wetzoeker

2 — Bevoegdheid tot toepassing van het voorkeursrecht (artikel 2a) Wijziging Wet voorkeursrecht gemeenten

Bevoegdheid tot toepassing van het voorkeursrecht (artikel 2a)

Tot dusver kon elke gemeente het voorkeursrecht vestigen, zij het uitsluitend in stads- en dorpsvernieuwingsgebieden.

Dergelijke gebieden moesten dan ingevolge artikel 3 van de wet begrepen zijn in een stadsvernieuwingsplan of als vernieuwingsgebied zijn aangemerkt in een structuurplan voor de bebouwde kom.

Sedert 17 juli 1996 is het toepassingsbereik van het voorkeursrecht niet meer beperkt tot gronden als bedoeld in artikel 3. Na de wetswijziging is de wet in zijn volle omvang van kracht en vormt artikel 2 in beginsel weer de basisregeling voor een aanwijzing tot voorkeursrechtgebied, zij het dat door invoeging van artikel 2a niet alle gemeenten zonder meer bevoegd zijn een voorkeursrecht te vestigen.

Artikel 2a luidt:

1. Een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of artikel 8, eerste lid, kan genomen worden door de raad van een gemeente, waaraan zelfstandig of samen met andere gemeenten blijkens nationaal of provinciaal ruimtelijk beleid uitbreidingscapaciteit is toegedacht of gegeven. In alle gevallen waarin een zodanige capaciteit niet is toegedacht of toegekend, wordt het besluit niet genomen dan nadat van gedeputeerde staten vooraf een verklaring van geen bezwaar is verkregen.

2. Gedeputeerde staten beslissen binnen vier weken na ontvangst van het desbetreffende verzoek. De verklaring wordt geacht te zijn verleend indien gedeputeerde staten niet binnen die termijn een beslissing hebben bekend gemaakt.

Wat betekent dit artikel nu in de praktijk?

Regeling
Wijziging Wet voorkeursrecht gemeenten
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
25-09-1996
BWB-id
BWBR0008242
Versie
1996-09-25_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl