wetzoeker

Commissarissen van de Koningin – Nevenfunctie-circulaire 1995

Het voorkomen van de schijn van belangenverstrengeling door degene die het ambt van commissaris vervult is de reden geweest om in artikel 66 van de Provinciewet op te nemen, dat het voornemen van aanvaarding van een niet-ambtshalve nevenfunctie door de commissaris in de betrokken provincie bekend dient te zijn. Met een melding aan provinciale staten wordt daarin voorzien. Publiekelijk moet kunnen worden beoordeeld of de nevenfunctie al dan niet tot strijdigheid van belangen aanleiding kan geven. Ten aanzien van de nevenfuncties die de commissaris vervult uit hoofde van zijn ambt (de zgn. q.q.-nevenfuncties, zie paragraaf 3.3.), is er geen meldingsplicht, omdat provinciale staten voor dit soort functies de commissaris aanwijzen als vertegenwoordiger van de provincie of omdat provinciale staten uit andere hoofde reeds over deze functies zijn geïnformeerd.

De tekst van artikel 66, derde lid, noopt strikt genomen niet tot openbaarmaking van alle nevenfuncties. Niettemin lijkt bestendiging en, waar nodig, uitbreiding van de praktijk dat commissarissen jaarlijks een overzicht publiceren in het provinciaal publicatieblad van al hun nevenfuncties, met daarbij de vermelding van het tijdsbeslag en de aanduiding 'bezoldigd/niet bezoldigd', mij een juiste lijn. Daarnaast blijft het gewenst dat een actuele lijst van nevenfuncties ter inzage wordt gelegd in het provinciehuis opdat een ieder deze kan raadplegen.

Regeling
Nevenfunctie-circulaire 1995
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
16-03-1995
BWB-id
BWBR0007269
Versie
1995-03-16_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl