wetzoeker

Artikel 42 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945

Ingang en einde van de uitkering, toeslagen en bijzondere voorzieningen

1 De uitkeringsgerechtigde, die is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van drie maanden, tot plaatsing in een Rijkswerkinrichting of tot enige zwaardere straf, of op bevel van de rechter ter beschikking van de Regering is gesteld, mist over de tijd gedurende welke hij zijn straf ondergaat of van regeringswege in zijn verpleging wordt voorzien, of gedurende welke hij zich door de vlucht aan de tenuitvoerlegging van het vonnis onttrekt, het genot van de uitkering.

2 De Sociale verzekeringsbank is bevoegd het uitkeringsbedrag over die tijd geheel of ten dele aan of ten behoeve van de echtgenoot of minderjarige kinderen van de uitkeringsgerechtigde uit te betalen.

3 De Sociale verzekeringsbank is tevens bevoegd om, voor zover van de bevoegdheid in het tweede lid bedoeld, geen gebruik is gemaakt, de uitkeringsgerechtigde die al of niet voorwaardelijk uit de gevangenis of uit de Rijkswerkinrichting is ontslagen, of wiens verpleging van regeringswege is beëindigd, in het genot te stellen van een uitkering, ten bedrage van ten hoogste de helft van het niet uitgekeerde bedrag, tot een maximum van de helft van het jaarlijkse bedrag van de uitkering.

Regeling
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Afkortingen
WUBO
Soort
Wet
Geldend vanaf
01-07-2026
BWB-id
BWBR0003664
Versie
2026-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl