wetzoeker

Artikel 426 Burgerlijk Wetboek Boek 8

Overeenkomst van goederenvervoer over zee

1 In geval van tijd- of reisbevrachting eindigt de overeenkomst met het vergaan van het schip. In geval van langdurige tijdingloosheid wordt vermoed, dat het schip is vergaan te 2400 uur Universele Tijd van de dag, waarop het laatste bericht is ontvangen.

2 Ten aanzien van reeds ten vervoer ontvangen zaken wordt vermoed, dat het vergaan van het schip is te wijten aan een omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter komt; voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden, die in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn rekening komen.

3 Vervoert de vervrachter ondanks het vergaan van het schip zaken die reeds aan boord waren ontvangen alsnog naar hun bestemming, dan wordt in geval van reisbevrachting dit vervoer vermoed op grond van de oorspronkelijke overeenkomst plaats te vinden.

4 De vervrachter verwittigt de bevrachter zo spoedig als dit mogelijk is.

5 Het derde, het vierde en het vijfde lid van artikel 398 zijn van toepassing.

Regeling
Burgerlijk Wetboek Boek 8
Afkortingen
BW, BW Boek 8, BW8
Soort
Wet
Geldend vanaf
01-07-2026
BWB-id
BWBR0005034
Versie
2026-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl