wetzoeker

Artikel 4 Wet beëindiging financiële verhouding tussen Staat en Kerk

De staat zal het nodige verrichten om te bevorderen dat in de in artikel 6 bedoelde wet bepalingen van de volgende strekking worden opgenomen:

1. Alle rechten, welke op artikel D1 onder e van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet zouden kunnen worden gebaseerd, vervallen, voor zover hierna niet anders wordt bepaald.

2. Aanspraken van ambtenaren, gewezen ambtenaren en gepensioneerde ambtenaren, alsmede van weduwen en wezen van ambtenaren, gewezen ambtenaren en gepensioneerde ambtenaren op de medetelling van voor diensttijd in aanmerking komende tijd, gebaseerd op artikel D1, onder e, van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet en bestaande op de dag van het van kracht worden van deze overeenkomst, blijven onverlet.

3. Voor de berekening van de pensioenen van degenen, die nadien de hoedanigheid van ambtenaar in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet verkrijgen, worden kerkelijke dienstjaren, vervuld tot de dag van het van kracht worden van de overeenkomst en als zodanig geadministreerd door het Ministerie van Financiën medegeteld als voor diensttijd in aanmerking komende tijd, waarbij in kerkelijke betrekkingen doorgebrachte tijd ook indien niet ingevolge het vorenstaande voor medetelling in aanmerking komende, niet geldt als "onderbreking" in de zin van artikel F1, tweede lid, onder a, van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet.

Regeling
Wet beëindiging financiële verhouding tussen Staat en Kerk
Soort
Wet
Geldend vanaf
01-01-1994
BWB-id
BWBR0003640
Versie
1994-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl