wetzoeker

Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de advisering over en inning van kinderalimentaties

Wet van 30 september 1993, tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de advisering over en inning van kinderalimentaties

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-03-1994
Rechtsgebied
Echtscheiding, Personen- en familierecht
Ministerie
Veiligheid en Justitie
BWB-id
BWBR0006164
Versie
1994-03-01_0
SHA-256 bron
64a8d9b4cb0573cdc6cbf1b534945cccc40fa83b4f710826a8470e27c94906e7

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (5)
  1. Artikel I
  2. Artikel II
  3. Artikel III
  4. Artikel IV
  5. Artikel V

Artikel I

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel II

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel III

Indien het bij koninklijke boodschap van 8 januari 1992 ingediende voorstel van wet tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht tot wet is verheven en in werking is getreden, vervalt onderdeel B van artikel II, zodra het tot wet is verheven; In het eerste lid van artikel 810 van de Zesde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt alsdan na "minderjarigen" ingevoegd: , uitgezonderd die welke zijn levensonderhoud betreffen.

Overgangsbepalingen

Artikel IV

1 De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingevolge het tot dan toe geldende artikel 408 bestaande betaalbaarstellingen aan de raad voor de kinderbescherming die op dat tijdstip achterstallig zijn, gelden als invorderingen op verzoek van een onderhoudsgerechtigde, waarop artikel 408 van toepassing is. In afwijking van het zesde lid van artikel 408, wordt deze invordering op verzoek van de onderhoudsplichtige beëindigd, nadat gedurende ten minste drie maanden is betaald aan de raad voor de kinderbescherming.

2 De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingevolge het tot dan toe geldende artikel 408 bestaande betaalbaarstellingen aan de raad voor de kinderbescherming die op dat tijdstip niet achterstallig zijn, worden binnen drie maanden na dat tijdstip beëindigd. Van deze beëindigingen worden de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtige in kennis gesteld.

3 Gedurende drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijven de tot dat tijdstip tot inning bevoegde raden voor de kinderbescherming bevoegd met de inning verband houdende werkzaamheden te verrichten voor zover noodzakelijk op grond van het eerste en tweede lid.

4 Ter gelegenheid van de eerste aanwijzing op grond van artikel 408, tweede lid, wijst Onze Minister van Justitie eveneens aan op welke raad voor de kinderbescherming alle bevoegdheden overgaan ter zake van de inning van kinderalimentaties, welke toekomen aan de raad voor de kinderbescherming waarvoor de inning op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet eindigt. In procedures op grond van het tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende artikel 408 waarin een tot dat tijdstip bevoegde raad voor de kinderbescherming eisende of verwerende optreedt, treedt de door Onze Minister van Justitie aangewezen raad in zijn plaats.

Overgangsbepalingen

Artikel V

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.