stand) | 50

0157 | Ankylose van de elleboog met behoud van supinatie en pronatie in gunstige stand (halve flexie) | 25

0158 | Ankylose van de elleboog in ongunstige stand (flexie stand) | 30

0159 | Ankylose van de elleboog in ongunstige stand (extensie stand) | 40

0160 | «Los gewricht» van de elleboog | 50

4. Onderarm

0161 | Slecht genezen fractuur van radius en ulna met verkromming en verminderde grijpkracht van de hand | 10

0162 | Slecht genezen fractuur van radius en ulna met verkromming en verminderde grijpkracht, hand gefixeerd in supinatiestand | 30

0163 | Slecht genezen fractuur van radius en ulna met verkromming en verminderde grijpkracht van de vingers, hand gefixeerd in pronatiestand | 20

0164 | Idem met hand gefixeerd in semi-pronatiestand (duim naar boven) | 15

0165 | Pseudarthrose van de radius en ulna | 45

0166 | Pseudarthrose van de radius op gunstig niveau | 10

0167 | Pseudarthrose van de radius op ongunstig niveau | 20

0168 | Pseudarthrose van de ulna | 15

5. Pols en hand

0169 | Ankylose van de pols (vingers beweeglijk) in palmair flexie of met misvormde hand in ulnaire of radiale abductie | 45

0170 | Ankylose van de pols (vingers beweeglijk) in elke andere ongunstige stand | 35

0171 | Ankylose van de pols (vingers beweeglijk) in gunstige stand (lichte dorsaal flexie) | 25

0172 | Praktisch verlies van het gebruik van de hand (bijv. paralyse van Volkman) | 60

0173 | «Los gewricht» van de pols | 35

6. Vingers

0174 | Ankylose van de gewrichten van alle vingers, duim en metacarpophalangeale gewrichten inbegrepen | 60

7. Zenuwlaesies bovenste ledematen

De invaliditeitspercentages gelden bij volledige verlammingen (paralysis). Zij moeten verminderd worden bij gedeeltelijke verlammingen, herstel van beweging en geringe overgebleven sensibiliteitsstoornissen.

0175 | Laesie van de plexus branchialis-paralyse bovenste wortels (Duchenne-Srb) | 50

0176 | Laesie van de plexus brachialis-paralyse onderste wortels (Klumpke) | 55

0177 | Paralyse van de N. Subscapularis | 15

0178 | Paralyse van de N. axillaris | 25

0179 | Paralyse van de N. musculo-cutaneus | 20

0180 | Paralyse van de N. medianus | 50

0181 | Paralyse van de N. medianus, alleen handspieren | 25

0182 | Paralyse van de N. ulnaris | 30

0183 | Paralyse van de N. ulnaris, alleen handspieren | 20

0184 | Paralyse van de N. radialis | 55

0185 | Paralyse van de N. radialis, M. triceps niet inbegrepen | 40

0186 | Paralyse van de N. medianus en de N. ulnaris | 55

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK II — ONDERSTE LEDEMATEN › A — AMPUTATIES

A — AMPUTATIES

De inleidende noot van Hoofdstuk I over de bovenste ledematen geldt voor zover toepaselijk eveneens voor de onderste ledematen.

1. Heup

0201 | Exarticulatie van de heup met mogelijkheid van prothese | 90

0202 | Exarticulatie van de heup zonder mogelijkheid van prothese | 100

2. Dijbeen (stomp gemeten vanaf de Trochanter major)

0203 | Amputatie stomp korter dan 13 cm | 80

0204 | Amputatie stomp van 13 cm tot het midden van het dijbeen | 70

0205 | Amputatie stomp van het midden van het dijbeen tot aan de knie | 60

0206 | Exarticulatie in de knie | 60

3. Onderbeen (stomp gemeten vanaf de tibia kop)

0207 | Amputatie zeer korte stomp minder dan 10 cm | 60

0208 | Amputatie, ideale stomp 10–15 cm | 50

0209 | Amputatie, stomp langer dan 15 cm | 45

0210 | Amputatie volgens Syme en Guyon | 30

4. Voet

0211 | amputatie van de voet met dragende stomp (volgens Pirogoff) | 30

0212 | Amputatie van de middenvoet (Chopart) | 30

0213 | Amputatie van de voorvoet (Lisfranc) | 30

0214 | Veries van alle tenen van een voet | 20

0215 | Verlies van grote teen met middenvoetsbeentje | 25

0216 | Verlies van grote teen (middenvoetsbeentje behouden) | 12∗

0217 | Verlies van 4 tenen, grote teen niet inbegrepen | 9

0218 | Verlies van 3 buitenste tenen | 5

0219 | Verlies van 2 buitenste tenen | 3

0220 | Verlies van 5e teen | 1

5. Dubbelzijdige amputaties

0221 | Verlies van twee dijbenen of een dijbeen aan een, een voet aan de andere kant | 100

0222 | Verlies van twee voeten (tibio-tarsale amputatie volgens Syme of Guyon) | 90

0223 | Verlies van twee voeten met dragende stomp volgens Pirogoff | 90

0224 | Verlies van twee voorvoeten, medio-tarsale amputatie volgens Chopart | 90

0225 | Verlies van twee voorvoeten, tarso-metatarsale amputatie volgens Lisfranc | 65

0226 | Verlies van alle tenen (metatarso-phalangeaal) van twee voetenVerlies van een voet en een hand (zie 0139) | 35

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK II — ONDERSTE LEDEMATEN › B — FUNCTIESTOORNISSEN

B — FUNCTIESTOORNISSEN

Onderstaande invaliditeitspercentages zijn zowel voor rechter- als linkerbeen aan te houden.

Onder ankylose wordt verstaan volledige onbeweeglijkheid van het gewricht of hoogstens een zeer geringe bewegingsmogelijkheid van enkele graden.

Een niet met een prothese te fixeren pseudarthrose kan beoordeeld worden overeenkomstig het anatomisch verlies van de extremiteit of gedeelte daarvan. Indien wel een goed fixerende prothese mogelijk is, kan de waardering gelijk zijn aan een ankylose van het lager gelegen gewricht.

Complicaties van dezelfde extremiteit, zoals osteitis, contracturen, pijnlijke callus, aandoeningen van andere gewrichten etc., kunnen volgens de algemene regels tot hogere waardering leiden, doch het percentage voor amputatie van het desbetreffend deel van de extremiteit mag niet overschreden worden.

Indien een chirurgische ingreep bij een invaliditeit verbetering zal brengen, moet het percentage naar de toestand na deze ingreep worden vastgesteld.

1. Heup en dij

0227 | Ankylose van de heup in gunstige stand | 50

0228 | Ankylose van de heup in ongunstige stand | 65

0229 | Bewegingsbeperking van de flexie en extensie heup, beweging mogelijk van volledige flexie tot 175° | 10

0230 | Beweging mogelijk van hyperextensie tot 160° | 40

0231 | Beweging mogelijk van hyperextensie tot 135° | 25

0232 | Beweging mogelijk van hyperextensie tot 100° | 15

0233 | «Los gewricht» van de heup | 70

0234 | Pseudarthrose van de femur | 65

0235 | Slecht genezen femurfractuur met atrofie en deformatie (verkorting niet inbegrepen) | 10

2. Knie

0236 | Bewegingsbeperking van de knie, beweging mogelijk van 180°-60° | 5

0237 | Bewegingsbeperking van de knie, beweging mogelijk van 180°-90° | 10

0238 | Ankylose in gunstige stand | 30

0239 | Ankylose in zeer slechte stand (van 135° tot totale flexie) | 60

0240 | Verkromming van volgusstand, varusstand of genu recurvatum | 10

0241 | «Los gewricht» van de knie (verkorting inbegrepen) | 60

0242 | Duidelijke abnormale beweeglijkheid van de knie | 20

0243 | Recidiverende chronische hydrops genu (niet van tuberculose aard) | 20

0244 | Idem beiderzijds | 40

3. Onderbeen

0245 | Slecht genezen fractuur met verplaatsing van de as van de voet naar binnen of naar buiten | 20

0246 | Pseudarthrose van tibia en fibula | 55

4. Enkel en voet

0247 | Belangrijke bewegingsbeperking van de enkel of krachtverlies | 15

0248 | Enige bewegingsbeperking van de enkel of krachtverlies | 5

0249 | Ankylose van het tibio-tarsaalgewricht in ongunstige stand met duidelijke verworven misvorming | 30

0250 | Ankylose van het tibio-tarsaalgewricht in gunstige stand met duidelijke verworven misvorming | 20

0251 | Uitgesproken post-traumatische pes planus | 10

0252 | Uitgesproken post-traumatische pes calcanus, pes valgus, pes varus of pes aquinus | 30

0253 | Ankylose van de voorvoet | 10

0254 | Ankylose van de grote teen in gunstige stand | 3

0255 | Ankylose van de grote teen in ongunstige stand | 10

5. Verkorting van de onderste extremiteit

0256 | Verkorting van minder dan 4 cm | 5

0257 | Verkorting van 4 tot 7 cm | 20

0258 | Verkorting van 7 tot 10 cm | 30

0259 | Verkorting van meer dan 10 cm | 50

6. Zenuwlaesies onderste extremiteit

De invaliditeitspercentages gelden bij volledige verlammingen (paralysis). Zij moeten verminderd worden bij gedeeltelijke verlammingen, herstel van beweging en geringe overgebleven sensibiliteitsstoornissen.

0260 | Paralyse van de N. femoralis | 50

0261 | Paralyse van de N. isciadicus | 55

0262 | Paralyse van de N. tibialis | 25

0263 | Paralyse van de N. peroneus | 25

0264 | Paralyse van de N. obturatorius | 10

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK III — SCHEDEL EN GELAAT

HOOFDSTUK III — SCHEDEL EN GELAAT

1. Hoofdhuid en haar

0301 | Littekens, kaalheid enz. waarderen naar de eventueel bestaande mismaaktheid

2. Schedel

Opmerking: Schedellaesies zijn alleen van belang door hun neurologisch of postcommotionele gevolgen. De consolidatie kan 6–12 maanden duren. Een gesloten schedeldefect kan meer blijvende en onaangename gevolgen veroorzaken dan een open defect. In geval van botverlies zal de uitgebreidheid van het defect veelal niet de enige factor zijn, welke de invaliditeit bepaalt. Bij het onderzoek moet steeds gelet worden op objectieve symptomen ter plaatse van de verwoning en van de zijde ven de hersenzenuwen, alsmede op later optredende postcommotionele verschijnselen.

0302 | Gesloten schedelverwonding of letsel van de tabula externa van de schedel te waarderen naar de postcommotionele en andere verschijnselen.

0303 | Niet-hersteld botverlies, met enige pulsatie bij inspanning of hoesten (de postcommotionele verschijnselen buiten beschouwing latende), minder dan 4 cm2 | 20

0304 | Niet-hersteld botverlies, met duidelijke pulsaties bij inspanning of hoesten (de postcommotionele verschijnselen buiten beschouwing latende), van 4–12 cm2 | 30

0305 | Niet-hersteld botverlies, met duidelijke pulsaties bij inspanning of hoesten (postcommotionele verschijnselen buiten beschouwing latende), van meer dan 12 cm2 | 50

3. Gelaat – Verminking van het gelaat

0306 | Hoewel deze niet behoeft samen te gaan met functiestoornissen, is hier een compensatie op zijn plaats voor de cosmetische afwijkingen. De invaliditeit mag pas gewaardeerd worden nadat alle chirurgische en prothetische mogelijkheden uitgeput zijn en zal afhankelijk van de mate van verminking variëren van 5 tot 100%, waarbij rekening gehouden moet worden met sekse en leeftijd.

4. Boven- en onderkaak

0307 | Uitgebreide verminking van het gelaat of boven- en onderkaak met belangrijke kauw-, slik- en spraakstoornissen | 100

0308 | Gevolgen van slecht geconsolideerde multipele fracturen van boven- en/of onderkaak met kauw- en spraakbezwaren en een zeer slechte occlusie van het gebit | 50

0309 | Slecht genezen fractuur van de bovenkaak met kauwbezwaren zowel links als rechts | 50

0310 | Slecht genezen fractuur van de bovenkaak met kauwbezwaren aan een kant | 20

0311 | Verlies van ongeveer het halve verhemelte, met verbindingen met de sinussen, niet met een prothese te verhelpen | 60

0312 | Idem, wel met een prothese te verhelpen | 15

0313 | Verlies van een deel van het weke gehemelte of een deel van het harde verhemelte met spraakstoornissen | 20

0314 | Gedeeltelijk verlies of pseudarthrose van de onderkaak, met behoud van de beweging in het temporo-mandibulaire gewricht niet met een prothese te verhelpen | 40

0315 | Idem, wel met een prothese te verhelpen | 10

0316 | Bewegingsbeperking in het temporo-mandibulaire gewricht (door ankylose, slecht geconsolideerde fracturen, luxatie e.d.); zodanig, dat slechts vloeibaar voedsel kan worden genuttigd – opening tussen boven- en ondergebit niet meer dan 6 mm | 60

0317 | Idem, zodanig, dat de maximale opening tussen boven- en ondertanden hoogstens 12 mm bedraagt | 30

0318 | Idem, zodanig, dat deze maximale opening van 12 tot 24 mm bedraagt, met enige stoornissen van kauwvermogen en spraak | 10

5. Gebit

Het Subcomité is van mening geen invaliditeitsschatting van gebitaandoeningen op te nemen en beveelt aan, dat de desbetreffende diensten (leger, vloot, luchtmacht, civiele diensten) hun onderhebbend personeel in dienst onder goede tandheelkundige verzorging en toezicht houden en niet uit hun dienst laten gaan voor het gebit geheel in orde is.

6. Tong

0319 | Volledige amputatie van de tong | 80

0320 | Uitgebreide amputatie van de tong met spraak-, slik- en kauwstoornissen | 40

0321 | Gedeeltelijke amputatie van de tongpunt, lichte functiestoornissen | 15

Verlamming van de tong: zie Hoofdstuk VI (nr. 0633: paralyse van de N. hypoglossus)

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK IV — WERVELKOLOM, THORAX, BEKKEN › A — WERVELKOLOM

A — WERVELKOLOM

1. Halswervelkolom

0401 | Ankylose van de halswervels in slechte stand | 40

0402 | Ankylose van de halswervels in goede stand | 30

0403 | Belangrijke beperking van de bewegingen in hinderlijke en pijnlijke stand | 30

0404 | Beperking van de bewegingen in minder hinderlijke en minder pijnlijke stand | 20

0405 | Geringe bewegingsbeperking, nu en dan pijnlijk bijna normale stand | 10

0406 | Occopitaal neuralgie | 10

0407 | Oervico brachiale neuralgie | 10

2. Borstwervelkolom

0408 | Ankylose van de borstwervels met belangrijke mediale of laterale misvorming (bochel) | 40

0409 | Ankylose van de borstwervels in goede stand, wat ronde (niet te corrigeren) rug | 20

0410 | Beperkte beweeglijkheid, locale gibbus | 10

0411 | Gelocaliseerde intercostaal neuralgie | 5

0412 | Meerdere wortels omvattende intercostaal neuralgie | 20

3. Lendenwervelkolom

0413 | Ankylose van de lendenwervels in ongunstige stand | 40

0414 | Ankylose van de lendenwervels in gunstige stand | 20

0415 | Belangrijke bewegingsbeperking | 20

0416 | Matige bewegingsbeperking | 10

0417 | Geringe verkromming met enige pijnlijkheid | 5

0418 | Pijnlijke, niet te corrigeren scoliose | 20

0419 | Pijnlijke, dubbelzijdige athritis sacro-iliacas | 30

0420 | Idem, eenzijdig | 20

0421 | Volledige stijve dorso-lumbale wervelkolom met functiestoornissen van de gewrichten van de ledematen | 100

0422 | Idem, zonder functiestoornissen van de gewrichten v.d. ledematen | 70

0423 | Rheumatische van de wervelkolom (arthroses, spondylarthritis) te beoordelen naar de beperking van de beweeglijkheid en de pijn

N.B. Ziekte van Pott: zie Hoofdstuk XVII.

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK IV — WERVELKOLOM, THORAX, BEKKEN › B — THORAX

B — THORAX

Onderstaande invaliditeitspercentages zijn bedoeld voor op zichzelf staande afwijkingen van de benige thorax. Indien de onderliggende organen in de borstholte eveneens aangedaan zijn, moeten de invaliditeitsschattingen volgens de desbetreffende hoofdstukken als regel hierbij worden opgeteld.

1. Sternum

0424 | Gevolgen van sternumfractuur met vervorming, pijn en verminderde kracht | 10–20

Voor afwijkingen van de intra thoracale organen zie Hoofdstuk XIII, XIV en XVII.

0425 | Luxatie of dislocatie chondro-sternale | 5–15

2. Ribben

0426 | Gevolgen van fracturen van een of meer ribben, afhankelijk van de uitgebreidheid en ernst van de verschijnselen en de misvorming | 1–25

0427 | Gevolgen van ribresectie, zonder uitpuiling bij inspanning | 5–30

0428 | Gevolgen van ribresectie, met uitpuiling bij inspanning | 15–40

0429 | Thoracoplastiek, afhankelijk van het aantal erbij betrokken ribben, daarbij het effect op de longen buiten beschouwing latende (zie Hoofdstuk XIV en XVII) | 20–50

0430 | Ribosteomyelitis, zonder fistelvorming te waarderen als bij ribresectie (0427 en 0428)

0431 | Ribosteomyelitis, met fistels te waarderen als gevolgen van empyeem (zie 1417)

0432 | Chronische chondritis | 10–30

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK IV — WERVELKOLOM, THORAX, BEKKEN › C — BEKKEN

C — BEKKEN

0433 | Gevolgen van fracturen met pijnlijke callusvorming zonder invloed op het lopen of staan – veelal neuralgische pijnen | 5

0434 | Idem, met invloed op lopen of staan | 20

0435 | Niet-geconsolideerde symphysisfractuur, abnormale beweeglijkheid, pijn bij lang lopen | 25

Bij complicaties van de zijde van het heupgewricht of de urinewegen, zie de desbetreffende hoofdstukken.

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK IV — WERVELKOLOM, THORAX, BEKKEN › HOOFDSTUK V — OVERIGE AANDOENINGEN VAN BEENDEREN EN GEWRICHTEN

HOOFDSTUK V — OVERIGE AANDOENINGEN VAN BEENDEREN EN GEWRICHTEN

Voor zover niet vermeld onder functiestoornissen van de ledematen (Hoofdstuk I en II).

0501 | Osteomyelitis of osteitis (niet begrepen in de punten over functiestoornissen), niet geconsolideerd met noodzaak van langdurig immobilisatie | 100

0502 | Idem, niet tot rust gekomen doch immobilisatie niet nodig, met fistels en beïnvloeding van de algemene toestand | 50

0503 | Idem, rustig, goede algemene toestand, met fistels | 20

Deze percentages kunnen in voorkomend geval worden opgeteld bij de percentages voor functiestoornissen van de ledematen. De som van deze percentages mag evenwel niet het percentage voor amputatie van het desbetreffende deel van de extremiteit te boven gaan.

0504 | Matige progressieve bottumor | 100

0505 | Goedaardige bottumor, te beoordelen naar gelang van bestaande fucntiestoornissen

0506 | Arthritis en arthrosis, waarderen naar gelang de bewegingsbeperking, pijn, enz.

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VI — ZENUWSTELSEL › 1 — Hersenen en hersenvliezen › a — Post-traumatisch post-commotioneel syndroom (of gevolgen van een infectieuse meningitis)

a — Post-traumatisch post-commotioneel syndroom (of gevolgen van een infectieuse meningitis)

0601 | Subjectieve bezwaren, hoofdpijn, asthenia en lichte verschijnselen van het evenwichtsorgaan | 20

0602 | Syndroom met blijvende oto-vestibulaire duidelijke vermoeidheid | 30

0603 | Ernstig syndroom met blijvende oto-vestibulaire en oculaire stoornissen | 50

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VI — ZENUWSTELSEL › 1 — Hersenen en hersenvliezen › b — Epilepsie

b — Epilepsie

De frequentie en de intensiteit van de insulten, hun weerslag op de algemene activiteit en de behandelingsmogelijkheden zijn van belang bij de beoordeling van de invaliditeit. Rekening moet worden gehouden met de psychische stoornissen verband houdende met de aandoening.

0604 | Lichte algemene insulten of equivalenten, gemiddeld eens per maand, weinig verandering van de persoonlijkheid | 20

0605 | Plaatselijk (Jacksons) epilepsie zonder bewustzijnsverlies in dezelfde frequentie | 5

0606 | Algemene insulten overdag, 2 à 4 maal per maand | 40

0607 | Plaatselijke (Jacksons) epilepsie, zonder bewustzijnsverlies, in dezelfde frequentie | 10

0608 | Algemene insulten overdag, 6–8 maal per maand | 70

0609 | Plaatselijke (Jacksons) epilepsie, zonder bewustzijnsverlies, idem of grotere frequentie | 20

0610 | Vrijwel dagelijks algemene insulten | 100

N.B. Uitsluitend nachtelijke aanvallen en gedeeltelijk bewustzijnsverlies kunnen tot lagere waardering leiden.

0611 | Epileptische dementie | 100

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VI — ZENUWSTELSEL › 1 — Hersenen en hersenvliezen › c — Corpus alienum

c — Corpus alienum

0612 | Vreemd voorwerp in de schedelholte zonder verdere verschijnselen

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VI — ZENUWSTELSEL › 1 — Hersenen en hersenvliezen › d — Hemiplegie

d — Hemiplegie

0613 | Hemiplegie, compleet of partieel, zonder aphasie, lopen onmogelijk | 100

0614 | Partiële hemiplegie, zonder aphasie, lopen met hulp of stok mogelijk | 60

0615 | Lichte hemiplegie, zonder aphasie, lopen mogelijk zonder hulpmiddelen | 20

0616 | Motorische aphasie, schrijven mogelijk | 80

0617 | Gemengde aphasie, contact met omgeving onmogelijk | 100

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VI — ZENUWSTELSEL › 1 — Hersenen en hersenvliezen › e — Paraplegie (van cerebrale of medullaire oorsprong

e — Paraplegie (van cerebrale of medullaire oorsprong

0618 | Complete paraplegie, voortdurende bedrust of verblijf in een stoel noodzakelijk makende | 100

0619 | Onvolledig, lopen moeilijk maar mogelijk met hulp, prothesen of krukken | 80

0620 | Onvolledig, lopen mogelijk met stokken | 60

0621 | Onvolledig, licht spastisch | 30

In geval van sphincterstoornissen enz.: zie 0667 e.v.

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VI — ZENUWSTELSEL › 2 — Hersenzenuwen (zie ook zintuigen) › a — N. trigeminus (V)

a — N. trigeminus (V)

0622 | (Volledige) paralyse met belangrijke sensibiliteitsstoornissen en trophische stoornissen | 50

0623 | Eenvoudige, pijnloze anaesthesie in het gebied van een perifere tak zonder trophische stoornissen | 5

0624 | Neuritis of aangezichtsneuralgie met intermitterend pijnlijke tic (afhankelijk van de frequentie en de ernst van de aanvallen) | 30

0625 | Continue aangezichtsneuralgie (sympatisch) | 30–70

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VI — ZENUWSTELSEL › 2 — Hersenzenuwen (zie ook zintuigen) › b — N. facialis (VII)

b — N. facialis (VII)

0626 | Blijvende parese aan een kant, zonder opthalmologische | 5

0627 | (Volledige) blijvende paralyse aan een kant, complicaties | 30

0628 | Idem, dubbelzijdige | 50

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VI — ZENUWSTELSEL › 2 — Hersenzenuwen (zie ook zintuigen) › c — N. glosso-pharyngeus (IX)

c — N. glosso-pharyngeus (IX)

0629 | (Volledige) dubbelzijdige paralyse | 30

0630 | Parese aan een zijde | 5

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VI — ZENUWSTELSEL › 2 — Hersenzenuwen (zie ook zintuigen) › e — N. accessorius (XI)

e — N. accessorius (XI)

0631 | Paralyse van de Mm. trapezius en sternocleidomastoideus | 20

0632 | Eenzijdige paralyse van het weke gehemelte en larynx (syndroom van Avellis) | 10

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VI — ZENUWSTELSEL › 2 — Hersenzenuwen (zie ook zintuigen) › f — N. hypoglossus (XII)

f — N. hypoglossus (XII)

0633 | Eenzijdige paralyse van hemi-atrofie van de tong | 20

0634 | Gecombineerde paralyse van de laatste vier hersenzenuwen (IX t/m XII) | 30

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VI — ZENUWSTELSEL › 3 — Andere aandoeningen van het centrale zenuwstelsel

3 — Andere aandoeningen van het centrale zenuwstelsel

0635 | Gevolgen van infectieuse of traumatische encephalitis, meningitis, hersenabces te waarderen afhankelijk van de verschijnselen

0636 | Hersentumor, te waarderen afhankelijk van de verschijnselen

0637 | Paralysis agitans (Parkisonisme) te beoordelen afhankelijk van de ernst van de symptomen | 20–100

0638 | Bulbaire paralyse – minimum percentage | 30

0639 | Ernstige bulbaire myasthenie (inbegrepen myasthenia gravis) | 70–100

0640 | Bulbaire myasthenie met redelijke remissies | 40

0641 | Gevolgen van Sydenham’s Chorea, zie hieronder

0642 | Huntingtons chorea, zie hieronder

0643 | Verworven athetosis, zie tics (hieronder)

0644 | Algemeen optredende tics, elke bezigheid verhinderende, veelal met psychische en spraakstoornissen | 100

0645 | Uitgebreid optredende tics, fijnere bewegingen verhinderende en het sociale leven bemoeilijkende | 50

0646 | Plaatselijke tics met enige invloed op de fijnere bewegingen (o.a. schrijverskramp) | 20

0647 | Tics of spasmen, zonder invloed op het werkvermogen | 5

0648 | Maandelijkse migraineaanvallen | 20

0649 | Minder frequente migraineaanvallen | 5

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VI — ZENUWSTELSEL › 4 — Ruggemerg

4 — Ruggemerg

0650 | Commotio medulla (gevolg van trauma of electrocutie): te beoordelen overeenkomstig het postcommotionele syndroom (zie 0601–0603)

0651 | Quadriplegia medullac (volledig) | 100

0652 | Medullaire paraplegie te beoordelen als cerebrale paraplegie met de gebruikelijke verhogingen voor sphincterstoornissen en voortdurende pijnen

0653 | Brachiale monoplegie, praktisch verlies van het gebruik van de arm | 90

0654 | Idem, grijpen mogelijk, maar zonder kracht en onhandig | 40

0655 | Idem, lichte monoplegie, gering krachtverlies, reflexen gestoord | 10

0656 | Crurale monoplegie, praktisch verlies van het gebruik van het been (niet-spastische paralyse) | 90

0657 | Idem, lopen mogelijk met hulp of met krukken | 60

0658 | Idem, lopen zonder hulp mogelijk, maar snel vermoeid, spieratrofieën | 40

0659 | Idem, lichte monoplegie, lopen moeilijk zonder hulpmiddelen, gering krachtsverlies, lichte atrofieën | 20

0660 | Medullaire hemiplegie te beoordelen naar de toestand van de bovenste extremiteit, zie brachiale monoplegieën (0653–0655)

0661 | Sensibele stoornissen van medullaire oorsprong, te waarderen naar de ernst en de uitgebreidheid van de verschijnselen

0662 | Syndroom van Brownd-Sqouard-haematomyelia

Te combineren met de in dit hoofdstuk vermelde percentages eventueel deze niet zonder meer op te tellen

0663 | Cauda-Equina-Syndroom

Te beoordelen overeenkomstig de afwijkingen aan de onderste extramiteit en sphincterstoornissen, zie ook paraplegie

0664 | Sphincterstoornissen met volledige urineretentie met sonde a demeure | 60

0665 | Sphincterstoornissen met intermitterende urineretentie, katheteriseren noodzakende | 20

0666 | Voortdurende incontinentia urinae, draagbaar urinaal onmisbaar | 50

0667 | Intermitterende incontinentin urinae | 20

0668 | Volledige en voortdurende incontinentia alvae | 80

0669 | Onvolledige of intermitterende incontinentia alvae | 30

0670 | Pollomyelitis, te beoordelen naar de resttoestand gelet op de functiestoornissen van ledematen, diaphragma enz.

0671 | Ernstige tabes dorsalis met opthalmologische complicaties, arthropathieën, sphincterstoornissen enz. | 100

0672 | Ernstige tabes dorsalis met belangrijke ataxie of arthrophatieën | 70

0673 | Tabes dorsalis met veelvuldige pijnen en lichte ataxie | 40

0674 | Multiple sclerose, ernstige vorm met motorische stoornissen, lopen onmogelijk, voortdurend verblijf in bed of stoel, veelal visusafwijkingen | 100

0675 | Idem, progressieve vorm, lopen en staan mogelijk maar moeizaam | 80

0676 | Idem, weinig progressieve vorm, of remissie, lopen met stok mogelijk | 60

0677 | Idem, lichte vorm met geringe symptomen | 50

0678 | Amyotrofische lateraal sclerose, als Multiple sclerose, maar wat hogere waarderingen; verhoging bij slikstoornissen

0679 | Gecombineerde sclerose, streng sclerose: als multiple sclerose

0680 | Syringo-myelie, ernstige vorm met atrofie, belangrijke misvorming of bulbaire stoornissen | 100

0681 | Idem, progressieve vorm met trophische of motorische stoornissen | 50

0682 | Idem, lichte, weinig progressieve vorm met beperkte sensibiliteitsstoornissen | 20

0683 | Omschreven medullaire atrofieën, te beoordelen naar de functiestoornissen van de ledematen

0684 | Perifere zenuwen, zie Hoofdstuk I, II, IX, enz.

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VI — ZENUWSTELSEL › 5 — Neuritiden en Neuralgieën

5 — Neuritiden en Neuralgieën

Neuritiden van de motorische zenuwen worden vergezeld door functiestoornissen welke ten dele berusten op verlammingen van de zenuwen. Deze verschijnselen dienen te worden gewaardeerd in vergelijking met de paralysis van de desbetreffende zenuw. Neuritiden van de sensibele zenuwen kunnen worden beoordeeld, gelet op de trigeminus neuralgie (0622, 0625). Neuritiden en neuralgieën van de gemengde zenuwen hebben een gemengde symptomatologie, waarbij zowel op de oorzaak moet worden gelet als op de aanwezigheid van de objectieve verschijnselen.

0685 | Chronische, eenzijdige ischiadicus neuralgie, enige moeilijkheden bij het lopen en zonder afwijkingen van de reflexen | 10

0686 | Idem, of neuritis met duidelijke objectieve symptomen, lopen moeilijk | 40

0687 | Idem, of neuritis, ernstige vorm, lopen zeer pijnlijk, duidelijke spieratrofie en causalgie | 80

0688 | Dubbelzijdige polyneuritis van de extensoren van de voorarm | 40–80

0689 | Dubbelzijdige polyneuritis van de kleine handspieren en de buigers van de vingers | 50–80

0690 | Dubbelzijdige polyneuritis van de extensoren van de voet en polyneuritis pseudo-tabetica | 30–50

0691 | Dubbelzijdige polyneuritis van de M.quadriceps femoris | 40–50

0692 | Duidelijke polyneuritische paraplegie | 60–80

0693 | Ernstige polyneuritische quadriplegie | 100

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VII — PSYCHISCHE STOORNISSEN › 1 — Psychosen

1 — Psychosen

0701 | Chronische, volkomen asociale psychose | 100

0702 | Remissie na of gedurende een psychose met belangrijke stoornissen van de persoonlijkheidsstructuur asociaal, hallucinaties, delireren, maar gestichtsverpleging niet noodzakelijk | 100

0703 | Psychose van goedaardig karakter (hallucinatoir, delirant of uitputtingspsychose) of intermitterende psychose gedurende een lange remissie, beperkte sociale omgang en enige nuttige bezigheden toelatende | 50

0704 | Geringe verandering van de persoonlijkheidsstructuur en het karakter voorkomend na een acute psychose of tussen acute periodieke aanvallen | 10–40

De verschillende vormen van schizophrenie, manie, dementieën (toxisch, infectieus, circulatoir) dienen op overeenkomstige wijze te worden beoordeeld. Tot deze groep worden ook gerekend de uitputtingsdelieren.

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VII — PSYCHISCHE STOORNISSEN › 2 — Aangeboren intelligentiestoornissen

2 — Aangeboren intelligentiestoornissen

0705 | Indien een waardering gewenst wordt van aangeboren intelligentiestoornissen (debilitas mentis, imbecillitas, idiotie) handele men overeenkomstig de volgende punten (dementieën).

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VII — PSYCHISCHE STOORNISSEN › 3 — Dementieën (of progressieve en verworven zwakzinnigheid)

3 — Dementieën (of progressieve en verworven zwakzinnigheid)

0706 | Volledig (met of zonder enuresis), meestal met klinische verpleging | 100

0707 | Vermindering van geheugen, gevoelsleven en activiteit met kortere of langere periodieke verbeteringen, maar generlei activiteit toelatende | 100

0708 | Vermindering van geheugen, gevoelsleven en activiteit, maar beperkte sociale omgang en productieve activiteit toelatende | 40

0709 | Geringe stoornissen van gevoelsleven en activiteit, zonder eigenlijke dementie | 20

0710 | Meningo-encephalitis luetica (ziekte van Bayle), algemene paralyse met gestichtsopname dan wel met uitsluiting van welke activiteit ook | 100

0711 | Meningo-encephalitis luetica (ziekte van Bayle), maar in een periode van remissie, beperkte sociale omgang en productieve activiteit toelatende | 40

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VII — PSYCHISCHE STOORNISSEN › 4 — Psychoneurosen, neurosen

4 — Psychoneurosen, neurosen

0712 | Deze groep omvat de angstreacties, obsessies, phobieën, neurastenie, hysterie en mengvormen, waarvan de terminologie wisselt in de verschillende betrokken landen. Het is niet mogelijk of raadzaam gebleken een schaal op te maken waarnaar de invaliditeit vastgesteld kan worden. Ieder geval is met zijn individuele factoren als afzonderlijk probleem te beschouwen en moet daarnaar beoordeeld worden.

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VIII — SYMPHATISCH ZENUWSTELSEL EN ENDOCRINOLOGIE › A — SYMPATISCHE ZENUWSTELSEL

A — SYMPATISCHE ZENUWSTELSEL

1. Sensibiliteitsstoornissen

0801 | Causalgie van de extremiteiten te waarderen naar de ernst en de uitgebreidheid van de verschijnselen

0802 | Trigenimus neuralgie – zie 0624 en 0625

0803 | Neuralgie van hals en schouders – zie Hoofdstuk VI – 5. Neuritiden en Neuralgieën

2. Motorische stoornissen

0804 | Reflectorische physio-pathische stoornissen | te waarderen naar de ernst en de uitgebreidheid van de verschijnselen

0805 | Parese of irritatie v.d. cervicale sympaticus

3. Viscerale stoornissen

0806 | Te waarderen afhankelijk van de blijvende functiestoornissen.

4. Algemene sympathalgiën

0807 | Hypervagotonie | 5–30

0808 | Hypersympatotomie | 5–20

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK VIII — SYMPHATISCH ZENUWSTELSEL EN ENDOCRINOLOGIE › B — ENDOCRINOLOGIE

B — ENDOCRINOLOGIE

1. Gl. Thyreodiea

0809 | Toxisch struma (hyperthyreoidie) met gedeeltelijk of onvolledig Syndroom van Basedow (gewrichtsverlies, tachycardie, hypersympaticotonie) of niet geheel fraai resultaat na operatie | 10–30

0810 | Idem, duidelijk Syndroom van Basedow, Basaal Metabolisme ongeveer plm. 30, of matig resultaat na operatie | 30–50

0811 | Idem, Syndroom van Basedow met ernstige viscerale stoornissen, belangrijk gewrichtsverlies, psychische stoornissen of slecht resultaat na operatie | 50–100

0812 | Atoxisch struma zonder verschijnselen of cosmetische stoornissen | 0

0813 | Atoxisch struma met drukverschijnselen of cosmetische stoornissen | 5–30

0814 | Myxoedeem (hypothyreoidie) – onvolledig, syndroom, gunstig reagerende op behandeling | 5–10

0815 | Idem, psychisch geremd, koude gevoel, basaal metabolisme van –10 tot –20 | 10–30

0816 | Idem, ernstige vorm, voedingsstoornissen, basaal metabolisme ongeveer –30 | 30–80

0817 | Cachexia strumapriva, niet reagerende op behandeling | 80–100

2. Gl. Parathyreoidea

0818 | Hypoparathyreoidie met tetanische aanvallen, afhankelijk van de algemene toestand | 30–50

0819 | Hyperparathyreoidie, te waarderen naar de bot- en gewrichtsafwijkingen

3. Hypophysis

0820 | Acromegalie met misvorming van de extremiteiten doch zonder visusafwijkingen en zonder functionele stoornissen | 10–20

0821 | Acromegalie met visusafwijkingen, te waarderen volgens de visusafwijkingen (zie Hoofdstuk X) en daarna te vermeerderen met | plm. 20

0822 | Reuzengroei, afhankelijk van de mate van uitgebreidheid van de secundaire stoornissen | 5–30

0823 | Dwerggroei in belangrijke mate | 10–50

0824 | Cushing’s syndroom, virilismus, pilosus | 20–50

0825 | Dystrofia adiposo-genitalis | 10–50

0826 | Duidelijk ontwikkeld syndroom van Simmonds | 40–100

4. Epiphysis

0827 | Macrogenitosomia | 10

5. Gl. suprarenales

0828 | M. Addison | 20–100

0829 | Hyperepinephrie | 10–50

6. Testes en Ovaria

Zie Hoofdstuk XVI (urogenitaal stelsel)

7. Diabetes mellitus

0830 | Goed geregeld met dieet, geen insuline nodig | 5–20

0831 | Dagelijkse insulinedoses noodzakelijk om in evenwicht te blijven | 20–50

0832 | Met acidosis | 50–80

0833 | Met aanvallen van coma, neuritiden en oogafwijkingen | 100

8. Stoornissen van de waterstofwisseling

0834 | Diabetes insipidus | 20–50

0835 | Deficiëntie-oedemen (b.v. hongeroedeem) Te waarderen als bij polyneuritis en afhankelijk van de functiestoornissen en de algemene toestand

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK IX — OTO–RHINO–LARYNGOLOGIE › A — DOOFHEID

A — DOOFHEID

0901 | Volledig verlies van gehoor op een oor, terwijl het andere oor normaal hoort | 20

0902 | Volledig verlies van gehoor op beide oren | 90

0903 | Vermindering van gehoorscherpte op beide oren – Zie tabel

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK IX — OTO–RHINO–LARYNGOLOGIE › B — NEUS

B — NEUS

0904 | Anosmie of parosmie | 5–10

0905 | Ozena | 10–20

0906 | Destructie van benige gedeelte van de neus | 30

0907 | Geheel verlies van de neus (mismaaktheid en stenose inbegrepen) | 60

0908 | Totale eenzijdige afsluiting van een neusgang (zonder misvorming) | 5

0909 | Dubbelzijdige afsluiting van de neusgang (zonder misvorming) | 10–20

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK IX — OTO–RHINO–LARYNGOLOGIE › C — SINUSITUS – mits chronisch en etterig

C — SINUSITUS – mits chronisch en etterig

0910 | Sinusitis maxillaris eenzijdig | 5

0911 | Sinusitis maxillaris dubbelzijdig | 10

0912 | Sinusitis maxillaris met fistel naar mond of gelaat of met osteitis of corpus alienum | 10–30

0913 | Sinusitis frontalis of ethmoidalis eenzijdig | 20

0914 | Sinusitis frontalis of ethmoidalis dubbelzijdig | 30

0915 | Pansinusitis | 40

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK IX — OTO–RHINO–LARYNGOLOGIE › D — OREN

D — OREN

0916 | Volledig verlies van oorschelp zonder herstel (plastisch of prothetisch) eenzijdig | 20

0917 | Idem, dubbelzijdig | 40

0918 | Atresie van de uitwendige gehoorgang te waarderen overeenkomstig de vermindering van gehoor (zie tabel)

0919 | Chronische etterige otites media, eenzijdig, te waarderen volgens tabel, vermeerderd met | 5–10

0920 | Idem, dubbelzijdig, vermeerderd met | 10–20

0921 | Hinderlijke oorsuizingen bij doofheid, te waarderen volgens tabel, vermeerderd met | 5–15

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK IX — OTO–RHINO–LARYNGOLOGIE › E — EVENWICHTSORGAAN

E — EVENWICHTSORGAAN

0922 | Labyrinthaire duizelingen, periodiek, niet frequent, licht objectief gebleken bij vestibulaire proeven | 10

0923 | Labyrinthaire duizelingen, periodiek, ernstige vorm, leidend tot neervallen | 30

0924 | Uitgesproken en voortdurende duizelingen, veelal met cochleaire stoornissen | 60–100

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK IX — OTO–RHINO–LARYNGOLOGIE › F — NEUS-KEELHOLTE

F — NEUS-KEELHOLTE

0925 | Littekenstrictuur, afhankelijk van de graad van slikstoornissen en stoornissen in de voedselopname | 10–30

0926 | Verlies van smaak | 10

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK IX — OTO–RHINO–LARYNGOLOGIE › G — LARYNX

G — LARYNX

0927 | Larynx stenose, afhankelijk van de frequentie en ernst van de dyspnoe | 10–100

0928 | Laryngostomie of permanente tracheotomie | 80

0929 | Organische aphonie, zonder dyspnoe | 40

0930 | Idem met dyspnoe | 50–100

0931 | Invaliditeitstabel voor bilaterale doofheid

* Onder protest Nederland (zie blz. 54).

Conversatiespraak verstaanbaar op | | Groep

9 m | 0 | 1

3 m | 15 | 2

120 cm | 30 | 3

60 cm | 50 | 4

30 cm | 60 | 5

10 cm | 70 | 6

ad concham | 75 | 7

niet gehoord | 90 | 8

N.B. Bilaterale doofheid wordt onderzocht door middel van de conversatiespraak. Beide oren worden gelijktijdig onderzocht, waarbij de patiënt vis-à-vis de onderzoeker geplaatst wordt, uitgezonderd bij groep 7 en 8.

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK X — OPHTALMOLOGIE › 1 — Blindheid

1 — Blindheid

Een blind oog is een oog zonder lichtperceptie. Een oog, dat na optimale correctie een gezichtsscherpte heeft van minder dan 1/20 (0.05 of 3/60) wordt beschouwd als een blind oog. Indien deze toestand ten aanzien van beide ogen bestaat, wordt de onderzochte als blind beschouwd.

1001 | Blindheid of verlies van beide ogen | 100

1002 | Een blind oog zonder mismaaktheid | 30

1003 | Atrofie of verlies van een oogbol, dragen van prothese mogelijk, te waarderen volgens vermindering van visus (zie tabel), vermeerderd met | 5

1004 | Atrofie of verlies van een oogbol, dragen van prothese niet mogelijk, mismaaktheid van de adnexa inbegrepen, te waarderen volgens vermindering van visus (zie tabel), vermeerderd met | 10

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK X — OPHTALMOLOGIE › 2 — Vermindering van de centrale visus van beide ogen

2 — Vermindering van de centrale visus van beide ogen

1005 | Deze moet beoordeeld worden na toepassing van de optimale binoculair bruikbare correctie. Zie tabel aan eind van dit hoofdstuk.

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK X — OPHTALMOLOGIE › 3 — Verlies van perifere visus (gezichtsveldbeperking)

3 — Verlies van perifere visus (gezichtsveldbeperking)

Concentrische beperking van het gezichtsveld (gevolg van objectieve laesies). De volgende percentages kunnen worden opgeteld bij die, welke van een eventuele vermindering van de centrale visus moet worden toegekend.

1006 | Gezichtsveldbeperking tot tussen 30° en 10° op een oog | 5

1007 | Idem, op beide ogen | 20

1008 | Gezichtsveldbeperking tot minder dan 10°, op één oog | 10

1009 | Idem, op beide ogen | 80

1010 | Gezichtsveldbeperking op beide ogen tot minder dan 10°, gecombineerd met een vermindering van de gecorrigeerde centrale visus tot 2/10 of minder op het beste oog | 100

Gezichtsveldbeperking bij monoculaire visus

1011 | Totaal verlies van het nasale gedeelte van het gezichtsveld | 40

1012 | Totaal verlies van het onderste gedeelte van het gezichtsveld | 60

1013 | Totaal verlies van het temporale gedeelte van het gezichtsveld | 50

1014 | Totaal verlies van het bovenste gedeelte van het gezichtsveld | 20

Hemianopsie (centrale visus behouden)

1015 | Verticale homonyme hemianopsie, linkszijdig | 30

1016 | Idem, rechtszijdig | 40

1017 | Verticale binasale hemianopsie | 20

1018 | Verticale bitemporale hemianopsie | 55

1019 | Horizontale bovenste hemianopsie | 20

1020 | Horizontale onderste hemianopsie | 65

Kwadrantanopsie

1021 | Anopsie in homonyme bovenste kwadranten | 10

1022 | Anopsie in homonyme onderste kwadranten, linkszijdig | 20

1023 | Idem, rechtszijdig | 35

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK X — OPHTALMOLOGIE › 4 — Diplopie

4 — Diplopie

1024 | Diplopie in primaire positie | 20

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK X — OPHTALMOLOGIE › 5 — Lensafwijkingen

5 — Lensafwijkingen

1025 | Cataract van een of beide ogen, inoperabel, waarderen volgens de visus

1026 | Aphakie van een oog, postoperatief waarderen volgens de gecorrigeerde visus, te vermeerderen met | 10

Het gezamenlijke percentage mag, als het andere oog (eventueel na correctie) een normale visus heeft, het percentage van punt 1002 niet overschrijden.

1027 | Aphakie van beide ogen waarderen volgens de gecorrigeerde visus; wanneer het stereoscopisch diepte zien verloren is gegaan te vermeerderen met | 20

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK X — OPHTALMOLOGIE › 6 — Accommodatie-afwijkingen

6 — Accommodatie-afwijkingen

1028 | Interne opthalmoplegie van beide ogen | 20

1029 | Interne opthalmoplegie van een oog | 10

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK X — OPHTALMOLOGIE › 7 — Aandoeningen van de adnexa

7 — Aandoeningen van de adnexa

1030 | Ptosis van de bovenoogleden, pupillen bedekt bij normale hoofdhouding (mismaaktheid niet inbegrepen) beide ogen | 20

1031 | Idem, een oog | 5

1032 | Chronische conjunctivitis van een of beide ogen | 5–20

1033 | Ectropien van beide ogen | 5–20

1034 | Ectropien van een oog | 5–10

1035 | Entropion van beide ogen | 5–20

1036 | Entropion van een oog | 5–10

1037 | Epiphora als op zichzelf staande aandoening | 1–10

1-6/9 | | 6/12 | | 6/18 | | 6/24 | | 6/36 | 6/60 | 3/60 | 3/60

1-7/10 | 6/10 | 5/10 | 4/10 | | 3/10 | | 2/10 | | 1/10 | 1/20 | 1/20

1-6/9 | 1-7/10 | 0 | 0 | 5 | 7 | 9 | 10 | 12 | 14 | 16 | 20 | 25 | 30

6/10 | 0 | 8 | 9 | 11 | x | 14 | x | 18 | x | 26 | 33 | 37

6/12 | 5/10 | 5 | 9 | 11 | 15 | 17 | 18 | 20 | 23 | 25 | 30 | 38 | 41

4/10 | 7 | 11 | 15 | 17 | x | 22 | x | 27 | x | 36 | 42 | 46

6/18 | | 9 | x | 17 | x | 24 | x | 28 | x | 34 | 40 | 45 | 50

3/10 | 10 | 14 | 18 | 22 | x | 28 | x | 31 | x | 43 | 49 | 54

6/24 | | 12 | x | 20 | x | 28 | x | 33 | x | 40 | 48 | 55 | 60

2/10 | 14 | 18 | 23 | 27 | x | 31 | x | 42 | x | 53 | 62 | 69

6/36 | | 16 | x | 25 | x | 34 | x | 40 | x | 48 | 57 | 69 | 77

6/60 | 1/10 | 20 | 26 | 30 | 36 | 40 | 43 | 48 | 53 | 57 | 68 | 80 | 90

3/60 | 1/20 | 25 | 33 | 38 | 42 | 45 | 49 | 55 | 62 | 69 | 80 | 91 | 95

< 3/60 | < 1/20 | 30 | 37 | 41 | 46 | 50 | 54 | 60 | 69 | 77 | 90 | 95 | 100

Noot:

1. Deze tabel moet gelezen en gebruikt worden als een tafel van vermenigvuldiging.

2. De breukgetallen links en boven geven de visus op beide ogen aan.

3. De cijfers in de tabel geven het invaliditeitspercentage aan.

4. Bij enucleatie moet 5% opgeteld worden bij het percentage overeenkomende met de visus.

5. Bij mismaaktheid kan een extra percentage daarboven gegeven worden.

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XI — ZIEKTEN VAN BLOED EN BLOEDVORMENDE ORGANEN › 1 — Anaemische Syndromen

1 — Anaemische Syndromen

1101 | Hypochrome anaemie – waarderen naar gelang de invloed op de algemene toestand | 5–20

1102 | Pernicieuse anaemie (Biermer) | 10–100

1103 | Aplastische anaemie | 10–100

1104 | Essentiële polyglobulie (Vaquez) | 10–40

1105 | Toxische, inflectieuse of essentiële haemoglobinurie | 30–60

1106 | Congenitale of verworven haemolytische icterus | 10–60

1107 | Purpura haemorrhagica | 10–100

1108 | Haemophilie | 10–50

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XI — ZIEKTEN VAN BLOED EN BLOEDVORMENDE ORGANEN › 2 — Leucaemische, pseudo-leucaemische en agranulocytotische syndromen

2 — Leucaemische, pseudo-leucaemische en agranulocytotische syndromen

1109 | Lymphoide leucaemie | 50–100

1110 | Myeloide leucaemie | 30–100

1111 | Agranulocytose | 100

1112 | Hodgkin | 30–100

1113 | Reticulosen | 30–100

1114 | Essentiële splenomegafie | 20–50

1115 | Splenectomie | 10–30

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XII — HUIDAFWIJKINGEN

HOOFDSTUK XII — HUIDAFWIJKINGEN

1201 | Dermo-epidermitis, folliculitis, epidermomycosis etc. (naar gelang localisatie en uitgebreidheid) | 5–30

1202 | Chronische radiodermitis of radiumdermitis (naar gelang uitgebreidheid en gevaar van maligne degeneratie) | 10–70

1203 | Chronische ulcera, atenische littekens (naar gelang localisatie en uitgebreidheid) | 10–60

1204 | Chronische eczemen (naar gelang localisatie en uitgebreidheid) | 5–30

1205 | Zeer ernstige chronische eczemen | 30–70

Goedaardige tumoren van de huid

1206 | Angiomen, naevi, lymphangiomen, lipomen, etc. Waarderen volgens mismaaktheid

Kwaadaardige tumoren van de huid

1207 | Na chirurgische of andere behandeling waarderen volgens achtergebleven locale restverschijnselen

1208 | Ongeneeslijk of gedurende behandeling, naar gelang localisatie, uitgebreidheid en ernst | 50–100

1209 | Littekens, niet gewaardeerd bij andere gebreken met of zonder weefselverlies | 5–30

1210 | Keloid zich ontwikkelend in littekens – toevoegen | 1–10

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XIII — HART- EN BLOEDVAATSTELSEL › 1 — Hart

1 — Hart

1301 | Organische hartaandoening in beginstadium met nu en dan lichte verschijnselen, geringe vermindering van de tolerantie voor inspanning goed gecompenseerd | 10–30

1302 | Organische hartaandoening, steeds lichte verschijnselen aanwezig, matig tolerantie voor inspanning, geen symptomen van decompensatie | 30–50

1303 | Organische hartaandoening met beginnende decompensatieverschijnselen, gunstig reagerende op de behandeling | 60–80

1304 | Organische hartaandoening met verderschrijdende decompensatie, afhankelijk van de mate daarvan | 80–100

1305 | Actief, infectieus organisch hartlijden (endocarditis, myocarditis pericarditis enz.) | 70–100

1306 | Essentiële paroxysmale tachycardie | 10–30

1307 | Pathologische bradycardie van organische oorsprong | 10–50

1308 | Extrasystolie, lipothymie, cardio-vasculaire labiliteit, onaangename praecordiale sensaties e.d. mits zonder organische oorzaak | 0

1309 | Echte angina pectoris en/of coronair Thrombose en/of myocardinfarct | 50–100

1310 | Corpus alienum in het hart, te waarderen naar de invloed op de functie en vermeerderen met | 10

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XIII — HART- EN BLOEDVAATSTELSEL › 2 — Bloedvaten

2 — Bloedvaten

1311 | Algemene arteriosclerose, niet gecompliceerd, afhankelijk van de belastingproeven | 10–30

1312 | – met dilatatie cordis | 30–50

1313 | – met ernstige angineuze verschijnselen | 60–100

1314 | – met nierinsufficiëntie | 30–100

1315 | – met belangrijke veneuze stuwing, zonder of met ascites of anasarca | 60–100

1316 | – met atriumfibrilatie | 70–100

Arteriale hypertensie (hartverschijnselen inbegrepen)

N.B. Bij de invaliditeitsschatting van de hypertensie moet alleen rekening gehouden worden met de diastolische druk, aangezien deze bij de essentiële hypertensie van de prognose het belangrijkst is.

1317 | – met lichte verschijnselen (diastolische druk tussen 105 wn 110 mm) | 20–30

1318 | – met lichte hartinsufficiëntie, licht malleolair oedeem, enz. | 30–50

1319 | – ernstige vorm, met cardiale, renale of retinale complicaties | 70–100

1320 | maligne | 100

1321 | Aneurysma aortae te waarderen overeenkomstig arteriosclerose

1322 | Arteriële aneurysmata – zie Hoofdstuk I en II

1323 | Arterio – veneuze aneurysmata – zie Hoofdstuk I, II en XIII

1324 | Arteriële afsluiting (evt. door ligatuur), inadaequate vicariërende circulatie, zonder of met atrofie van de desbetreffende extremiteit | 10–50

1325 | Arteriële afsluiting met gangreen (M. Burger enz.), te waarderen als amputaties – zie Hoofdstuk I en II

1326 | M. Raynaud | 10–50

1327 | Erythromelalgie | 5–30

1328 | Veneuze afsluiting met chronische oedeem van een extremiteit | 10–30

1329 | Idem, met chronisch oedeem van beide benen, tropische stoornissen enz. | 30–70

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XIII — HART- EN BLOEDVAATSTELSEL › Varices

Varices

1330 | Duidelijke varices, niet boven de knie, aan een of beide onderbenen | 1–10

1331 | Duidelijke varices, ook boven de knie, zonder of met oedeem aan een of beide benen | 10–30

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XIII — HART- EN BLOEDVAATSTELSEL › Ulcus cruris Varicosum

Ulcus cruris Varicosum

1332 | Chronische of recidiverende ulcern cruris afhankelijk van de uitgebreidheid der ulceraties, verices enz., aan één been | 5–40

1333 | Idem, aan beide benen | 30–60

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XIV — ADEMHALINGSSTELSEL (EXCLUSIEF TUBERCULOSE) › 1 — Bovenste luchtwegen

1 — Bovenste luchtwegen

Zie Hoofdstuk IX.

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XIV — ADEMHALINGSSTELSEL (EXCLUSIEF TUBERCULOSE) › 2 — Diaphragma

2 — Diaphragma

1401 | Posttraumatische paralyse van de M. phrenicus, eenzijdig | 5–15

1402 | Hernia diaphragmatica – zie Hoofdstuk XV

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XIV — ADEMHALINGSSTELSEL (EXCLUSIEF TUBERCULOSE) › 3 — Trachea en Bronchi

3 — Trachea en Bronchi

1403 | Chronische bronchitis emphyseem, röntgenologisch gekenmerkt door een voor de leeftijd te sterke bindweefselvorming en een te forse hilus | 5–20

1404 | Chronische bronchitis met emphyseem en enige dyspnoe bij inspanning | 25–50

1405 | Chronische bronchitis met emphyseem en dyspnoe bij de lichtste inspanning | 50–80

1406 | Chronische bronchitis met emphyseem en dyspnoe ook in rust | 100

1407 | Asthma bronchiale (allergisch), lichte vorm met weinig aanvallen | 10–20

1408 | Asthma bronchiale, met meer frequente aanvallen, doch geen belangrijke invloed op de algemene werkkracht | 20–50

1409 | Asthma bronchiale, ernstige vorm, frequente aanvallen, belangrijke invloed op de algemene werkkracht | 50–100

1410 | Foetide bronchitis met belangrijke invloed op de algemene toestand | 50–100

1411 | Bronchiectasieën, afhankelijk van de expecteratie en de algemene toestand | 10–100

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XIV — ADEMHALINGSSTELSEL (EXCLUSIEF TUBERCULOSE) › 4 — Pleura

4 — Pleura

1412 | Chronische pleurodynie of pleuraverdikking zonder of met vervorming of immobilisatie van de borstkas | 5–40

1413 | Pleuraverdikking met blijvende fistel | 40–50

1414 | Gevolgen van etterige pleuritis (empyema), ribresectie (het botdefect inbegrepen) | 20–70

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XIV — ADEMHALINGSSTELSEL (EXCLUSIEF TUBERCULOSE) › 5 — Longen

5 — Longen

1415 | Corpus alienum in de long met pijn | 5–10

1416 | Corpus alienum in de long met bronchitis en bindweefselvorming | 20–50

1417 | Gevolgen van longabces of longcyste van een longkwab, algemene toestand bevredigend | 10–30

1418 | Gevolgen van meer uitgebreide etterige longprocessen, afhankelijk van de algemene toestand | 20–100

1419 | Lobectomie | 20–30

1420 | Pneumonectomie | 60

1421 | Pneumoconiesis – 1e stadium, met bronchitis, enige dyspnoe bij inspanning | 20–40

1422 | Pneumoconiesis – 2e stadium, bindweefselvorming en belangrijke dyspnoe bij inspanning | 40–70

1423 | Pneumoconiesis – 3e stadium, dispnoe in rust, belangrijke bindweefselvorming, hartstoornissen | 70–100

1424 | Long-actinomycosis – te waarderen als 1417 en 1418

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XV — SPIJSVERTERINGSSTELSEL EN BUIKWAND › 2 — Oesophagus

2 — Oesophagus

1501 | Stenose met lichte slikbezwaren zonder merkbare invloed op de algemene toestand | 10–30

1502 | Stenose, alleen gebruik van vloeibare of halfvloeibare stoffen toelatende, behandeling vereisende met instrumentale oprekking | 70–100

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XV — SPIJSVERTERINGSSTELSEL EN BUIKWAND › 3 — Buikwand

3 — Buikwand

1504 | Groot adhaerent litteken met belemmering van de bewegingen van de romp | 10–30

1505 | Hernia cicatricalis, door hulpmiddelen in te houden | 5–20

1506 | Hernia cicatricalis, niet door hulpmiddelen behoorlijk in te houden | 30–50

1507 | Hernia inguinalis of H. femoralis, reponibel en behoorlijk in te houden met hulpmiddelen | 3–10

1508 | Idem, dubbelzijdig | 10–20

1509 | Grote H. inguinalis of H. femoralis, niet behoorlijk met hulpmiddelen in te houden, of irreponibele H. scrotalis, eenzijdig | 20–30

1510 | Idem, dubbelzijdig | 30–50

1511 | H. umbilicalis of H. epigastrica | 5–30

1512 | H. diafragmatica | 30–70

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XV — SPIJSVERTERINGSSTELSEL EN BUIKWAND › 4 — Peritoneum

4 — Peritoneum

1513 | Adhaesie, afhankelijk van pijnlijkheid of afsluitingssymptomen | 10–50

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XV — SPIJSVERTERINGSSTELSEL EN BUIKWAND › 5 — Maag en duodenum

5 — Maag en duodenum

1514 | Chronische gastritis of chronische dyspepsie | 5–30

1515 | Chronische objectief vastgestelde ulcus ziekte met niet meer dan een- of tweemaal per jaar een actief ulcus | 10–30

1516 | Idem, met meer actieve aanvallen en een voortdurend streng dieet | 30–50

1517 | Als 1516, met ernstige complicaties (herhaalde haematemesis enz.) | 50–80

Postoperatieve gevolgen na gastrectomie – of gastra-enterostomie

1518 | –, gunstig resultaat | 10–20

1519 | –, met rechtverschijnselen, welke een streng dieet noodzakelijk maken | 20–50

1520 | –, ongunstig resultaat, afhankelijk van de algemene toestand | 50–100

1521 | Blijvende gastrostomie | 70–100

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XV — SPIJSVERTERINGSSTELSEL EN BUIKWAND › 6 — Darmkanaal

6 — Darmkanaal

1522 | Resectie, afhankelijk van afsluitingssymptomen, enz. | 10–70

1523 | Dundarmfistel, afhankelijk van plaats en grootte | 30–80

1524 | Colonfistel, afhankelijk van plaats en grootte | 30–50

1525 | Colostomie (anus praeternaturalis) | 70–100

1526 | Chronische enteritis of chronische colitis, afhankelijk van de frequentie van de pijnaanvallen en van de voedingstoestand | 5–20

1527 | Colitis chronica ulcerosa | 30–70

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XV — SPIJSVERTERINGSSTELSEL EN BUIKWAND › 7 — Rectum en anus

7 — Rectum en anus

1528 | Incontinentie door plaatselijk trauma van de sphincter ani | 10–30

N.B. Incontinentie door organische parese of paralyse te waarderen als in Hoofdstuk VI.

1529 | Stenose van rectum of anus, afhankelijk van de pijn en de functiestoornis | 30–60

1530 | Blijvende rectum prolaps zonder incontinentie | 20–50

1531 | Haemorrhoiden, afhankelijk van plaats, grootte, blooking en thrombosering | 5–30

1532 | Anaalfistel met intacte sphincter | 10–20

1533 | Anaalfistel met voortdurend verlies van faecos | 20–40

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XV — SPIJSVERTERINGSSTELSEL EN BUIKWAND › 8 — Speekselklieren

8 — Speekselklieren

1534 | Uitwendige fistel | 10–30

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XV — SPIJSVERTERINGSSTELSEL EN BUIKWAND › 9 — Lever

9 — Lever

1535 | Blijvende uitwendige gal- of etterige fistel | 30–60

1536 | Levercirrhose of chronische nepatitis in beginstadium | 20–40

1537 | Levercirrhose met lichte ascites of enkele haemorrhagieën | 40–70

1538 | Levercirrhose met belangrijke ascites en ernstige invloed op de algemene toestand | 100

1539 | Chronische cholecystitis of nu en dan galsteenkolieken | 10–30

1540 | Ernstige chronische cholecystitis of frequente galsteenkolieken | 30–60

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVI — URIGENITAALSTELSEL › 1 — Nieren en Ureteren

1 — Nieren en Ureteren

1601 | Nephrectomie, functie van de overgebleven nier normaal | 30

1602 | Nephrectomie, functie van de overgeleven nier tot op tweederde verminderd | 60

1603 | Nephrectomie, functie van de overgeleven nier verminderd tot de helft en lager | 70–100

1604 | Littekenbreuk na nieroperatie | 10–20

1605 | Eenzijdige ptosis van de nier, afhankelijk van de frequentie van pijnaanvallen en de nierfunctie | 5–20

1606 | Eenzijdige hydrenephrose, of gevolgen van nierverwonding, afhankelijk van de frequentie van pijnaanvallen en de nierfunctie | 10–30

1607 | Chronische, eenzijdige pyelo-nephrose | 20–30

1608 | Chronische, dubbelzijdige pyelonephrose afhankelijk van de algemene toestand | 50–80

1609 | Lichte chronische nefritis, met gering effect op de nierfunctie, intermitterende albuminurie | 10–30

1610 | Chronische nefritis albuminurie, lichte oedemen, nierfunctie enigszins achteruitgegaan | 30–60

1611 | Ernstige chronische nefritis (met blijvend verhoogd ureumgehalte, bloeddrukverhoging, retina-afwijkingen enz.), afhankelijk van de nierfunctie | 60–100

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVI — URIGENITAALSTELSEL › 2 — Blaas

2 — Blaas

1612 | Hernia hypogastrica na cystostomie | 10–20

1613 | Blaasfistel of cystostomie | 70

1614 | Gluteale perineale, sacrale of andere urinefistels | 70–100

1615 | Blaas-darm- of blaas-rectum-fistels | 70–100

1616 | «Geïrriteerde» blaas (poliakisurie) | 5–20

1617 | Chronische cystitis, zonder pyelonefritis | 10–30

1618 | Chronische cystitis, met pyelonefritis | 50–80

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVI — URIGENITAALSTELSEL › 3 — Manlijke Urethera

3 — Manlijke Urethera

1619 | Strictuur, makkelijk te dilateren (2 à 3 dilataties per jaar, urine helder, geen koortsaanvallen) | 5–10

1620 | Strictuur met recidiverende klachten (1 dilatatie per maand, geen koortsaanvallen, urine helder) | 10–20

1621 | Strictuur, moeilijk te dilateren (met koortsaanvallen, residu, mictiebezwaren, haemorrihagie) | 30–50

1622 | Strictuur met urethafistel in de glans penis | 30

1623 | Uitgebreide destructie van de urethra met perineale urethrafistel, met behoud van de sphincter vesicae, als dan niet geïnfecteerd | 40–70

1624 | Prostaatafwijkingen te waarden als cystitis

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVI — URIGENITAALSTELSEL › 4 — Penis en testikels

4 — Penis en testikels

1625 | Volledig verlies van penis en testikels afhankelijk van leeftijd en endocrinestoornissen | 80–100

* Onder protest van Frankrijk.

1626 | Volledig verlies van de penis afhankelijk van de leeftijd | 60–90

* Onder protest van Frankrijk.

1627 | Gemis van de glans penis afhankelijk van de leeftijd | 20–40

* Onder protest van Frankrijk.

1628 | Verwonding van de corpora cavernosi, erectie onmogelijk makende, afhankelijk van de leeftijd | 35–65

1629 | Atrofie of verlies van beide testikels afhankelijk van de leeftijd en endocrine stoornissen | 50–85

1630 | Atrofie of verlies van een testikel | 10

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVI — URIGENITAALSTELSEL › 5 — Gynaecologie

5 — Gynaecologie

1631 | Urethrastrictuur zonder infectie | 5–20

1632 | Urethra-vaginaalfistel, sphincter vesicae intact | 10–30

1633 | Vesico-vaginaalfistel | 30–60

1634 | Recto-vaginaalfistel | 70–100

1635 | Chronische Salpingitis en/of metritis | 5–40

1636 | Totale of subtotale hysterectomie met endocrine stoornissen afhankelijk van de leeftijd en het resultaat van behandeling van de endocrinestoornissen | 10–85

1637 | Hysterectomie zonder endocrinestoornissen afhankelijk van de leeftijd | 5–40

1638 | Exstirpatie of vernietiging van beide ovaria afhankelijk van de leeftijd en endocrinestoornissen | 10–85

1639 | Exstirpatie van een ovarium | 10

1640 | Prolapsus uteri, met rectorale en/of cystocele afhankelijk van de bezwaren bij lopen en mixtie | 20–50

1641 | Prolapsus uteri c.q. vaginalis zonder rectocele of cystocele | 1–15

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVI — URIGENITAALSTELSEL › 6 — Vrouwelijke borstklieren

6 — Vrouwelijke borstklieren

1642 | Verlies van beide borsten, afhankelijk van de leeftijd | 30–60

1643 | Verlies van een borst, afhankelijk van de leeftijd | 10–30

1644 | Verlies van een tepel, afhankelijk van de leeftijd | 5–20

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVII — TUBERCULOSE › 1 — Tuberculose van het ademhalingsstelsel › a — Neustuberculose

a — Neustuberculose

1701 | Tuberculeus ulcus van de neusstreek, als afzonderlijke aandoening | 10–30

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVII — TUBERCULOSE › 1 — Tuberculose van het ademhalingsstelsel › b — Larynxtuberculose

b — Larynxtuberculose

1702 | Larynxtuberculose | 70–100

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVII — TUBERCULOSE › 1 — Tuberculose van het ademhalingsstelsel › c — Longtuberculose

c — Longtuberculose

Inactieve longtuberculose

Longtuberculose wordt als inactief beschouwd bij afwezigheid van koorts zonder gewichtsverlies, niet verhoogde bloedbezinkingssnelheid, geen bacillen gevonden bij herhaald onderzoek, tenzij het röntgenonderzoek op het tegendeel duidt

1703 | Geen of lichte verschijnselen; geen uitgebreide röntgenologische afwijkingen; geen activiteit gedurende de afgelopen 5 jaren of normale bezigheden mogelijk binnen deze periode | 1–20

1704 | Duidelijke verschijnselen; uitgebreide röntgenologische afwijkingen; geen activiteit gedurende de afgelopen 3 jaren of op medische gronden hervatting van normale bezigheden toegestaan binnen dit tijdvak | 20–50

Actieve longtuberculose

1705 | Geïsoleerde haard met geringe activiteit, goede algemene toestand, volledige rust niet noodzakelijk | 60–100

1706 | Alle andere vormen van actieve longtuberculose | 100

1707 | Actieve longtuberculose met localisatie in andere orgaansystemen | 100

Therapeutische Pneumothorax

1708 | Eenzijdige collapstherapie gedurende de eerste 12 maanden (inclusief de longafwijkingen) | 100

1709 | Eenzijdige collapstherapie, na 12 maanden regelmatig onderhouden, afhankelijk van de mogelijkheid tot het hervatten van normale bezigheden | 40–70

1710 | Dubbelzijdige collapstherapie gedurende de eerste twee jaren (inclusief de longafwijkingen) | 100

1711 | Dubbelzijdige collapstherapie, na 2 jaar regelmatig onderhouden, afhankelijk van de mogelijkheid tot het hervatten van normale bezigheden | 60–80

1712 | Thoracoplastiek en ribresectie Gedurende de actieve phasen, zie boven

1713 | Na consolidatie van de chirurgische en interne afwijkingen moet met de volgende punten rekening worden gehouden t.a.v. de invaliditeitsschatting: – blijvende afwijkingen van de thorax (zie nr. 0429) – eventuele bewegingsbeperkingen van bovenste ledematen en wervelkolom – de verminderde algemene weerstand bij een tot stilstand gekomen of praktisch genezen tuberculeus proces. Dit verklaart waarom de waardering hoger kan zijn dan voor een overeenkomstige niet-tuberculeuze aandoening. In het algemeen moet boven de invaliditeitsschatting voor de andere afwijkingen worden toegekend | 5–20

Tuberculeuze Pleuritiden

1714 | Restverschijnselen van een exsudatieve pleuritis, gekenmerkt door een geringe vermindering van het uitzettingsvermogen van de thorax en plaatselijke pijn | 5–20

1715 | Restverschijnselen van een exsudatieve pleuritis met duidelijke vermindering van de longfunctie, afhankelijk van de algemene toestand en het vermogen om inspanning te verrichten | 20–50

1716 | Fistel van tuberculeus koud abces, afhankelijk van de algemene toestand | 40–70

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVII — TUBERCULOSE › 2 — Tuberculose van het Spijsverteringsstelsel

2 — Tuberculose van het Spijsverteringsstelsel

1717 | Tuberculeuze enteritis | 100

1718 | Tuberculeuze colitis | 70–100

1719 | Tuberculeuze peritonitis, afhankelijk van de graad van activiteit en de algemene toestand | 50–100

Tuberculeuze Anaalfistel (zie 1532)

1720 | Koud abces in kleine bekken met fistel | 20–50

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVII — TUBERCULOSE › 3 — Tuberculose van het Zenuwstelsel

3 — Tuberculose van het Zenuwstelsel

1721 | Gevolgen van tuberculeuze meningitis te waarderen afhankelijk van de blijvende afwijkingen en vervolgens vermeerderd met | 20

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVII — TUBERCULOSE › 4 — Tuberculose van het Uitscheidingsstelsel

4 — Tuberculose van het Uitscheidingsstelsel

1722 | Eenzijdige niertuberculose, inclusief cystitis | 50–100

1723 | Dubbelzijdige niertuberculose, inclusief cystitis en andere complicaties | 100

1724 | Posttuberculeuze nierafwijkingen, te waarderen als bij nephritis (1609, 1610, 1611) en vervolgens vermeerderen met | 10

1725 | Nephrectomie wegens niertuberculose, te waarderen als nephrectomie (1601–1603) en vervolgens vermeerderen met | 10

1726 | Op zichzelf voorkomende chronische tuberculeuze cystitis | 30–70

1727 | Tuberculeuze epididymitis, eenzijdig, zonder fistels | 10–20

1728 | Tuberculeuze epididymitis, eenzijdig, met fistels | 20–40

1729 | Tuberculeuze epididymitis, dubbelzijdig, met of zonder fistels | 30–60

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVII — TUBERCULOSE › 5 — Huidtuberculose

5 — Huidtuberculose

1730 | Huidtuberculose met of zonder ulcera, afhankelijk van het resultaat van de behandeling en van de uitgebreidheid | 5–40

1731 | Lupus tuberculosa, afhankelijk van de uitgebreidheid en van de mismaaktheid | 20–100

1732 | Paratuberculose (erythème induré, lupus erythematoides), afhankelijk van de uitgebreidheid en de invloed op de algemene toestand | 10–100

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVII — TUBERCULOSE › 6 — Tuberculose van het Lymphatische stelsel

6 — Tuberculose van het Lymphatische stelsel

1733 | Resttoestand van de halslymfkliertuberculose, zonder fistel, afhankelijk van de toestand van het litteken en mismaaktheid | 1–10

1734 | Resttoestand van de halslymfkliertuberculose, met fistel, afhankelijk van de algemene toestand en mismaaktheid | 10–30

1735 | Resttoestand van andere localisaties (oksel, lies, hilus, enz.) afhankelijk van de toestand van het litteken en de algemene toestand | 1–20

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVII — TUBERCULOSE › 7 — Been- en gewrichtstuberculose

7 — Been- en gewrichtstuberculose

1736 | Osteitis met fistelvorming te waarderen volgens het verlies van functie en vervolgens vermeerderen met | 10

1737 | Resttoestand na osteitis, te waarderen volgens het verlies van functie en de toestand van het litteken

1738 | Ziekte van Pott, actief, zonder of met koud abces of fistelvorming | 100

1739 | Resttoestanden van de Ziekte van Pott, zonder abces of fistels, te waarderen als ankylose of vervorming (zie Hoofdstuk IV) en vervolgens te vermeerderen met | 20

1740 | Osteo-arthritis van andere gewrichten gedurende de actieve phase | 100

1741 | Gevolgen van osteo-arthritis van andere gewrichten, te waarderen naar de functiestoornissen en vervolgens vermeerderen met | 10–20

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › HOOFDSTUK XVIII — TROPISCHE EN PARASITAIRE ZIEKTEN

HOOFDSTUK XVIII — TROPISCHE EN PARASITAIRE ZIEKTEN

1801 | Actieve malaria zonder viscerale afwijkingen | 1–10

1802 | Chronische malaria met viscerale afwijkingen | 10–80

1803 | Malariakachexie | 100

1804 | Trypanosomiasis zonder afwijkingen in liquor | 10–50

1805 | Trypanosomiasis met cerebrale afwijkingen | 50–100

1806 | Trypanosomiasis (restverschijnselen van –) naar gelang uitwerking op geestelijk of organo-vegatief evenwicht | 10–50

1807 | Leishmaniosis (cutaneosa) | 10

1808 | Leishmaniosis (cutaneo-mucosa) | 20–70

1809 | Leishmaniosis (visceraal) | 30–100

1810 | Amoebiasis (met lichte enteritis) | 5–20

1811 | Amoebiasis (met ernstige, herhaalde enteritisaanvallen) | 20–50

1812 | Amoebiasis (met lever- of andere complicaties) | 50–100

1813 | Lepra | 50–100

1814 | Distomiasis naar gelang localisatie en invloed op algemene toestand | 5–100

1815 | Bilharziasis | 10–100

1816 | Filariasis Loa | 10–30

1817 | Filariasis Bancrofti | 10–100

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › BEMERKINGEN BIJ TABEL 0931

BEMERKINGEN BIJ TABEL 0931

De Nederlandse gedelegeerde is van mening dat een totaal dove, waarbij het gehoorvermogen niet verbeterd kan worden door middel van een gehoorprothese, in groter mate invalide is dan een totaal dove, waarbij wel verbetering mogelijk is, zodat een verschil in invaliditeitswaardering tussen deze twee gevallen gemaakt moet worden.

Dientengevolge kan hij slechts accoord gaan met tabel 0931 indien deze gebruikt wordt in overeenstemming met paragraaf 5 van het voorwoord of indien onderstaande noot aan de tabel wordt toegevoegd:

«Deze tabel is slechts aan te wenden in die gevallen, waarbij geen verbetering met een gehoorprothese te verkrijgen is. Indien een gehoorprothese verbetering brengt en het apparaat door de invalide te dragen is, moeten de invaliditeitspercentages verminderd worden met een bedrag afhankelijk van de te bereiken verbetering en andere factoren inhaerent aan het gebruik van een gehoorprothese».

ONTWERP INVALIDITEITSSCHAAL (1 januari 1953) › BEMERKINGEN BIJ NR. 0121–0124 EN 0216

BEMERKINGEN BIJ NR. 0121–0124 EN 0216

De Nederlandse gedelegeerde gaat niet accoord met de percentages vastgesteld voor Nr. 0121–0124 en 0216, niet op geneeskundige doch op wettelijke grond, aangezien de Nederlandse wet bepaalt dat invaliditeitspercentages boven 10% naar boven worden afgerond in veelvouden van 10, zodat een percentage van 11 of 12 tot pensionering op voet van 20% zou leiden. Hij meent daarom voor bovengenoemde gevallen niet verder te moeten gaan dan 10%.