wetzoeker

Artikel 3.27 Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas

Optische tekens van schepen

1 Een in bedrijf zijnd drijvend werktuig en een schip dat in het vaarwater werken uitvoert dan wel peilingen of metingen verricht moeten voeren:

a. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:

twee groene heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;

b. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:

een rood rondom schijnend licht op dezelfde hoogte als het bovenste van de onder a voorgeschreven groene lichten en van dezelfde lichtsterkte als die lichten;

of, in het geval dat deze schepen tevens tegen hinderlijke waterbeweging beschermd willen worden:

c. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:

een rood helder of gewoon rondom schijnend licht en een wit helder of gewoon rondom schijnend licht in een verticale lijn, met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het bovenste rood en het onderste wit;

d. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:

een rood rondom schijnend licht op dezelfde hoogte als het onder c voorgeschreven rode licht en van dezelfde lichtsterkte als dit licht.

Deze lichten moeten zijn aangebracht op een zodanige hoogte, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.

2 Een vastgevaren of gezonken schip moet de bij het eerste lid onder c en d voorgeschreven lichten voeren. Indien een gezonken schip zodanig ligt dat daarop de lichten niet kunnen worden aangebracht, moeten deze op roeiboten of op een andere doelmatige wijze zijn geplaatst.

3 De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de verplichting tot het voeren van de bij het eerste lid voorgeschreven lichten.

Regeling
Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas
Soort
KB
Geldend vanaf
01-01-2013
BWB-id
BWBR0006618
Versie
2013-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl