wetzoeker

Kaderwet adviescolleges

Wet van 3 juli 1996, houdende algemene regels over de advisering in zaken van algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk (Kaderwet adviescolleges)

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-07-2022
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Staats- en bestuursrecht
Ministerie
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
BWB-id
BWBR0008159
Versie
2022-07-01_0
SHA-256 bron
788b19ff399e3155a6d9385ddeb7d96f73f5abff0e4a61b7dfcd7cf9e889ca13

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (37)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 16a
  18. Artikel 17
  19. Artikel 18
  20. Artikel 19
  21. Artikel 20
  22. Artikel 21
  23. Artikel 22
  24. Artikel 23
  25. Artikel 24
  26. Artikel 25
  27. Artikel 26
  28. Artikel 27
  29. Artikel 28
  30. Artikel 29
  31. Artikel 30
  32. Artikel 31
  33. Artikel 32
  34. Artikel 33
  35. Artikel 34
  36. Artikel 35
  37. Artikel 36

HOOFDSTUK 1 — ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. adviescollege: een college dat krachtens publiekrecht tot taak heeft de regering te adviseren over algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk;

b. Onze Minister: Onze Minister wie het aangaat.

HOOFDSTUK 1 — ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 2

Geen adviescollege in de zin van deze wet is:

a. een college als bedoeld in artikel 1:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

b. een college dat voor meer dan de helft bestaat uit ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een daaronder ressorterende instelling, dienst of bedrijf, en die in verband met hun werkzaamheden in dat college zitting hebben.

HOOFDSTUK 1 — ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 3

De hoofdstukken 3 en 5 en artikel 28 gelden niet ten aanzien van adviescolleges waarvan de adviestaak, bedoeld in artikel 1, onderdeel a , niet de hoofdtaak is.

HOOFDSTUK 2 — HET INSTELLEN VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 4

Een adviescollege wordt bij wet ingesteld.

HOOFDSTUK 2 — HET INSTELLEN VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 5

1 In afwijking van artikel 4 kan een adviescollege voor de advisering over een in de tijd beperkt vraagstuk bij koninklijk besluit worden ingesteld voor de duur van ten hoogste vier jaar. Deze termijn kan bij koninklijk besluit eenmaal met ten hoogste twee jaar worden verlengd.

2 Een besluit op grond van het eerste lid wordt niet eerder genomen dan vier weken nadat het voornemen daartoe in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, aan de beide kamers der Staten-Generaal is meegedeeld.

HOOFDSTUK 2 — HET INSTELLEN VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 6

1 In afwijking van artikel 4 kan een adviescollege voor de eenmalige advisering over een bepaald vraagstuk bij koninklijk besluit of bij ministeriële regeling, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, worden ingesteld voor de duur van de advisering.

2 Een besluit op grond van het eerste lid wordt onverwijld aan de beide kamers der Staten-Generaal meegedeeld.

3 In afwijking van de artikelen 11 en 13 kunnen de leden van een college als bedoeld in het eerste lid worden benoemd en ontslagen door Onze Minister.

4 Op een college als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 17 en 18, hoofdstuk 5 en de artikelen 28 en 33 niet van toepassing. Op het advies van zo'n college is artikel 24 van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 2 — HET INSTELLEN VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 7

Alle wetten, koninklijke besluiten en ministeriële regelingen tot instelling van adviescolleges worden mede door Onze Minister van Binnenlandse Zaken ondertekend.

HOOFDSTUK 2 — HET INSTELLEN VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 8

Bij de instelling van een adviescollege wordt de adviestaak omschreven.

HOOFDSTUK 2 — HET INSTELLEN VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 9

De artikelen 4 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing op het toekennen van een adviestaak als bedoeld in artikel 1, onderdeel a , aan een college dat krachtens publiekrecht een andere taak heeft.

HOOFDSTUK 3 — SAMENSTELLING EN INRICHTING VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 10

Een adviescollege bestaat uit een voorzitter en ten hoogste veertien andere leden. Het adviescollege kan uit de leden ondervoorzitters aanwijzen.

HOOFDSTUK 3 — SAMENSTELLING EN INRICHTING VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 11

1 De leden van een adviescollege worden bij koninklijk besluit benoemd.

2 De leden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.

3 Onze Minister draagt zorg voor openbaarmaking van een vacature in een adviescollege, niet zijnde een college als bedoeld in artikel 6.

HOOFDSTUK 3 — SAMENSTELLING EN INRICHTING VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 12

1 De leden van een adviescollege worden benoemd op grond van de deskundigheid die nodig is voor de advisering op het beleidsterrein waarvoor het adviescollege is ingesteld alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring.

2 Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een daaronder ressorterende instelling, dienst of bedrijf, worden niet benoemd tot lid van een adviescollege dat tot taak heeft te adviseren over onderwerpen waarbij zij in verband met hun werkzaamheden betrokken zijn.

3 Bij de benoeming van de voorzitters en bij de benoeming van de andere leden van adviescolleges wordt gestreefd naar evenredige deelneming aan adviescolleges van vrouwen en personen behorende tot etnische of culturele minderheidsgroepen.

HOOFDSTUK 3 — SAMENSTELLING EN INRICHTING VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 13

Leden van adviescolleges worden op eigen aanvraag door Onze Minister ontslagen. Zij kunnen voorts bij koninklijk besluit worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.

HOOFDSTUK 3 — SAMENSTELLING EN INRICHTING VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 14

Vervallen

HOOFDSTUK 3 — SAMENSTELLING EN INRICHTING VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 15

1 Een adviescollege heeft een secretaris.

2 De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor het adviescollege uitsluitend verantwoording schuldig aan het adviescollege.

3 Aan de secretaris kunnen andere medewerkers worden toegevoegd.

4 De secretaris en de andere medewerkers zijn geen lid van het adviescollege.

5 Na overleg met de voorzitter van het adviescollege sluit, wijzigt en beëindigt Onze Minister namens de Staat een arbeidsovereenkomst met de secretaris en de andere medewerkers.

HOOFDSTUK 3 — SAMENSTELLING EN INRICHTING VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 16

Een adviescollege kan ter voorbereiding van een of meer adviezen uit zijn midden commissies instellen.

HOOFDSTUK 3 — SAMENSTELLING EN INRICHTING VAN ADVIESCOLLEGES

Artikel 16a

De archiefbescheiden van een adviescollege als bedoeld in artikel 5, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, worden na zijn opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van Onze Minister.

HOOFDSTUK 4 — ADVISERING EN STANDPUNTBEPALING

Artikel 17

Een adviescollege adviseert op schriftelijk verzoek van Onze Minister of van een van beide kamers der Staten-Generaal.

HOOFDSTUK 4 — ADVISERING EN STANDPUNTBEPALING

Artikel 18

Een adviescollege kan Onze Minister uit eigen beweging adviseren. Van een voornemen daartoe stelt het adviescollege Onze Minister en de beide kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis.

HOOFDSTUK 4 — ADVISERING EN STANDPUNTBEPALING

Artikel 19

1 Een adviescollege kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren.

2 Een adviescollege kan zich doen bijstaan door andere personen, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

HOOFDSTUK 4 — ADVISERING EN STANDPUNTBEPALING

Artikel 20

1 Een adviescollege beraadslaagt en besluit in vergadering over de uit te brengen adviezen.

2 Over de uit te brengen adviezen wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste de helft van de leden.

3 De adviezen worden uitgebracht overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de ter vergadering aanwezige leden, waarbij elk lid één stem heeft.

4 Indien het nodig is over het besluit tot vaststelling van het advies bij wijze van stemming te beslissen, wordt dat besluit bij meerderheid van stemmen opgemaakt.

5 Indien de stemmen staken, wordt de besluitvorming aangehouden tot de volgende vergadering, tenzij de advisering niet uitgesteld kan worden of de vergadering voltallig is. In deze gevallen beslist de stem van de voorzitter. Van die omstandigheid wordt in het advies melding gemaakt.

6 Een lid dat ter vergadering een standpunt heeft ingebracht dat afwijkt van het gevoelen van de meerderheid, kan over dat standpunt een afzonderlijke nota bij het advies voegen.

HOOFDSTUK 4 — ADVISERING EN STANDPUNTBEPALING

Artikel 21

Een adviescollege kan zijn werkwijze nader vaststellen in een reglement van orde.

HOOFDSTUK 4 — ADVISERING EN STANDPUNTBEPALING

Artikel 22

Indien een advies wordt uitgebracht aan één van de kamers der Staten-Generaal, zendt het adviescollege een afschrift van het advies aan Onze Minister.

HOOFDSTUK 4 — ADVISERING EN STANDPUNTBEPALING

Artikel 23

1 Adviescolleges kunnen gezamenlijk advies uitbrengen en zijn daartoe verplicht, indien dat bij het adviesverzoek is verzocht.

2 De betrokken colleges regelen in onderling overleg hun werkwijze bij gezamenlijke advisering.

3 De betrokken colleges zijn gezamenlijk bevoegd voor het voorbereiden van een gezamenlijk advies een gemengde commissie uit hun midden in te stellen.

HOOFDSTUK 4 — ADVISERING EN STANDPUNTBEPALING

Artikel 24

1 Onze Minister stelt de beide kamers der Staten-Generaal binnen drie maanden na ontvangst in kennis van zijn standpunt over:

a. een door hem gevraagd en tijdig uitgebracht advies over een vast te stellen ministeriële regeling of over te voeren beleid;

b. een uit eigen beweging uitgebracht advies over hoofdlijnen van beleid.

2 Indien de vaststelling van het standpunt niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt, stelt Onze Minister de beide kamers der Staten-Generaal hiervan gemotiveerd in kennis.

HOOFDSTUK 5 — BEGROTING EN PROGRAMMERING

Artikel 25

Een adviescollege zendt jaarlijks voor 1 april aan Onze Minister een ontwerp voor de begroting voor het daaropvolgende kalenderjaar van de aan de taakvervulling door het adviescollege verbonden uitgaven.

HOOFDSTUK 5 — BEGROTING EN PROGRAMMERING

Artikel 26

1 Een adviescollege zendt Onze Minister jaarlijks voor 1 september een ontwerp voor een werkprogramma voor het volgende kalenderjaar. Onze Minister verstrekt het adviescollege daartoe tijdig een overzicht van de voornemens om advies te vragen.

2 In het werkprogramma wordt rekening gehouden met onvoorziene adviesverzoeken en met de bevoegdheid tot advisering uit eigen beweging.

3 Onze Minister stelt het werkprogramma vast en zendt dit jaarlijks op de derde dinsdag van september aan de beide kamers der Staten-Generaal.

4 Onze Minister kan het werkprogramma wijzigen.

HOOFDSTUK 5 — BEGROTING EN PROGRAMMERING

Artikel 27

Een adviescollege houdt bij het vervullen van zijn taak zoveel mogelijk rekening met het werkprogramma. Onverminderd de Comptabiliteitswet 2016 vervult het zijn taak met de middelen die ingevolge de desbetreffende begrotingswet ter beschikking zijn gesteld.

HOOFDSTUK 6 — VERSLAGLEGGING EN EVALUATIE

Artikel 28

1 Een adviescollege brengt jaarlijks voor 1 april verslag uit van zijn werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar.

2 Op verzoek van Onze Minister, maar ten minste elk vierde jaar, stelt het adviescollege een evaluatieverslag op waarin het aandacht besteedt aan zijn taakvervulling.

3 Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden gezonden aan Onze Minister. Het evaluatieverslag wordt tevens gezonden aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en aan de beide kamers der Staten-Generaal.

4 Onze Minister stelt de beide kamers der Staten-Generaal in kennis van zijn standpunt over het evaluatieverslag. Artikel 24 is daarbij van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 6 — VERSLAGLEGGING EN EVALUATIE

Artikel 29

Een adviescollege verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

HOOFDSTUK 6 — VERSLAGLEGGING EN EVALUATIE

Artikel 30

Onze Minister van Binnenlandse Zaken zendt elke vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

HOOFDSTUK 7 — OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 31

Wijzigt de Ambtenarenwet.

HOOFDSTUK 7 — OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 32

Wijzigt de Comptabiliteitswet.

HOOFDSTUK 7 — OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 33

Na de instelling van een adviescollege stelt Onze Minister voor dat college een werkprogramma vast voor het resterende deel van het kalenderjaar waarin het is ingesteld en, indien de instelling heeft plaatsgevonden na 31 augustus, tevens voor het daaropvolgende kalenderjaar. Artikel 26 is daarbij zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 7 — OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 34

1 Artikel 4 geldt tot en met 31 december 1997 niet ten aanzien van een adviescollege dat in 1996 voor bepaalde tijd is ingesteld.

2 Voor de toepassing van deze wet wordt een college als bedoeld in het eerste lid aangemerkt als een college als bedoeld in artikel 6, eerste lid.

HOOFDSTUK 7 — OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 35

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.

HOOFDSTUK 7 — OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 36

Deze wet wordt aangehaald als: Kaderwet adviescolleges.