Wet privatisering ABP
Wet van 21 december 1995, houdende privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds
- Soort
- Wet
- Geldend vanaf
- 04-06-2026
- Afkortingen
- ABP, WPA
- Rechtsgebied
- Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht, Pensioenrecht
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- BWB-id
- BWBR0007791
- Versie
- 2026-06-04_0
- SHA-256 bron
- 15ab167602109f6b3921c874aaf67247804a4ce694071eff1a5a0bf7dda83b33
Inhoud (82)
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 5
- Artikel 6
- Artikel 7
- Artikel 8
- Artikel 9
- Artikel 10
- Artikel 11
- Artikel 12
- Artikel 13
- Artikel 14
- Artikel 15
- Artikel 16
- Artikel 17
- Artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 20
- Artikel 21
- Artikel 22
- Artikel 23
- Artikel 24
- Artikel 25
- Artikel 26
- Artikel 27
- Artikel 28
- Artikel 29
- Artikel 30
- Artikel 31
- Artikel 32
- Artikel 32a
- Artikel 33
- Artikel 34
- Artikel 35
- Artikel 36
- Artikel 37
- Artikel 38
- Artikel 39
- Artikel 40
- Artikel 41
- Artikel 42
- Artikel 43
- Artikel 44
- Artikel 44a
- Artikel 45
- Artikel 46
- Artikel 47
- Artikel 48
- Artikel 49
- Artikel 50
- Artikel 51
- Artikel 52
- Artikel 53
- Artikel 54
- Artikel 55
- Artikel 56
- Artikel 57
- Artikel 58
- Artikel 59
- Artikel 60
- Artikel 61
- Artikel 62
- Artikel 63
- Artikel 64
- Artikel 65
- Artikel 66
- Artikel 66a
- Artikel 67
- Artikel 68
- Artikel 69
- Artikel 70
- Artikel 71
- Artikel 72
- Artikel 73
- Artikel 74
- Artikel 75
- Artikel 76
- Artikel 77
- Artikel 78
- Artikel 79
§ 1 — Algemeen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. vervallen;
b. ABP: het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, bedoeld in artikel L 1 van de Abp-wet;
c. Abp-wet: de Algemene burgerlijke pensioenwet;
d. vervallen;
e. ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in de artikelen B 1, B 2 en B 3 van de Abp-wet, alsmede degene die ambtenaar is ingevolge de krachtens artikel B 7, onderdeel b, van de Abp-wet gestelde regels, zoals deze luidden op 31 december 1995;
f. Amp-wet: de Algemene militaire pensioenwet;
g. B 3-lichaam: een privaatrechtelijk lichaam dat op 31 december 1995, op grond van artikel B 3 van de Abp-wet, was aangewezen of op grond van artikel U 2 van de Abp-wet geacht werd te zijn aangewezen als lichaam waarvan het personeel geheel of ten dele ambtenaar in de zin van de Abp-wet is;
h. vervallen;
i. vervallen;
j. nettopensioen: het nettopensioen, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
k. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
l. overheidspersoneel: de overheidswerknemers en de militairen, bedoeld in artikel A 1, eerste lid, van de Amp-wet, alsmede degenen die ingevolge het tweede lid van dat artikel daaronder worden begrepen, met inachtneming van artikel A 4 van die wet;
m. overheidswerkgever: ieder gezag of bestuur dat bevoegd is tot aanstelling of indienstneming en ontslag van een overheidswerknemer en voor de toepassing van de paragrafen 4, 9 en 10 de Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau;
n. overheidswerknemer: de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2;
o. vervallen;
p. de ROP: de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid;
q. sectorwerkgever:
1°. van het personeel dat werkzaam is in de sector Rijk: Onze Minister;
2°. van het personeel dat werkzaam is in de sector Defensie: Onze Minister van Defensie;
3°. van het personeel dat werkzaam is in de sector Politie: Onze Minister van Justitie en Veiligheid;
4°. van het personeel dat werkzaam is in de sector Rechterlijke Macht: Onze Minister van Justitie en Veiligheid;
5°. van het personeel dat werkzaam is in de sector Gemeenten: de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
6°. van het personeel dat werkzaam is in de sector Provincies: het Interprovinciaal Overleg;
7°. van het personeel dat werkzaam is in de sector Waterschappen: de Vereniging werken voor waterschappen;
8°. van personeel dat niet werkzaam is in een van de onder 1° tot en met 7° genoemde sectoren: (a). de sectorwerkgever van de sector waartoe de instelling waarbij het desbetreffende personeel werkzaam is, wordt gerekend, gelet op de aard van de werkzaamheid van die instelling, de arbeidsvoorwaarden of de financiële verhouding met een of meer overheids- of onderwijsinstellingen, of (b). de sectorwerkgever van de door Onze Minister aangewezen sector, of (c). een door Onze Minister aangewezen, met de onder 1° tot en met 7° genoemde sectorwerkgevers gelijk te stellen, ander gezag of andere instantie.
§ 1 — Algemeen
Artikel 2
1 Overheidswerknemer in de zin van deze wet is degene die:
a. bij een publiekrechtelijk lichaam is aangesteld of in dienst is genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en die deswege bezoldigd of beloond wordt rechtstreeks ten laste van een publiekrechtelijk lichaam;
b. in dienst is van een privaatrechtelijk lichaam dat zich het geven van onderwijs aan instellingen als bedoeld in dit onderdeel ten doel stelt, bezoldigd of beloond wordt rechtstreeks ten laste van dat lichaam en uit dien hoofde werkzaam is aan:
1°. een Nederlandse bijzondere instelling van wetenschappelijk onderwijs, een bijzondere instelling voor hoger beroepsonderwijs, een school, cursus, opleiding of andere instelling voor bijzonder onderwijs, indien de personeelskosten hiervan voor ten minste 51 procent door de overheid worden vergoed ingevolge een regeling houdende voorwaarden voor bekostiging, toegepast of tot stand gekomen onder verantwoordelijkheid van Onze Minister onder wiens departement de instelling ressorteert;
2°. een Nederlandse bijzondere instelling voor hoger beroepsonderwijs, een school, cursus, opleiding of andere instelling voor bijzonder onderwijs, die ingevolge wettelijke bepaling door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn aangewezen als bevoegd om aan de studenten of leerlingen op grond van met gunstig gevolg afgelegde examens dezelfde diploma’s of getuigschriften uit te reiken als die uitgereikt worden door overeenkomstige door de overheid bekostigde instellingen;
3°. een Nederlandse bijzondere basisschool of bijzondere speciale school voor basisonderwijs, een Nederlandse school voor bijzonder speciaal onderwijs of bijzonder voortgezet speciaal onderwijs, of een Nederlandse school of instelling voor bijzonder speciaal en voortgezet speciaal onderwijs - anders dan bedoeld onder 1° - waarvan het schoolwerkplan blijkens een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan het privaatrechtelijk lichaam op verzoek afgegeven beschikking voldoet aan het bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra bepaalde omtrent onderwijsactiviteiten of vakken, en aantal lesuren, voor zo lang dat lichaam voldoet aan de in deze beschikking op te nemen voorwaarden en bedingen;
c. in dienst is van een privaatrechtelijk lichaam dat zich het verlenen van ondersteuning van volwasseneneducatie ten doel stelt, bezoldigd of beloond wordt rechtstreeks ten laste van dat lichaam en uit dien hoofde werkzaam is aan een privaatrechtelijke ondersteuningsinstelling, waarvan de personeelskosten voor ten minste 51 procent door de overheid worden vergoed;
d. in dienst is van een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 68 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 69 van de Wet op de expertisecentra en artikel 3.34 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, waarvan de personeelskosten voor ten minste 51 procent ten laste van de overheidskassen door de scholen worden bekostigd;
e. in dienst van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en in dienst is van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
f. in dienst is van een B 3-lichaam;
g. die op 31 december 1995 ambtenaar in de zin van de Abp-wet is ingevolge artikel U 1 van die wet, dan wel op grond van artikel 65 van de Organisatiewet sociale verzekeringen, zoals dat artikel luidde op 31 december 1994, en wiens dienstverband op 1 januari 1996 niet is beëindigd.
2 In afwijking van het eerste lid zijn geen overheidswerknemer:
a. personen waarvan de dienstverhouding is ingegaan op of na het tijdstip waarop zij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt;
b. ministers, staatssecretarissen, gedeputeerden, wethouders en de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
c. voorzitters en leden van besturen van waterschappen, tenzij de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen en zij deswege bezoldigd of beloond worden rechtstreeks ten laste van het waterschap;
d. voorzitters en leden van besturen van andere publiekrechtelijke lichamen dan in onderdeel c genoemd, wier functie overwegend een vertegenwoordigend karakter draagt, tenzij de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen en zij deswege bezoldigd of beloond worden rechtstreeks ten laste van een publiekrechtelijk lichaam, niet zijnde een openbaar lichaam voor beroep en bedrijf als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet;
e. de gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
f. vervallen;
g. personen in dienst van de openbare lichamen voor beroep en bedrijf bedoeld in artikel 134 van de Grondwet;
h. personen in dienst van de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (T.N.O.);
i. de Nationale ombudsman en substituut-ombudsmannen;
j. de personen en groepen van personen die bij door Onze Minister te stellen regels, welke regels in overeenstemming met het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP worden vastgesteld, op grond van hun bijzondere arbeidsvoorwaarden of de bijzondere aard van hun werkzaamheden zijn aangewezen;
k. personen in dienst van een B 3-instelling ten aanzien van wie bij de aanwijzing, bedoeld in artikel B 3 van de Abp-wet, is bepaald dat zij geen ambtenaar in de zin van die wet zijn;
l. personen in dienst van een B 3-instelling waarvan de aanwijzing op of na 1 januari 1996 is of wordt ingetrokken, met ingang van de datum van die intrekking.
3 Tevens wordt als overheidswerknemer aangemerkt degene die in dienst is van:
a. de Stichting Pensioenfonds ABP;
b. een privaatrechtelijk lichaam dat tussen 31 december 1995 en het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet privatisering ABP in verband met de wijziging van de aanwijzingsvoorwaarden voor deelneming in het ABP (Stb. 2001, 537) door Onze Minister op grond van de doelstelling en financiële verhouding tot een of meer publiekrechtelijke lichamen is aangewezen als lichaam waarvan de werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP of dat daartoe vóór het genoemde tijdstip van inwerkingtreding het verzoek had gedaan;
c. een privaatrechtelijk lichaam, waarvan de arbeidsvoorwaarden van de werknemers van dat lichaam overeenkomen met de arbeidsvoorwaarden van het personeel dat werkzaam is in een van de sectoren genoemd in artikel 1, onder q, onderdeel 1 tot en met 8, dat tussen 16 november 2001 en het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet privatisering ABP in verband met het schrappen van de aanwijzingsbevoegdheid om een privaatrechtelijk lichaam als lichaam waarvan de werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP (Stb. 2014, 143), door Onze Minister is aangewezen als lichaam waarvan de werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP.
4 Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij ministeriële regeling bepalen dat onderdelen van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers en onderdelen van de arbeidsvoorwaarden van een sector, voor de vergelijking die volgt uit de toepassing van het derde lid, onder c, buiten beschouwing blijven.
5 Voor de toepassing van de paragrafen 4, 9 en 10, alsmede van artikel 57 wordt tevens als overheidswerknemer aangemerkt degene die behoort tot het personeel van de Koninklijke Hofhouding, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet gevolgen privatisering ABP voor het personeel van de Koninklijke Hofhouding.
§ 1 — Algemeen
Artikel 3
1 Een aanwijzing op grond van artikel B 3 van de Abp-wet wordt aangemerkt als een aanwijzing ingevolge artikel 2, derde lid, onderdeel b.
2 Onze Minister kan, gehoord het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP en de Nederlandsche Bank N.V., een aanwijzing uiterlijk voor het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid, intrekken indien het lichaam niet meer voldoet aan een of meer van de gestelde voorwaarden of aan de eisen als bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b, onderscheidenlijk c.
3 Indien aan het vijfde lid toepassing wordt gegeven, is artikel 22, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 2 — De pensioenen van het overheidspersoneel en de Stichting Pensioenfonds ABP
Artikel 4
1 De aanspraken van overheidswerknemers, gewezen overheidswerknemers en hun nagelaten betrekkingen ter zake van pensioenen, alsmede hun daarmee samenhangende verplichtingen, worden neergelegd in een overeenkomst naar burgerlijk recht.
2 De meerderheid van de sectorwerkgevers en de meerderheid van de centrales van overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid, zijn na 1 januari 1997 bevoegd tot het wijzigen of vervangen van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst.
3 De overheidswerkgevers en overheidswerknemers zijn gebonden aan de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, en verplicht tot naleving van hetgeen te hunnen aanzien is bepaald in de statuten en reglementen van het pensioenfonds of in een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in de Pensioenwet, gesloten met een verzekeraar.
4 Van de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, alsmede van een wijziging of vervanging daarvan, bedoeld in het derde lid, wordt door Onze Minister in de Staatscourant mededeling gedaan. De overeenkomst, een wijziging en een vervanging daarvan treden niet eerder in werking dan met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin daarvan mededeling is gedaan.
§ 2 — De pensioenen van het overheidspersoneel en de Stichting Pensioenfonds ABP
Artikel 5
1 Indien de sectorwerkgever en de meerderheid van de binnen de desbetreffende sector representatieve verenigingen van overheidspersoneel of centrales van overheidspersoneel gezamenlijk daartoe besluiten, kan, na intrekking van de verplichte deelneming overeenkomstig artikel 21, derde lid, de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor zover deze de eigen sector betreft, worden gesloten door die sectorwerkgever en de meerderheid van die verenigingen van overheidspersoneel of centrales van overheidspersoneel.
2 In overeenstemming met de desbetreffende sectorwerkgever en na het advies van de ROP hieromtrent te hebben ontvangen, bepaalt Onze Minister of een vereniging van overheidspersoneel die niet is aangesloten bij een centrale van overheidspersoneel, representatief is in een of meerdere sectoren.
3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de bevoegdheid met ingang van het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid, tot het sluiten van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde overeenkomst ten aanzien van B 3-lichamen en privaatrechtelijke lichamen als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, die met ingang van 1 januari 1996 of een latere datum tot de Stichting Pensioenfonds ABP zijn toegetreden.
§ 2 — De pensioenen van het overheidspersoneel en de Stichting Pensioenfonds ABP
Artikel 6
1 De Stichting Pensioenfonds ABP heeft tot doel om als bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in de Pensioenwet werkzaam te zijn ten behoeve van overheid, onderwijs en daarmee gelieerde privaatrechtelijke lichamen.
2 In de statuten van de Stichting Pensioenfonds ABP kan worden bepaald dat de stichting een ruimere doelstelling heeft dan die, bedoeld in het eerste lid.
§ 2 — De pensioenen van het overheidspersoneel en de Stichting Pensioenfonds ABP
Artikel 7
Vervallen
§ 2 — De pensioenen van het overheidspersoneel en de Stichting Pensioenfonds ABP
Artikel 8
Vervallen
§ 2 — De pensioenen van het overheidspersoneel en de Stichting Pensioenfonds ABP
Artikel 9
Vervallen
§ 3 — Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraken (algemeen)
Artikel 10
Vervallen
§ 3 — Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraken (algemeen)
Artikel 11
Vervallen
§ 3 — Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraken (algemeen)
Artikel 12
Vervallen
§ 3 — Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraken (algemeen)
Artikel 13
Vervallen
§ 3 — Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraken (algemeen)
Artikel 14
Vervallen
§ 3 — Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraken (algemeen)
Artikel 15
Vervallen
§ 3 — Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraken (algemeen)
Artikel 16
Vervallen
§ 4 — Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande aanspraken inzake invaliditeitspensioen
Artikel 17
Vervallen
§ 4 — Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande aanspraken inzake invaliditeitspensioen
Artikel 18
Vervallen
§ 4 — Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande aanspraken inzake invaliditeitspensioen
Artikel 19
Vervallen
§ 4 — Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande aanspraken inzake invaliditeitspensioen
Artikel 20
Vervallen
§ 5 — Verplichte deelneming in de Stichting Pensioenfonds ABP
Artikel 21
1 De overheidswerknemers zijn verplicht deel te nemen in de Stichting Pensioenfonds ABP tot het bedrag dat op grond van artikel 18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 tot het pensioengevend loon behoort.
2 De Stichting Pensioenfonds ABP heeft tot taak op verzoek van:
a. de sectorwerkgever, of
b. de overheidswerkgever, die overheidswerknemers in dienst heeft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, en derde lid, onder b, en c, vrijstelling voor het nettopensioen te verlenen van de nettopensioenregeling van de Stichting Pensioenfonds ABP of de verleende vrijstelling in te trekken. De Stichting Pensioenfonds ABP stelt de voorwaarden waaronder de vrijstelling wordt verleend of wordt ingetrokken vast, met dien verstande dat de aanspraken op een niet bij de Stichting Pensioenfonds ABP afgesloten regeling voor het nettopensioen ten minste gelijkwaardig zijn aan die van de Stichting Pensioenfonds ABP.
De onder a en b genoemde werkgevers zijn zonder vrijstelling verplicht de nettopensioenregeling van de Stichting Pensioenfonds ABP aan de overheidswerknemers aan te bieden.
3 Op een bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nader te bepalen tijdstip is de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 van toepassing. De verplichte deelneming in de Stichting Pensioenfonds ABP ingevolge het eerste lid wordt met ingang van die datum aangemerkt als een verplichte deelneming ingevolge de in de eerste volzin genoemde wet, welke deelneming alsdan met inachtneming van de in artikel 22, derde lid, geregelde voorwaarden of van artikel 23, tweede lid, overeenkomstig laatstbedoelde wet en de op basis daarvan gestelde regels kan worden gewijzigd of ingetrokken.
4 In afwijking van het derde lid zijn de artikelen 5, 6, 7, 14 en de daarop berustende ministeriële regeling, 17, 18, 19, 20, 39, zesde lid en 39a van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 van overeenkomstige toepassing met ingang van de datum waarop die wet in werking treedt tot het tijdstip bedoeld in het derde lid.
§ 5 — Verplichte deelneming in de Stichting Pensioenfonds ABP
Artikel 22
1 Tot het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid, kan, op het gezamenlijk verzoek van het bestuur van een B 3-lichaam of een privaatrechtelijk lichaam dat ingevolge artikel 2, derde lid, onderdeel b, is aangewezen als lichaam waarvan de werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP, en het personeel van dat lichaam, die aanwijzing door Onze Minister worden ingetrokken.
2 Het verzoek tot intrekking, bedoeld in het eerste lid, kan namens het personeel worden gedaan door de organisaties die het betrokken personeel vertegenwoordigen in het arbeidsvoorwaardenoverleg.
3 Intrekking van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, vindt slechts plaats indien de pensioenaanspraken van:
a. de werknemers van het betrokken lichaam;
b. de gewezen werknemers van het betrokken lichaam, voor zover zij na hun ontslag niet in dienst zijn getreden van een ander lichaam als bedoeld in artikel 2 of van een lichaam dat op basis van vrijwilligheid is aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds ABP, dan wel hun pensioenaanspraken tegenover het ABP of de Stichting Pensioenfonds ABP geheel teniet zijn gegaan ten gevolge van waarde-overdracht;
c. de gepensioneerde, gewezen werknemers van het betrokken lichaam;
d. de nabestaanden van de in de onderdelen a, b en c bedoelde werknemers;
door middel van collectieve waardeoverdracht worden ondergebracht bij een andere pensioenuitvoerder als bedoeld in de Pensioenwet, op zodanige wijze dat wordt voldaan aan de in die wet aan de collectieve waardeoverdracht gestelde eisen.
§ 5 — Verplichte deelneming in de Stichting Pensioenfonds ABP
Artikel 23
1 Op het gezamenlijke verzoek van de sectorwerkgever en de meerderheid van de binnen de desbetreffende sector representatieve verenigingen van overheidspersoneel of centrales van overheidspersoneel kan de verplichte deelneming van de desbetreffende sector in de Stichting Pensioenfonds ABP door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden ingetrokken met ingang van een datum die niet voor het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid, is gelegen.
2 Het derde lid van artikel 22 is van overeenkomstige toepassing.
§ 6 — Overgang van het vermogen van het ABP
Artikel 24
Vervallen
§ 6 — Overgang van het vermogen van het ABP
Artikel 25
Vervallen
§ 7 — Het personeel van het ABP
Artikel 26
Vervallen
§ 7 — Het personeel van het ABP
Artikel 27
Vervallen
§ 8
Artikel 28
Vervallen
§ 8
Artikel 29
Vervallen
§ 8
Artikel 30
Vervallen
§ 8
Artikel 31
Vervallen
§ 9
Artikel 32
Vervallen
§ 9
Artikel 32a
Vervallen
§ 9
Artikel 33
Vervallen
§ 9
Artikel 34
Vervallen
§ 9
Artikel 35
Vervallen
§ 9
Artikel 36
Vervallen
§ 9
Artikel 37
Vervallen
§ 9
Artikel 38
Vervallen
§ 9
Artikel 39
Vervallen
§ 9
Artikel 40
Vervallen
§ 9
Artikel 41
Vervallen
§ 9
Artikel 42
Vervallen
§ 9
Artikel 43
Vervallen
§ 9
Artikel 44
Vervallen
§ 9
Artikel 44a
Vervallen
§ 9
Artikel 45
Vervallen
§ 10
Artikel 46
Vervallen
§ 10
Artikel 47
Vervallen
§ 10
Artikel 48
Vervallen
§ 10
Artikel 49
Vervallen
§ 10
Artikel 50
Vervallen
§ 10
Artikel 51
Vervallen
§ 10
Artikel 52
Vervallen
§ 10
Artikel 53
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 54
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 55
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 56
Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt de Stichting Verbond Sectorwerkgevers Overheid aangemerkt als werkgeversvereniging.
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 57
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 58
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 59
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 60
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 61
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 62
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 63
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 64
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 65
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 66
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 66a
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 67
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 68
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 69
Wijzigt deze wet.
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 70
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 71
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 72
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 73
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 74
1 Het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP verstrekt aan Onze Minister de statistische informatie die deze nodig heeft in verband met zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het overheidspersoneelsbeleid.
2 Over deze informatieverstrekking worden door Onze Minister en het bestuur nadere afspraken gemaakt.
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 75
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 76
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 77
Vervallen
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 78
1 Deze wet treedt wat betreft de artikelen 4, tweede en zesde lid, 6, 10 tot en met 16, 17, derde lid, 24, derde lid, 25 tot en met 31, 46, 48 en 53 in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt wat deze artikelen betreft terug tot en met 1 augustus 1995.
2 De overige artikelen van deze wet treden in werking met ingang van 1 januari 1996.
§ 11 — Overige en slotbepalingen
Artikel 79
Deze wet wordt aangehaald als: Wet privatisering ABP.