wetzoeker

Uitvoeringsbesluit ex artikel IV Wet van 26-06-1975, Stb. 384

Besluit van 17 augustus 1976, houdende uitvoering van artikel IV, tweede lid, van de wet van 26 juni 1975 (Stb. 384), tot wijziging van de Woningwet en de Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting

Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-05-1977
Rechtsgebied
Wonen, onroerend goed, bouwrecht
Ministerie
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
BWB-id
BWBR0003049
Versie
1977-05-01_0
SHA-256 bron
f6259ac60a6b442dd659cd2d65d96098af300aa90f835c7ec632671885fbf9b0

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (3)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3

Artikel 1

1 De geldmiddelen, bedoeld in artikel IV, tweede lid, van de wet van 26 juni 1975 (Stb. 384), worden aangewend tot dekking van:

a. nadelige saldi, ontstaan uit de exploitatie van in de gemeente gelegen, aan toegelaten instellingen, als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Woningwet, of aan de gemeente toebehorende woningen of woongebouwen, ter zake van de bouw, verwerving of exploitatie waarvan geldelijke steun op voet van artikel 56 in verband met artikel 52 van de Woningwet 1901 dan wel artikel 67 in verband met artikel 60, eerste lid, van de Woningwet, onderscheidenlijk op voet van artikel 56 in verband met artikel 54 van de Woningwet 1901 dan wel artikel 67 in verband met artikel 61, eerste lid, van de Woningwet is verleend;

b. kosten van verbeteringen van woningen en woongebouwen, als bedoeld onder a.

2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen de geldmiddelen worden aangewend tot storting in een of meer algemene bedrijfsreserves, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Besluit geldelijke steun volkshuisvesting en artikel 20 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting.

3 Het bepaalde in het tweede lid vindt slechts toepassing bij onderlinge overeenstemming tussen burgemeester en wethouders van de gemeente en de toegelaten instellingen, waaraan in de gemeente gelegen woningen of woongebouwen, als bedoeld in het eerste lid, onder a, toebehoren.

Artikel 2

Burgemeester en wethouders van de gemeente zenden jaarlijks voor 1 mei aan Onze Minister, belast met de zorg voor de volkshuisvesting, alsmede aan de toegelaten instellingen, bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Woningwet, die in de gemeente werkzaam zijn, een verslag omtrent het gemeenschappelijke fonds.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.