wetzoeker

Artikel 71 — Bijzondere voorzieningen voor werktuigen, ketels en elektrische installaties op kleine vaartuigen Schepenbesluit 1965

Bijzondere voorzieningen voor werktuigen, ketels en elektrische installaties op kleine vaartuigen

1. De bijzondere voorzieningen voor werktuigen, ketels en elektrische installaties moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn en zullen ten minste het navolgende moeten omvatten:

2. Elektrische hoofdkrachtbron

2.1. Wanneer elektrische energie noodzakelijk is om de voortstuwing en de besturing van het schip te handhaven, moeten doelmatige voorzieningen zijn getroffen teneinde de elektrische energielevering te waarborgen in het geval dat een in bedrijf zijnde generator uitvalt.

3. Automatisch regel- en alarmsysteem

3.1. Het regelsysteem moet zodanig zijn uitgevoerd dat de diensten nodig voor de werking van het hoofdvoortstuwingswerktuig en de hulpwerktuigen, door de noodzakelijke automatische voorzieningen zijn verzekerd.

3.2. Automatisch overschakelen moet door middel van een alarm worden aangegeven.

3.3. Een alarmsysteem dat voldoet aan het bepaalde in artikel 70, moet zijn aangebracht voor alle belangrijke drukken, temperaturen, vloeistofniveaus en andere van belang zijnde parameters.

3.4.1. De brug moet zijn ingericht met een alarmpaneel, dat ten minste de volgende alarmen afzonderlijk aangeeft:

a. lage smeeroliedruk van het voortstuwingswerktuig;

b. hoge koelwater- of luchttemperatuur van het voortstuwingswerktuig;

c. laag niveau koelwaterexpansietank van het voortstuwingswerktuig;

d. lage oliedruk van de keerkoppeling of schroefbladverstelinrichting;

e. hoog bilge-waterniveau in de machinekamer;

f. storing in het afstandbedieningssysteem indien dit anders dan geheel mechanisch is uitgevoerd; en

g. laag brandstofniveau in de verbruikstank.

Tevens moet op de brug de alarmering zijn aangebracht met betrekking tot:

a. de stuurmachine, zoals genoemd in artikel 59; en

b. de vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof.

In aanvulling op het bepaalde in het vijfde lid van artikel 69 moeten de volgende instrumenten zijn aangebracht, welke aangeven:

a. de smeeroliedruk van het voortstuwingswerktuig;

b. de koelwatertemperatuur van het voortstuwingswerktuig; en

c. de bedieningsluchtdruk bij toepassing van pneumatische afstandsbediening.

3.4.2. Nabij de bedieningsplaats waar het voortstuwingswerktuig ter plaatse kan worden bediend, moeten ten minste de volgende instrumenten zijn aangebracht, welke aangeven:

a. de rotatiefrequentie van de schroef of de motor bij toepassing van vaste schroeven of de rotatiefrequentie van de schroef en de stand van de schroefbladen bij toepassing van verstelbare schroeven;

b. de smeeroliedruk van het voortstuwingswerktuig;

c. de koelwatertemperatuur van het voortstuwingswerktuig; en

d. de oliedruk van de keerkoppeling of schroefblad-verstelinrichting.

Regeling
Schepenbesluit 1965
Soort
Rijks-KB
Geldend vanaf
10-10-2010
BWB-id
BWBR0002501
Versie
2010-10-10_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl