wetzoeker

Noodwet voedselvoorziening

Wet van 12 december 1962, houdende verzekering van de voedselvoorziening in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-01-2015
Rechtsgebied
Levensmiddelenrecht
Ministerie
Algemene Zaken
BWB-id
BWBR0002392
Versie
2015-01-01_0
SHA-256 bron
baafa5cd10adec87cb9d34ec7aace84f2a966b3acf585550853ddbb6ea57a9e6

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (35)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28
  29. Artikel 29
  30. Artikel 30
  31. Artikel 31
  32. Artikel 32
  33. Artikel 33
  34. Artikel 34
  35. Artikel 35

Hoofdstuk I — Begripsomschrijvingen

Artikel 1

1 Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder:

Onze Minister: Onze Minister van Landbouw en Visserij;

landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, bijenhouderij, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen -, teelt van griendhout en elke andere vorm van bodemcultuur met uitzondering van bosbouw;

produkten:

a. alle voortbrengselen, welke, al dan niet na bewerking of verwerking, kunnen dienen als voedsel voor mens of dier, alsmede de bij bewerking of verwerking van die voortbrengselen verkregen derivaten en afvallen;

b. de niet reeds onder a begrepen, al dan niet bewerkte of verwerkte voortbrengselen van de landbouw en de visserij, alsmede de bij bewerking of verwerking van die voortbrengselen verkregen derivaten en afvallen.

2 Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt mede verstaan onder:

handelaren: tussenpersonen;

visserij: mosselteelt, oesterteelt en viskwekerij.

Hoofdstuk II — Organen

Artikel 2

1 Er is in iedere provincie een voedselcommissaris, die door Ons wordt benoemd en ontslagen.

2 Onze Minister bepaalt het ambtsgebied van de voedselcommissaris, al dan niet in afwijking van het gebied van de desbetreffende provincie.

3 De voedselcommissaris is, tenzij het tegendeel blijkt, onder de bevelen van Onze Minister belast met de uitvoering van de krachtens deze wet vastgestelde regelen.

Hoofdstuk II — Organen

Artikel 3

Onze Minister kan in door hem te bepalen gebieden voedselcommissarissen aanwijzen, die in die gebieden belast zijn met de uitvoering van krachtens deze wet vastgestelde regelen.

Hoofdstuk III — Buitengewone bevoegdheden

Artikel 4

1 Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor het gehele land of een gedeelte daarvan de artikelen 6 tot en met 12 gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.

2 Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.

3 Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

4 Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

5 Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

6 Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Hoofdstuk III — Buitengewone bevoegdheden

Artikel 5

Vervallen

Hoofdstuk III — Buitengewone bevoegdheden

Artikel 6

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

1 Onze Minister kan regelen vaststellen betreffende een of meer der in het tweede lid van dit artikel genoemde gedragingen.

2 De in het eerste lid bedoelde gedragingen zijn: het telen, kweken, fokken, vangen, broeden, bereiden, vervaardigen, oogsten, voorhanden hebben, in voorraad hebben, bewaren, opslaan, inzamelen, bewerken, verwerken, gebruiken, verbruiken, vervoederen, verpakken, slachten, vervoeren, aanvoeren, veilen, ontvangen, afleveren, te koop aanbieden, kopen en vervreemden van produkten.

3 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald, in welke gevallen Onze Minister regelen, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van ondernemingen, waarin daarbij aan te wijzen bedrijven op het gebied van industrie, handel en ambacht worden uitgeoefend, niet vaststelt dan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.

Hoofdstuk III — Buitengewone bevoegdheden

Artikel 7

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

1 Onze Minister kan regelen vaststellen betreffende de prijzen voor produkten.

2 Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk III — Buitengewone bevoegdheden

Artikel 8

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

1 Onze Minister kan regelen vaststellen betreffende het betalen van een geldsom ter zake van een of meer der in artikel 6, tweede lid, genoemde gedragingen.

2 Onze Minister kan in door hem te bepalen gevallen of groepen van gevallen tot gehele of gedeeltelijke restitutie overgaan van hetgeen ingevolge het bepaalde krachtens het eerste lid is betaald.

Hoofdstuk III — Buitengewone bevoegdheden

Artikel 9

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

1 Onze Minister kan regelen vaststellen, betreffende het bereiden, vervaardigen, voorhanden hebben, in voorraad hebben, bewaren, opslaan, bewerken, verwerken, gebruiken, verbruiken, vervoeren, ontvangen, afleveren, te koop aanbieden, kopen, huren, verhuren en vervreemden van:

a. grondstoffen, hulpstoffen en verpakkingsmateriaal voor produkten;

b. fust, machines, werktuigen en gereedschappen - alsmede onderdelen daarvan -, welke worden gebezigd bij het telen, kweken, fokken, vangen, winnen, broeden, bereiden, vervaardigen, oogsten, bewaren, opslaan, bewerken, verwerken, verpakken of slachten van produkten;

c. merken, kentekenen, alsmede stempels en andere werktuigen, waarmede merken en kentekenen kunnen worden vervaardigd of aangebracht, een en ander voorzover krachtens enige bepaling van deze wet regelen zijn vastgesteld betreffende het voorzien zijn van produkten, verpakkingsmateriaal en fust van zodanige merken of kentekenen, dan wel het voorzien zijn van produkten, verpakkingsmateriaal en fust van zodanige merken of kentekenen als vereiste wordt gesteld voor de bevoegdheid tot enige gedraging met betrekking tot die produkten, dat verpakkingsmateriaal en dat fust.

2 Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk III — Buitengewone bevoegdheden

Artikel 10

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

1 Onze Minister kan regelen vaststellen betreffende het ter beschikking houden van produkten en van goederen, bedoeld in artikel 9, voor of het inleveren daarvan bij een door hem aan te wijzen lichaam, orgaan of persoon.

2 Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3 Voor de ingeleverde produkten en goederen wordt door Onze Minister de op het tijdstip van het opleggen van de verplichting tot inlevering voor die produkten en goederen krachtens artikel 7 of enig ander wettelijk voorschrift vastgestelde prijs uitbetaald of, bij het ontbreken daarvan, de dan in de betrokken bedrijfstak voor die produkten en goederen gebruikelijke prijs.

4 Onze Minister kent aan degene, die ingevolge dit artikel produkten of goederen ter beschikking houdt en ten gevolge daarvan schade lijdt, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding uit ’s Lands kas toe.

Hoofdstuk III — Buitengewone bevoegdheden

Artikel 11

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

1 Krachtens de artikelen 6-10 vastgestelde regelen kunnen onder meer de bepaling inhouden, dat bij of krachtens die regelen gegeven voorschriften niet gelden, indien en voorzover vrijstelling of op aanvraag ontheffing of vergunning is verleend.

2 Aan de vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend.

3 De ontheffingen en vergunningen, zomede de restituties, bedoeld in artikel 8, tweede lid, kunnen worden ingetrokken, indien de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.

Hoofdstuk III — Buitengewone bevoegdheden

Artikel 12

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

1 Onze Minister kan bepalen, dat degenen, die een of meer der in artikel 6, tweede lid, en artikel 9, eerste lid, genoemde gedragingen verrichten of plegen te verrichten, verplicht zijn:

a. nauwgezet, volledig en naar waarheid aantekening te houden betreffende die gedragingen en daarbij de door Onze Minister of de door hem aangewezen lichamen, organen of personen gegeven voorschriften na te leven;

b. boeken en bescheiden betreffende die gedragingen aan de lichamen, organen of personen, die Onze Minister daartoe heeft aangewezen, op eerste vordering te tonen of tegen bewijs van ontvangst af te geven of te zenden.

2 Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk III — Buitengewone bevoegdheden

Artikel 13

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2014/571.

1 Onze Minister kan bepalen, dat verordeningen of andere besluiten, door een orgaan van een bedrijfslichaam krachtens deze wet, de Landbouwwet of de Wet op de bedrijfsorganisatie vastgesteld, geheel of gedeeltelijk worden geschorst. Hij kan in verband daarmee nadere regels vaststellen.

Hoofdstuk III — Buitengewone bevoegdheden

Artikel 14

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2014/571.

1 Indien het naar het oordeel van het dagelijks bestuur van een bedrijfslichaam in een der gevallen, genoemd in het tweede lid van artikel 4, niet mogelijk is, dat het bestuur, een commissie uit het midden van het bestuur of een orgaan, bedoeld in artikel 88a van de Wet op de Bedrijfsorganisatie, bijeenkomt, oefent het dagelijks bestuur de aan het bestuur, die commissie of dat orgaan toekomende bevoegdheden uit.

2 Indien het naar het oordeel van de voorzitter van een bedrijfslichaam in zodanig geval niet mogelijk is, dat het dagelijks bestuur bijeenkomt, oefent hij de aan het dagelijks bestuur toekomende bevoegdheden uit. Indien hij in zodanig geval tevens van oordeel is, dat tengevolge van bedoelde omstandigheden het bestuur, een commissie uit het bestuur of een orgaan, bedoeld in artikel 88a van de Wet op de Bedrijfsorganisatie, niet kan bijeenkomen, oefent hij ook de aan het bestuur, die commissie of dat orgaan toekomende bevoegdheden uit.

3 Zo spoedig mogelijk legt het dagelijks bestuur, onderscheidenlijk de voorzitter aan het bestuur verantwoording af van hetgeen krachtens de vorige leden is verricht.

Hoofdstuk IV — Decentralisatie

Artikel 15

Vervallen

Hoofdstuk IV — Decentralisatie

Artikel 16

Vervallen

Hoofdstuk IV — Decentralisatie

Artikel 17

Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende tegemoetkoming in de kosten van de krachtens dit hoofdstuk verleende medewerking.

Hoofdstuk IV — Decentralisatie

Artikel 18

Bij algemene maatregel van bestuur wijzen Wij de autoriteiten aan, die onder daarbij vast te stellen regelen in enig gebied de bevoegdheden, welke krachtens deze wet, de Distributiewet, de Hamsterwet, de Vorderingswet, de Prijzennoodwet, de Landbouwwet en de Algemene douanewet aan Onze Minister toekomen, uitoefenen voor zolang in een der in artikel 4, tweede lid, genoemde gevallen de verbinding tussen dat gebied en Onze Minister verbroken is. Ons besluit wordt mede bekend gemaakt in de Staatscourant.

Hoofdstuk V — Beroep

Artikel 19

Vervallen

Hoofdstuk V — Beroep

Artikel 20

Vervallen

Hoofdstuk V — Beroep

Artikel 21

In afwijking van artikel 8:72, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht werkt een vernietiging vanaf het tijdstip, waarop zij wordt uitgesproken.

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 22

1 Zolang de artikelen 6-12 in werking zijn, is een ieder verplicht bij het verrichten van gedragingen, genoemd in artikel 6, tweede lid, ten aanzien van de desbetreffende produkten die zorg aan te wenden, welke onder de met betrekking tot de voedselvoorziening bestaande omstandigheden redelijkerwijze kan worden verwacht.

2 Het bepaalde bij het vorige lid is van overeenkomstige toepassing bij het verrichten van gedragingen, in artikel 9, eerste lid, genoemd.

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 23

1 Onze Minister kan ten aanzien van degenen, die een of meer der in artikel 6, tweede lid, en artikel 9, eerste lid, genoemde gedragingen verrichten of plegen te verrichten, regelen vaststellen betreffende het beantwoorden van vragen en verstrekken van gegevens, welke naar het oordeel van Onze Minister nodig zijn ter voorbereiding of uitvoering van enige krachtens deze wet te nemen of genomen maatregel, aan lichamen, organen of personen, die Onze Minister daartoe heeft aangewezen.

2 Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 24

1 Ieder, die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde in het bezit dient te zijn van een of meer bescheiden, is verplicht die bescheiden steeds bij zich te hebben bij gedragingen met betrekking tot welke het bezit van zodanige bescheiden verplicht is gesteld.

2 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister of bij besluit van een in artikel 2 onderscheidenlijk artikel 3 bedoelde voedselcommissaris aangewezen personen.

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 25

Het is verboden ter zake van een aanvraag om een ontheffing, vergunning of restitutie, onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken.

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 26

1 In afwijking van artikel 5 van de Wet op de economische delicten is Onze Minister bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de krachtens de artikelen 6, 9 en 10 vastgestelde verplichtingen.

2 Voor de in bezit genomen produkten wordt als schadeloosstelling toegekend een bedrag, gelijk aan de prijs, onderscheidenlijk vergoeding, welke bij inlevering, onderscheidenlijk terbeschikkinghouding ter nakoming van een krachtens artikel 10 opgelegde verplichting zou zijn uitgekeerd, een en ander verminderd met de op de inbezitneming vallende kosten.

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 27

Hetgeen krachtens artikel 8 is verschuldigd, kan door Onze Minister bij dwangbevel worden ingevorderd.

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 28

Vervallen

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 29

1 Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij door Onze Minister vast te stellen regeling.

2 Een gedraging in strijd met een bepaling in zodanige regeling is een strafbaar feit, voorzover uitdrukkelijk als zodanig aangeduid.

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 30

Vervallen

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 31

Krachtens deze wet vastgestelde regelen treden, tenzij daarbij anders is bepaald, in werking met ingang van de dag na die van hun bekendmaking. Zij kunnen bepalen, dat zij onmiddellijk na hun bekendmaking in werking treden.

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 32

1 Besluiten, door Onze Minister krachtens de artikelen 2, 3, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 23 en 29 vastgesteld, worden in de Staatscourant bekend gemaakt.

2 Indien het landsbelang dit naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, kan Onze Minister een besluit, bedoeld in het eerste lid, op andere wijze bekend maken.

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 33

1 Een bij of krachtens deze wet opgelegde verplichting vervalt van rechtswege voorzover het voldoen hieraan zou meebrengen dat niet kan worden voldaan aan een verplichting die voortvloeit uit de uitoefening van buitengewone bevoegdheden ten behoeve van de uitvoering van de militaire taak.

2 Een bij of krachtens deze wet opgelegde verplichting die niet voortvloeit uit de uitoefening van buitengewone bevoegdheden ten behoeve van de uitvoering van de militaire taak, vervalt eveneens van rechtswege voorzover het voldoen hieraan zou meebrengen dat niet kan worden voldaan aan een verplichting die bij of krachtens deze of een andere wet is opgelegd in het belang van de bestrijding van een ramp, een zwaar ongeval of van een verstoring van de openbare orde of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan.

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 34

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Hoofdstuk VI — Overige bepalingen

Artikel 35

1 Deze wet kan worden aangehaald als: Noodwet voedselvoorziening.

2 Met uitzondering van de artikelen 6-12 treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij is geplaatst.