wetzoeker

Artikel 3a Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968

Publiekrechtelijke lichamen en fiscale eenheid

1 Bij vorming van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de wet, wordt de fiscale eenheid voor het berekenen van de door haar verschuldigde belasting geacht in de plaats te zijn getreden van de natuurlijke personen en lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die de fiscale eenheid vormen.

2 Bij beëindiging van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de wet, worden de natuurlijke personen en lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die de fiscale eenheid vormden, voor het berekenen van de door hen verschuldigde belasting geacht in de plaats te zijn getreden van de fiscale eenheid, voor het deel dat tot hun bedrijfsvermogen behoort.

3 Bij wijziging van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de wet:

a. is bij toetreding van een natuurlijk persoon of lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen tot de fiscale eenheid, het eerste lid van overeenkomstige toepassing; en

b. is bij uittreding van een natuurlijk persoon of lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen uit de fiscale eenheid, het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

4 De voorgaande leden gelden niet voor de toepassing van artikel 4c, derde en vierde lid.

Regeling
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968
Afkortingen
Uitv.besch. OB
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-04-2026
BWB-id
BWBR0002634
Versie
2026-04-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl