wetzoeker

Artikel 10.3e1 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Het bestuur en de inrichting van de hogeschool

1 Onze Minister kan de raad van toezicht een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:

a. een of meer organen van een instelling als bedoeld in artikel 1.8 tekortschieten in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;

b. uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in artikel 10.3e, tweede lid, volgt; en

c. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed.

2 Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.

3 De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

4 De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldingsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

5 Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid.

6 Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.

Regeling
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Afkortingen
WHW
Soort
Wet
Geldend vanaf
01-08-2026
BWB-id
BWBR0005682
Versie
2026-08-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl