wetzoeker

Keuze van maatregelen Sanering spoorweglawaai bij de uitvoering van Rail-21-projecten

De keuze van bronmaatregelen zal zich alleen voordoen bij de aanwezigheid van kunstwerken die in de omgeving veel hinder veroorzaken. Het zal in de meeste gevallen echter niet voldoende zijn om het saneringsprogramma te beperken tot die bronmaatregelen. In vrijwel alle gevallen zal de spoorbaan zelf ook bijdragen tot een te hoge geluidsbelasting. Bij het treffen van bronmaatregelen zal dus vrijwel altijd sprake zijn van aanvullende afschermende voorzieningen of gevelmaatregelen. De vraag of bronmaatregelen voor een bepaalde situatie haalbaar zijn wordt bepaald door het antwoord op drie vragen:

– wat is de aanwezige geluidsbelasting?

– wat is de afname die gerealiseerd kan worden met de bronmaatregelen?

– wat is de benodigde financiële bijdrage ten laste van de sanering?

– hoeveel saneringswoningen betreft het?

In principe moeten deze gegevens getoetst worden met de rekenbedragen voor bronmaatregelen uit bijlage A van het Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer (zie bijlage 1). Deze rekenbedragen zijn echter niet op vervangingsprojecten afgestemd zodat hiervoor, zolang er nog geen aangepaste tabel is, van deze toets moet worden afgeweken op basis van artikel 19 lid 4 van het genoemde bijdragenbesluit.

Indien bronmaatregelen niet mogelijk zijn of de kosten de doelmatigheidsgrens overschrijden, zal de geluidhinder vanwege het kunstwerk alleen nog via gevelmaatregelen kunnen worden teruggebracht.

In de meeste saneringssituaties is geen kunstwerk aanwezig dat extra maatregelen behoeft en zal de keuze alleen bestaan uit maatregelen in de overdracht of aan de woningen. De werkwijze voor de bepaling van de maatregelen zal dan als volgt dienen te zijn:

1. Ga in de eerste plaats uit van een geluidscherm als maatregel. Aan het scherm moeten als eisen worden gesteld dat ter hoogte van de begane grond van de eerstelijns bebouwing de reductie minimaal circa 10 dB(A) bedraagt en de geraamde kosten als doelmatig aangemerkt kunnen worden. Dit wordt getoetst op basis van een berekening van de maximale schermkosten volgens het rekenblad in bijlage 2. Met het scherm dient in eerste plaats natuurlijk een zo groot mogelijke reductie nagestreefd te worden, maar met een toenemende hoogte van het scherm stijgen uiteraard ook de kosten, waarmee de haalbaarheid in het geding komt. In de praktijk wordt derhalve vaak gestreefd naar zoveel mogelijk alle geluidsbelastingen onder de 65 dB(A) te brengen, maar dit is op zich geen vaststaand doel. Gelet op het feit dat 73 dB(A) de maximum toelaatbare waarde in het BGS (niet sanering) is, zal in ieder geval zo veel mogelijk moeten worden voorkomen dat na schermplaatsing nog waarden van meer dan 73 dB(A) resteren. Het rekenblad van bijlage 2 houdt hier ook rekening mee.

Indien het scherm niet haalbaar blijkt dient onderzocht te worden of het in aangepaste vorm wel haalbaar is. Daarbij moet echter voorkomen worden dat er een ’gatenkaas’ ontstaat. Het heeft voor de bestrijding van de geluidhinder geen zin om een scherm te vervangen door een aantal korte stukje met gaten ertussen. Een lengte van 100 m kan in dit kader nog als kort beschouwd worden. Ook zijn de kosten van de aanleg van een wal in de meeste gevallen aanzienlijk lager dan het plaatsen van een scherm, zodat die optie ook zeker aandacht verdient. Hierbij dient uiteraard wel rekening te worden gehouden met de ruimte die voor de aanleg van een wal noodzakelijk is, hoewel er wel technische hulpmiddelen bestaan om de wal steiler te maken en daarmee het grondbeslag kleiner.

2. Indien het met toepassing van de eisen van punt 1. niet mogelijk is via afscherming de geluidsbelasting voldoende te reduceren dienen gevelmaatregelen te worden onderzocht. In plaats van het scherm of aanvullend op wel haalbare gedeelten daarvan dient onderzocht te worden welke woningen gevelisolatie nodig hebben (binnen meer dan 45 dB(A)). Voor die woningen dienen de kosten geraamd te worden. Indien de kosten meer bedragen dan de om financiële redenen afgewezen schermvariant dan kan die schermvariant daarmee als wel doelmatig worden aangemerkt, waardoor een bijdrage voor dat scherm wel mogelijk is.

3. Na stap 1. en 2. is in principe duidelijk hoe het pakket maatregelen zou moeten zijn samengesteld. Het is echter zeer wel mogelijk dat lokaal bijzondere eisen gesteld moeten worden aan de voorzieningen waardoor bijvoorbeeld een scherm van de vereiste afmetingen niet mogelijk is. In dat geval zullen aanvullend op het beperktere scherm gevel maatregelen moeten worden getroffen. In deze situatie dienen een aantal zaken in de gaten worden gehouden:

– het scherm moet ter hoogte van de begane grond van de eerstelijns bebouwing een reductie blijven halen van circa 10 dB(A);

– het scherm moet blijven voldoen aan de doelmatigheidstoets (rekenblad in bijlage 2);

– de totale kosten ten laste van de sanering voor de variant met gevelmaatregelen in plaats van een (gedeelte van het) scherm mogen niet meer bedragen dan die in de volledige schermvariant;

– voor het verkrijgen van een bijdrage is een goede onderbouwing van de afwijkende keus noodzakelijk.

Regeling
Sanering spoorweglawaai bij de uitvoering van Rail-21-projecten
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
07-12-1995
BWB-id
BWBR0007665
Versie
1995-12-07_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl