wetzoeker

2 — Meetomstandigheden Regeling geluidproduktie sportmotoren

Meetomstandigheden

2.1. Algemeen

Tijdens de meting mag het A-gewogen geluiddrukniveau van andere geluidbronnen dan die van de sportmotor, waaronder het geluidsniveau van de wind, binnen een straal van 5 meter van de sportmotor niet hoger zijn dan 90 dB(A). Het in de vorige volzin bedoelde geluidsniveau wordt gecontroleerd door de vaststelling van het achtergrondgeluidsniveau voor en na de meting.

De bij de meting gebruikte microfoon mag worden voorzien van een geschikte windkap, mits rekening wordt gehouden met de invloed daarvan op de gevoeligheid en de richtkarakteristieken van de microfoon.

2.2. Meting aan de sportmotor

De meting geschiedt in een omgeving zonder storende reflecties. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan wanneer zich binnen een straal van twee meter van de microfoon geen voor de meting niet-noodzakelijke personen of voorwerpen bevinden.

De sportmotor is geplaatst op een bodem die uit hard materiaal bestaat, zoals beton, asfalt of tegels.

Indien de sportmotor is uitgerust met meer dan een uitlaat geschiedt de meting aan elke uitlaat.

Regeling
Regeling geluidproduktie sportmotoren
Afkortingen
Rgps
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-05-1996
BWB-id
BWBR0007977
Versie
1996-05-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl