Criminele antecedenten 2 Vaststelling Richtlijnen 1986 voor beoordelen oprichtingen en statutenwijzigingen van n.v.'s en b.v.'s met beperkte aansprakelijkheid
Overzicht van de voor de misbruiktoets relevante criminele respectievelijk financiële antecedenten (zie paragraaf 1)
Onder criminele antecedenten, op basis waarvan tot het oordeel kan worden gekomen dat de morele betrouwbaarheid of integriteit in het geding is, en die in beginsel kunnen leiden tot weigering van een verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een vennootschap, worden in ieder geval de volgende omstandigheden verstaan:
A. Veroordelingen
De betrokken persoon is bij rechterlijke uitspraak, uitgesproken in de acht jaren voorafgaand aan de dagtekening van de aanvraag, dan wel na die datum doch voor de beslissing op de aanvraag, veroordeeld terzake van één of meer van de hieronder opgesomde strafbare feiten:
Wetboek van Strafrecht: de artikelen: 135 bis (mislukte poging), 140 (deelneming aan misdadige organisatie), 174, 175 (opzettelijke verkoop van schadelijke waren), 177, 179 (omkoping van ambtenaar etc.), 188 (valse aangifte), 198 (onttrekking goederen aan beslag), 207 (meineed), 208 t/m 214 (valsemunterij etc.), 225 t/m 232 (valsheid in geschrift), 239 t/m 250ter (zedenmisdrijven), 272, 273 (schending ambtsgeheimen, bedrijfsgeheimen), 274 (slavenhandel), 285 (bedreiging), 287 t/m 294 (levensdelicten), 300 t/m 306 (mishandeling), 307 t/m 309 (dood door schuld), 310, 311, 312 (diefstal), 317, 318 (afpersing), 321, 322, 323 (verduistering), 326, 326a (oplichting en flessentrekkerij), 327, 328 (bedrog tegen verzekering), 328bis (steekpenningen), 329 t/m 332, 335, 336 (diverse vormen van bedrog), 337 (valse handelsnaam of merk), 340 t/m 345 (bankbreuk), 347 (met statuten strijdige handeling), 418 (onttrekking van goed aan beperkt rechthebbende), 416, 417, 417bis (heling), 442 (eigenmachtig handelen tijdens surseance);
Opiumwet: artikel 10, tweede, derde, vierde en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, tweede en derde lid (misdrijven);
Wet economische delicten: artikel 1, onder 1° en 2°, artikel 1a onder 1° en 2° voor zover zij opzettelijk zijn begaan (m.u.v. Distributiewet 1939), artikel 1, onder 5°, en 3°, voor zover zij in de desbetreffende voorschriften als misdrijf zijn aangemerkt (misdrijven);
Wet wapens en munitie: art. 9, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, 31, eerste lid (misdrijven).
Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer aldaar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde feiten.
B. Transactie met het openbaar ministerie
De betrokken persoon heeft een vrijwillige betaling als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan terzake van één of meer van de hiervoor onder A genoemde strafbare feiten.
C. Dagvaarding
Aan de betrokken persoon is als verdachte terzake van één of meer van de hiervoor onder A genoemde feiten een dagvaarding uitgereikt, terwijl de rechter daarover nog geen uitspraak heeft gedaan.
D. Sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging
De betrokken persoon wordt terzake van één of meer van de hiervoor onder A genoemde strafbare feiten niet (verder) vervolgd, om een andere reden dan ongefundeerdheid van de gerezen verdenking, dan wel vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.
E. Andere feiten of omstandigheden
Andere bekende en relevante feiten, de betrokken persoon betreffende, voor zover die blijken uit door de politie opgemaakte processen-verbaal of rapporten, die een (vermoedelijke) ernstige inbreuk op de rechts- of de betreffen en waaruit ernstige twijfel aan de betrouwbaarheid of integriteit van betrokkene kan worden afgeleid.
- Regeling
- Vaststelling Richtlijnen 1986 voor beoordelen oprichtingen en statutenwijzigingen van n.v.'s en b.v.'s met beperkte aansprakelijkheid
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 15-10-1998
- BWB-id
- BWBR0003881
- Versie
- 1998-10-15_0