wetzoeker

Artikel 15 Vorderingswet

1 Degene te wiens behoeve de vordering is geschied, is gehouden de eigenaar, de beperkt gerechtigde, de pachter, de huurder, de huurkoper en de beslaglegger voor zover zij schade lijden, schadeloos te stellen. Het recht op schadeloosstelling van de pand- of hypotheekhouder en van de beslaglegger wordt echter uitgeoefend overeenkomstig de hun in artikel 229 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 455a en 507a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toegekende rechten.

2 De schadeloosstelling wordt, ingeval het eigendomsrecht op een zaak is gevorderd, vastgesteld met overeenkomstige toepassing, voor zover uit deze wet niet anders voortvloeit, van paragraaf 15.3.1 van de Omgevingswet en, ingeval het een roerende zaak betreft, tevens overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur daaromtrent te stellen aanvullende regelen. Zij wordt, ingeval een recht tot gebruik van een zaak is gevorderd, vastgesteld overeenkomstig bij zodanige maatregel daaromtrent te stellen regelen.

3 De Staat is voor de betaling van de schadeloosstelling mede aansprakelijk.

Regeling
Vorderingswet
Soort
Wet
Geldend vanaf
04-06-2026
BWB-id
BWBR0002393
Versie
2026-06-04_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl