wetzoeker

Artikel 76 — Brandontdekkings- en brandalarminstallaties aan boord van kleine vaartuigen Schepenbesluit 1965

Brandontdekkings- en brandalarminstallaties aan boord van kleine vaartuigen

1. Een vast aangebrachte brandontdekkings- en brandalarminstallatie moet zijn aangebracht in:

a. ruimten voor machines van categorie A;

b. een van de overige ruimten afgescheiden kombuis;

c. de accommodatie en dienstruimten, indien het schip voorzien is van meer dan twee nachtverblijven. Hierbij moet de installatie zo zijn ingericht dat voorzien is in rookontdekking in gangen, portalen en trappenhuizen.

2. De installatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat in geval van brand een hoorbaar en zichtbaar alarm in het stuurhuis wordt gegeven. Ook in eventuele nachtverblijven dient dit alarm hoorbaar te zijn.

(∗) Verwezen wordt naar de aanbevelingen gepubliceerd door de Internationale Elektrotechnische Commissie en in het bijzonder Publicatie 92 - Elektrische Installaties aan boord van schepen.

∗ Met een veilige ruimte wordt bedoeld een ruimte waarin het toetreden van koolwaterstofdampen gevaren zou oproepen met betrekking tot brand of vergiftiging.

∗ Met een veilige ruimte wordt bedoeld een ruimte waarin het toetreden van koolwaterstofdampen gevaren zou oproepen met betrekking tot brand of vergiftiging.

Regeling
Schepenbesluit 1965
Soort
Rijks-KB
Geldend vanaf
10-10-2010
BWB-id
BWBR0002501
Versie
2010-10-10_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl