3.3 — Criteria voor q.q.-nevenfuncties Nevenfunctie-circulaire 1995
Criteria voor q.q.-nevenfuncties
De belangrijkste wijziging ten opzichte van de oude Provinciewet betreft het reguleren van de afdracht van de vergoedingen uit q.q.-nevenfuncties van commissarissen en gedeputeerden. De mogelijkheid van een vergoeding voor nevenfuncties die worden vervuld in verband met de persoonlijke bekwaamheid of interesse van betrokkenen (de niet-q.q.-nevenfuncties) ondergaat geen verandering.
De algemene regel ten aanzien van vergoedingen uit q.q.-nevenfuncties is neergelegd in de artikelen 43, vijfde lid, en 65, vijfde lid, van de Provinciewet:
'De gedeputeerden/De commissaris geniet(en) geen vergoedingen, in welke vorm ook, voor werkzaamheden, verricht in nevenfuncties die zij vervullen/welke hij vervult uit hoofde van het ambt van gedeputeerde/zijn ambt, ongeacht of die vergoedingen ten laste van de provincie komen of niet. Indien deze vergoedingen worden uitgekeerd, worden zij gestort in de provinciale kas.'
De dragende gedachte achter deze bepaling is de volgende. De werkzaamheden verricht in de q.q.-nevenfuncties kunnen geacht worden te behoren tot de normale taakvervulling in het kader van de hoofdfunctie, i.c. het ambt van commissaris of het ambt van gedeputeerde. Uit de provinciale kas wordt een bezoldiging toegekend voor alle in het kader van die normale taakvervulling te verrichten werkzaamheden. Het is om die reden niet wenselijk voor het vervullen van de q.q.-nevenfuncties een afzonderlijke honorering toe te kennen. Ter uitwerking van dit uitgangspunt zijn meer specifieke criteria nodig om te bepalen of in concreto van een q.q.-nevenfunctie sprake is.
Bij de parlementaire behandeling van het gelijkluidende artikel in de Gemeentewet, artikel 44, in de Eerste Kamer (Handelingen I, 11 februari 1992, p. 17583/17584), zei de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken:
'In het algemeen kan worden gesteld dat iemand ambtshalve een functie vervult wanneer de nevenfunctie is gekoppeld aan het vervullen van de functie van wethouder of burgemeester. Consequentie van die koppeling is dat iemand die functie moet neerleggen wanneer hij of zij ophoudt wethouder of burgemeester te zijn. Dat zal vaak tot uitdrukking komen in formele regelingen. (....) Wanneer de regeling op grond waarvan de nevenfunctie wordt vervuld geen aanknopingspunt biedt, zal moeten worden nagegaan of betrokkene de nevenfunctie kan blijven vervullen als hij geen wethouder of burgemeester meer is. Als hij de functie kan blijven vervullen is er geen sprake meer van een nevenfunctie die ambtshalve wordt vervuld.'
Op grond van het bovenstaande zijn de volgende criteria van belang om te bepalen of een bepaalde nevenfunctie een q.q.-nevenfunctie is:
– er is een aantoonbaar belang voor de provincie dat de nevenfunctie door een provinciebestuurder wordt vervuld. De gedeputeerde of de commissaris bekleedt de nevenfunctie in dat geval uit hoofde van zijn ambt. Er dient m.a.w. sprake te zijn van een directe of indirecte vorm van behartiging van de belangen van de provincie;
– de nevenfunctie is gekoppeld aan de inhoud en de duur van het ambt, m.a.w. de nevenfunctie moet worden neergelegd bij de beëindiging van het ambt van gedeputeerde of commissaris. Of dit het geval is zal in laatste instantie uit de feitelijke context moeten blijken; wat statuten of de oprichtingsakte van (nuts)bedrijven, stichtingen en instellingen hierover zeggen is niet alleen maatgevend. Ook al stellen de statuten of de oprichtingsakte geen eisen, maar blijkt in de praktijk dat commissariaten of bestuursfuncties van een (nuts)bedrijf, stichting of instelling worden vervuld door bijvoorbeeld gedeputeerden van een (deelnemende) provincie(s)
1 Met 'deelnemende provincies' wordt het volgende bedoeld:
bij (nuts)bedrijven, stichtingen en instellingen opgericht bij of voortvloeiend uit een gemeenschappelijke regeling: de provincies die de regeling hebben ingesteld of naderhand zijn toegetreden;
bij de overige (nuts)bedrijven: de provincies of het verband van provincies die door middel van een meerderheid van aandelen deelnemen in het bedrijf;
bij de overige stichtingen en instellingen: de provincies die zijn gelegen binnen het verzorgingsgebied en de stichting of instelling.
, dan is in die gevallen sprake van een q.q.-nevenfunctie.
Aan de hand van een of beide van deze criteria zal in verreweg de meeste gevallen uitsluitsel kunnen worden gegeven over de vraag of van een q.q.-nevenfunctie sprake is. Ik ben mij ervan bewust dat zich in de praktijk situaties kunnen voordoen waarin ook deze criteria niet tot volstrekte duidelijkheid leiden. In die gevallen acht ik het gewenst dat wordt overlegd met provinciale staten of met een commissie uit provinciale staten, om tot een afgewogen oordeel te komen dat recht doet aan de bedoeling van de wetgever. Met het oog daarop kan tevens advies worden ingewonnen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken
2 In de bijlage zijn voorbeelden van q.q.-nevenfuncties en niet-q.q.-nevenfuncties opgenomen. Die zijn mede gebaseerd op vragen die aan Binnenlandse Zaken zijn voorgelegd.
.
Wellicht ten overvloede wordt vermeld dat voor gedeputeerden geen ontheffingsmogelijkheid bestaat, zoals wel is geregeld voor wethouders van gemeenten onder de 18.000 inwoners in artikel 44, vijfde lid, van de Gemeentewet. Dit vijfde lid is tijdens de parlementaire behandeling bij nota van wijziging ingevoerd (Kamerstukken II 1988/89, 19403, nr. 11, p. 2) om tegemoet te komen aan de suggestie van de VVD om voor de deeltijd-wethouders in de gemeenten onder de full-timegrens een ontheffingsmogelijkheid in te voeren (Kamerstukken II, 1988/89, 19403, nr. 10, p. 154). Dit hangt samen met het feit dat in gemeenten onder de 18.000 inwoners het wethouderschap een tijdsbestedingsnorm kent van minder dan 100%, en sommige q.q.-nevenfuncties in de zgn. eigen tijd moeten worden verricht. Op basis van artikel 36 van de Gemeentewet en artikel 35 van de Provinciewet kunnen deeltijd-wethouders en deeltijd-gedeputeerden worden benoemd. De ontheffingsmogelijkheid is op deze deeltijd-wethouder en deeltijd-gedeputeerde niet van toepassing.
- Regeling
- Nevenfunctie-circulaire 1995
- Soort
- Circulaire
- Geldend vanaf
- 16-03-1995
- BWB-id
- BWBR0007269
- Versie
- 1995-03-16_0