wetzoeker

Wet verlening van vorderingsbevoegdheid in verband met verontreiniging van gronden in Lekkerkerk

Wet van 4 juni 1980, houdende verlening van vorderingsbevoegdheid in verband met verontreiniging van gronden in Lekkerkerk

Soort
Wet
Geldend vanaf
05-06-1980
Rechtsgebied
Milieurecht, Ruimtelijke ordening en milieu
Ministerie
Veiligheid en Justitie
BWB-id
BWBR0003321
Versie
1980-06-05_0
SHA-256 bron
6bc1b098e046f2a86da9f2fa686e1a1cd88876167c9628f3a87832b9f052ebc3

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (4)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4

Artikel 1

Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd in het belang van de zuivering van de bodem ten behoeve van de Staat, andere lichamen of personen het eigendomsrecht op of een recht tot gebruik van onroerende zaken gelegen in de gemeente Lekkerkerk te vorderen in verband met de aldaar gebleken verontreiniging van de bodem.

Artikel 2

1 De Vorderingswet 1962 is van toepassing met dien verstande dat:

1°. de artikelen 3, 5, 9, derde lid, en 13, derde lid, tweede zin, buiten toepassing blijven;

2°. de bevoegdheid bedoeld in artikel 29 toekomt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

2 Bij de bepaling van de schadevergoeding blijft de verontreiniging van de bodem buiten beschouwing.

3 Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan een voorschot op de schadevergoeding toekennen.

Artikel 3

Indien degene van wie de vordering is gedaan ter zake van de ten gevolge van de verontreiniging geleden schade rechten tegen derden heeft, gaan die rechten bij wege van subrogatie over op de Staat indien en voor zover deze die schade vergoedt.

Artikel 4

Deze wet treedt in werking op de dag na die van de uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.