wetzoeker

10.1 — Optie-overeenkomsten (artikel 10, tweede lid, onder d) Wijziging Wet voorkeursrecht gemeenten

Optie-overeenkomsten (artikel 10, tweede lid, onder d)

Bij de voorbereiding van het wetsvoorstel is veel te doen geweest over de vraag of ten tijde van een vestiging van een voorkeursrecht reeds bestaande optieovereenkomsten geëerbiedigd dienen te worden. Dergelijke optie-overeenkomsten werden geëerbiedigd indien zij voldeden aan het vereiste dat zij blijkens een notariële (of een geregistreerde onderhandse) akte waren ontstaan voor de terinzagelegging in ontwerp van het plan waarop de aanwijzing tot voorkeursrechtgebied betrekking had. Die discussie heeft geleid tot een aanscherping van artikel 10, tweede lid, onder d, en een nieuw derde lid van dit artikel.

Deze aanscherping houdt in dat voor de eerbiediging van een optieovereenkomst niet meer wordt volstaan met het vereiste van een notariële akte of geregistreerde onderhandse akte.

Voortaan is een inschrijving van de optieovereenkomst in de openbare registers vereist. Deze inschrijving moet tot stand zijn gekomen in geval van een aanwijzing ingevolge de artikelen 2 of 6 vóór de terinzagelegging in ontwerp van het plan waarop de aanwijzing betrekking heeft onderscheidenlijk in geval van een aanwijzing op grond van de artikelen 8 of 8a vóór de inwerkingtreding van deze aanwijzing.

Het Burgerlijk Wetboek (artikel 3:17) en de Kadasterwet (artikelen 18 e.v. en artikel 26) bevatten voorts regelen omtrent de inschrijfbaarheid van feiten die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn. Het nieuwe derde lid van artikel 10 sluit hierop aan: de overeenkomst waarbij de optie in het leven is geroepen is inschrijfbaar mits deze overeenkomst is vervat in een akte.

Aan deze akte worden voortaan uit een oogpunt van bewijskracht voor zijn ontstaan geen bijzondere eisen meer gesteld. Door bij de inschrijving van de optieovereenkomst in de openbare registers het tijdstip van aanbieding te noteren, staat immers exact vast wanneer de optie (uiterlijk) is ontstaan.

Voor de inschrijving zelf is echter wel nodig dat de akte ofwel notarieel is verleden ofwel bij een onderhandse akte vergezeld gaat van een notariële verklaring (artikel 26, eerste lid, van de Kadasterwet).

De tweede zin van het derde lid van artikel 10 omschrijft het rechtsgevolg van de inschrijving. Hierbij is expliciet gesteld dat de in artikel 10, eerste lid, Wvg bedoelde beperking van de verkoper in zijn beschikkingsbevoegdheid voor hem niet ontstaat. Met andere woorden de verkoper, die een oude, voor de terinzagelegging in ontwerp van een structuur- of bestemmingsplan of voor de inwerkingtreding van een aanwijzing op grond van artikel 8 of 8a ingeschreven optie-overeenkomst later effectueert, valt buiten de aanbiedingsplicht.

Tenslotte is voorzien in een overgangsregeling voor op 17 juli 1996 bestaande optieovereenkomsten. Artikel III van de wijzigingswet regelt dat bestaande optieovereenkomsten die op grond van artikel 10, tweede lid, onder d, zoals dat voor die datum gold, buiten het voorkeursrecht vielen, worden geëerbiedigd.

Regeling
Wijziging Wet voorkeursrecht gemeenten
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
25-09-1996
BWB-id
BWBR0008242
Versie
1996-09-25_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl