wetzoeker

Uitvoeringsbesluit Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964

Besluit van 18 december 1964, houdende uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen

Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-01-2026
Afkortingen
Uitv besl AWR
Rechtsgebied
Belastingrecht, Formeel belastingrecht
Ministerie
Financiën
BWB-id
BWBR0002473
Versie
2026-01-01_0
SHA-256 bron
a6b7c28c3c9a8c5697f0302dfa0a111a12ec9ebd8434644d5dfae9466f90c68c

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (9)
  1. Artikel a1
  2. Artikel 1
  3. Artikel 2
  4. Artikel 3
  5. Artikel 4
  6. Artikel 5
  7. Artikel 5a
  8. Artikel 5b
  9. Artikel 6

Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen

Artikel a1

1 Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 21a, 61, 66a en 70 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

2 Dit besluit verstaat onder inzagerecht: het recht op inzage in de stukken die betrekking hebben op een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking jegens een belastingplichtige of inhoudingsplichtige, bedoeld in artikel 66a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Hoofdstuk 2 — Belastingheffing en invordering bij ontbreken vaste woonplaats of plaats van vestiging

Artikel 1

1 De zelfstandige binnenschipper is gehouden woonplaats te kiezen in Nederland, tenzij hij:

a. in Nederland een vaste woonplaats heeft;

b. niet in Nederland woont en niet als binnenschipper een binnenlandse onderneming drijft.

2 Het lid van de bemanning van een binnenschip - daaronder begrepen de niet-zelfstandige binnenschipper - is bevoegd, en op vordering van de inspecteur gehouden, woonplaats te kiezen in Nederland. Indien hij geen woonplaats heeft gekozen, wordt hij geacht woonplaats te hebben op de vaste woonplaats of de gekozen woonplaats van zijn inhoudingsplichtige. Het vorenstaande geldt niet indien:

a. hij in Nederland een vaste woonplaats heeft;

b. hij niet in Nederland woont en niet als binnenschipper in Nederland een dienstbetrekking vervult.

3 De stukken betreffende de heffing en de invordering van belasting kunnen worden gezonden en betekend aan de gekozen woonplaats.

Hoofdstuk 2 — Belastingheffing en invordering bij ontbreken vaste woonplaats of plaats van vestiging

Artikel 2

1 De keuze van de woonplaats of een wijziging van de keuze wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur.

2 Hij die ingevolge artikel 1, eerste lid, verplicht is woonplaats te kiezen, doet dit binnen acht weken na de aanvang van zijn werkzaamheden. Woont hij niet in Nederland, dan doet hij de keuze binnen een week nadat hij het drijven van een binnenlandse onderneming heeft aangevangen.

3 Hij die ingevolge artikel 1, tweede lid, verplicht is woonplaats te kiezen, doet dit binnen een door de inspecteur te bepalen termijn.

Hoofdstuk 2 — Belastingheffing en invordering bij ontbreken vaste woonplaats of plaats van vestiging

Artikel 3

Degene die verplicht is woonplaats te kiezen, is desgevraagd gehouden de in de artikelen 47 en 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, voor raadpleging aan de inspecteur ter beschikking te stellen op de gekozen woonplaats.

Hoofdstuk 2 — Belastingheffing en invordering bij ontbreken vaste woonplaats of plaats van vestiging

Artikel 4

Het niet voldoen aan een verplichting bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 is een strafbaar feit.

Hoofdstuk 2 — Belastingheffing en invordering bij ontbreken vaste woonplaats of plaats van vestiging

Artikel 5

Hij die bij de inwerkingtreding van dit besluit ingevolge artikel 1, eerste lid, gehouden wordt woonplaats te kiezen, doet dit binnen twee maanden na de inwerkingtreding van dit besluit.

Hoofdstuk 3 — Authentieke gegevens uit andere basisregistraties

Artikel 5a

Als authentiek gegeven uit andere basisregistraties als bedoeld in artikel 21a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt aangewezen het burgerservicenummer van de ingeschrevene, bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit basisregistratie personen.

Hoofdstuk 4 — Inzage in de belastingplichtige of inhoudingsplichtige betreffende gegevens

Artikel 5b

Als rijksbelasting waarop het inzagerecht betrekking heeft wordt aangewezen:

a) accijns;

b) assurantiebelasting;

c) bankenbelasting;

d) belastingen op milieugrondslag;

e) belasting van personenauto’s en motorrijwielen;

f) belasting zware motorrijtuigen;

g) bronbelasting;

h) dividendbelasting;

i) erfbelasting;

j) inkomstenbelasting;

k) kansspelbelasting;

l) loonbelasting;

m) minimumbelasting;

n) motorrijtuigenbelasting;

o) omzetbelasting;

p) overdrachtsbelasting;

q) schenkbelasting;

r) vennootschapsbelasting;

s) verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken.

Hoofdstuk 5 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6

1 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in werking treedt.

2 Dit besluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964.