wetzoeker

Artikel 6 Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992

Wijze van heffing

1 De belasting moet op aangifte worden voldaan.

2 In afwijking van artikel 10, tweede lid, en artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen:

a. moet de belasting, indien deze verschuldigd is:

1°. ter zake van de inschrijving van een personenauto, motorrijwiel of bestelauto, worden betaald voordat het motorrijtuig is ingeschreven;

2°. ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg, worden betaald vóór de aanvang van dat gebruik;

b. wordt de aangifte gelijktijdig met de betaling gedaan.

3 In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, onder 2°, behoeft, ingeval de eenheid van de Belastingdienst waar aangifte moet worden gedaan ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg, gesloten is op de dag waarop dan wel op de dag vóórdat het gebruik aanvangt, de belasting pas te worden betaald op de eerste dag waarop die eenheid na de aanvang van het gebruik is geopend.

4 Indien in een geval als bedoeld in het derde lid, degene die de feitelijke beschikking heeft over een niet-ingeschreven personenauto, motorrijwiel of bestelauto bij controle door ambtenaren van de rijksbelastingdienst of door opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering niet aannemelijk maakt dat de belasting is betaald, dient de belasting terstond te worden betaald.

5 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder inschrijving mede verstaan de herinschrijving van het motorrijtuig.

Regeling
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
Afkortingen
BPM
Soort
Wet
Geldend vanaf
01-01-2026
BWB-id
BWBR0005806
Versie
2026-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl