wetzoeker

Wet gewetensbezwaren militaire dienst

Wet van 27 september 1962, houdende regeling inzake vrijstelling van de militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-01-2020
Afkortingen
WGMD
Rechtsgebied
Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht, Militaire ambtenarenrecht
Ministerie
Defensie
BWB-id
BWBR0002386
Versie
2020-01-01_0
SHA-256 bron
69ce9caaff11e8a8d8bd50c67c0f60d48ddc1018dd6bf554f9f09949ff6466fd

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (70)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 7a
  9. Artikel 7b
  10. Artikel 7c
  11. Artikel 8
  12. Artikel 9
  13. Artikel 10
  14. Artikel 11
  15. Artikel 12
  16. Artikel 13
  17. Artikel 14
  18. Artikel 15
  19. Artikel 16
  20. Artikel 17
  21. Artikel 18
  22. Artikel 19
  23. Artikel 20
  24. Artikel 21
  25. Artikel 21a
  26. Artikel 22
  27. Artikel 23
  28. Artikel 24
  29. Artikel 25
  30. Artikel 26
  31. Artikel 27
  32. Artikel 28
  33. Artikel 29
  34. Artikel 30
  35. Artikel 31
  36. Artikel 32
  37. Artikel 33
  38. Artikel 34
  39. Artikel 35
  40. Artikel 36
  41. Artikel 37
  42. Artikel 38
  43. Artikel 39
  44. Artikel 40
  45. Artikel 41
  46. Artikel 42
  47. Artikel 43
  48. Artikel 44
  49. Artikel 45
  50. Artikel 46
  51. Artikel 47
  52. Artikel 48
  53. Artikel 49
  54. Artikel 50
  55. Artikel 51
  56. Artikel 52
  57. Artikel 52a
  58. Artikel 53
  59. Artikel 54
  60. Artikel 55
  61. Artikel 55a
  62. Artikel 55b
  63. Artikel 56
  64. Artikel 57
  65. Artikel 58
  66. Artikel 59
  67. Artikel 60
  68. Artikel 60a
  69. Artikel 61
  70. Artikel 62

Hoofdstuk I — Begripsbepalingen

Artikel 1

1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

«militair»: degene die behoort tot de krijgsmacht, ook gedurende de tijd, dat deze niet in werkelijke dienst is;

«vervangende dienst»: de dienst die verplicht wordt vervuld ter vervanging van de militaire dienst;

«erkende gewetensbezwaarde» degene van wie bezwaren tegen de persoonlijke vervulling van de militaire dienst als ernstige gewetensbezwaren zijn erkend;

«groot verlof»: de tijd gedurende welke de erkende gewetensbezwaarde geen vervangende dienst vervult of behoeft te vervullen;

«tewerkgestelde»: degene die voor vervangende dienst is opgeroepen van het ogenblik af dat deze op de plaats van de eerste bestemming is aangekomen tot het tijdstip, waarop deze met groot verlof wordt gezonden;

«dienstplichtige»: degene die ingevolge de Kaderwet dienstplicht geschikt is verklaard voor het vervullen van werkelijke dienst.

2 Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gesproken van personen die ongeschikt zijn verklaard, zijn erkend als gewetensbezwaarde, ontheven zijn van de verplichting tot het vervullen van de vervangende dienst in gewone omstandigheden, disciplinair gestraft of veroordeeld zijn, worden hieronder, voor zover het tegendeel niet blijkt, verstaan degenen omtrent wie het desbetreffende besluit of de desbetreffende uitspraak onherroepelijk is geworden.

3 Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gesproken van het oproepen voor de vervangende dienst wordt daaronder ten aanzien van hen die reeds de vervangende dienst vervullen verstaan het blijven vervullen van de vervangende dienst.

Hoofdstuk I — Begripsbepalingen

Artikel 2

Ernstige gewetensbezwaren in de zin van deze wet zijn de onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de persoonlijke vervulling van militaire dienst in verband met het gebruik van middelen van geweld waarbij men door dienstvervulling in de Nederlandse krijgsmacht kan worden betrokken.

Hoofdstuk II — Erkenning van bezwaren als ernstige gewetensbezwaren

Artikel 3

1 Op aanvraag kan Onze Minister van Defensie de bezwaren van een dienstplichtige of een militair als ernstige gewetensbezwaren erkennen. De aanvraag vermeldt mede het registratienummer en is met redenen omkleed.

2 Onze Minister van Defensie doet een onderzoek instellen naar de vraag of de bezwaren zijn aan te merken als ernstige gewetensbezwaren. Onze Minister van Defensie kan het inwinnen van een advies achterwege laten, indien het een hernieuwde aanvraag betreft.

Hoofdstuk II — Erkenning van bezwaren als ernstige gewetensbezwaren

Artikel 4

1 Degene die een aanvraag heeft gedaan als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kan door Onze Minister, in afwachting van een beslissing daarop, geheel of gedeeltelijk van dienstverrichtingen worden vrijgesteld.

2 Ingeval tegen degene die een aanvraag heeft gedaan als bedoeld in artikel 3, eerste lid, een strafvervolging is ingesteld wegens overtreding van artikel 139 van het Wetboek van Militair Strafrecht, wegens ongehoorzaamheid aan enig dienstbevel of dienstvoorschrift, dan wel wegens overtreding van artikel 36 van de Kaderwet dienstplicht kan het openbaar ministerie besluiten deze strafvervolging, in afwachting van een beslissing op die aanvraag, te schorsen. Ingeval van een hernieuwde aanvraag wordt geen schorsing verleend, tenzij bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Hoofdstuk II — Erkenning van bezwaren als ernstige gewetensbezwaren

Artikel 5

1 Het in artikel 3, tweede lid, bedoelde onderzoek wordt verricht door een of meer leden van een commissie van advies. De leden van de commissie worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

2 De commissie brengt advies uit, nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld ter zitting te worden gehoord.

Hoofdstuk II — Erkenning van bezwaren als ernstige gewetensbezwaren

Artikel 6

Vervallen

Hoofdstuk II — Erkenning van bezwaren als ernstige gewetensbezwaren

Artikel 7

1 Indien Onze Minister van Defensie van oordeel is, dat de bezwaren zijn aan te merken als ernstige gewetensbezwaren, zal hij die bezwaren als zodanig erkennen.

2 Indien aanvrager zonder gegronde redenen niet voor het onderzoek ter zitting voor de commissie, bedoeld in artikel 5, is verschenen, wordt de aanvraag in ieder geval afgewezen.

Hoofdstuk II — Erkenning van bezwaren als ernstige gewetensbezwaren

Artikel 7a

1 Indien de aanvrager bezwaar maakt tegen een besluit tot afwijzing van de aanvraag om erkenning, beslist Onze Minister van Defensie op dat bezwaar na advies van de commissie, bedoeld in artikel 5, eerste lid. De commissie adviseert nadat zij met ten minste drie leden een onderzoek heeft ingesteld.

2 In de gevallen genoemd in artikel 7:3, onder a tot en met e, van de Algemene wet bestuursrecht wint Onze Minister van Defensie geen advies als bedoeld in het eerste lid in.

Hoofdstuk II — Erkenning van bezwaren als ernstige gewetensbezwaren

Artikel 7b

Vervallen

Hoofdstuk II — Erkenning van bezwaren als ernstige gewetensbezwaren

Artikel 7c

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter uitvoering van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk II — Erkenning van bezwaren als ernstige gewetensbezwaren

Artikel 8

1 Een beschikking op grond van artikel 4 blijft van kracht totdat de afwijzing van een aanvraag omtrent erkenning als gewetensbezwaarde onherroepelijk is geworden.

2 Zolang de beroepstermijn niet is verstreken, dan wel op een tegen een beschikking omtrent erkenning als gewetensbezwaarde ingesteld beroep als bedoeld in artikel 7b niet is beslist, kan Onze Minister van Defensie alsnog toepassing geven aan artikel 4, eerste lid.

Hoofdstuk III — Gevolgen van de erkenning

Artikel 9

1 De erkende gewetensbezwaarde is onder alle omstandigheden vrijgesteld van de militaire dienst. Evenmin mogen degene werkzaamheden worden opgedragen, welke naar hun aard er slechts op gericht kunnen zijn de krijgsmacht hulp te verlenen.

2 Onverminderd het vierde lid is de dienstplichtige die als gewetensbezwaarde is erkend, verplicht tot vervangende dienst in gewone omstandigheden en vervangende dienst in buitengewone omstandigheden.

3 De militair, die als gewetensbezwaarde is erkend, wordt zo spoedig mogelijk uit de militaire dienst ontslagen.

4 De erkende gewetensbezwaarde die als dienstplichtige uitsluitend in buitengewone omstandigheden tot het vervullen van werkelijke dienst zou kunnen worden verplicht is alleen verplicht tot het vervullen van vervangende dienst in buitengewone omstandigheden.

Hoofdstuk III — Gevolgen van de erkenning

Artikel 10

Het recht tot strafvordering terzake van een delict, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, vervalt, zodra de gewetensbezwaren van de verdachte zijn erkend.

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 11

1 De erkende gewetensbezwaarde wordt op of zo spoedig mogelijk na de datum, waarop deze zijn militaire dienst zou moeten aanvangen of voortzetten, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de vervangende dienst opgeroepen. De erkende gewetensbezwaarde is verplicht aan deze oproeping gevolg te geven.

2 Voor vervangende dienst in gewone omstandigheden worden erkende gewetensbezwaarden ouder dan 35 jaar niet opgeroepen. In geval van buitengewone omstandigheden vindt geen oproeping van erkende gewetensbezwaarden ouder dan 45 jaar plaats.

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 12

1 De duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden is een derde langer dan die van het verplichte verblijf onder de wapenen voor opleiding en oefening van het merendeel van de dienstplichtigen.

2 De duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden wordt voor de dienstplichtige die als gewetensbezwaarde is erkend, verminderd met de duur van de werkelijke dienst die de betrokkene reeds als dienstplichtige in gewone omstandigheden heeft volbracht.

3 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan de duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden verkorten ten aanzien van de dienstplichtige, die voor het ontslag uit militaire dienst, de opleiding en oefening reeds heeft volbracht.

4 De duur van de vervangende dienst in buitengewone omstandigheden is voor de erkende gewetensbezwaarde gelijk aan de periode gedurende welke de betrokkene als dienstplichtige in buitengewone omstandigheden in werkelijke dienst zou zijn geweest.

5 Voor zover de erkende gewetensbezwaarde bij aanvang van de vervulling van de vervangende dienst in buitengewone omstandigheden de vervangende dienst in gewone omstandigheden nog niet heeft volbracht, wordt voor de betrokkene de periode gedurende welke deze verplicht is tot vervulling van vervangende dienst in buitengewone omstandigheden verlengd. Voor zover als gevolg van beëindiging van de buitengewone omstandigheden geen of geen verdere toepassing kan worden gegeven aan de eerste volzin is de betrokkene nog verplicht tot vervulling van vervangende dienst in gewone omstandigheden.

6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen groepen van personen worden aangewezen die niet of voorlopig niet tot het vervullen van vervangende dienst in buitengewone omstandigheden worden opgeroepen.

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 13

1 De vervangende dienst wordt vervuld bij overheidsdiensten, dan wel bij, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen, voor tewerkstelling van gewetensbezwaarden geschikte instellingen, die in het algemeen belang werkzaam zijn.

2 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan aan de tewerkstelling, anders dan bij overheidsdiensten, voorwaarden verbinden.

3 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaalt bij welke instantie of in wiens dienst de tewerkstelling plaats vindt.

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 14

De tewerkgestelde is verplicht de opdrachten en voorschriften naar behoren na te leven, die de betrokkene worden gegeven of voor de betrokkene zijn vastgesteld door of vanwege Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of degene aan wie bij de instelling of dienst van tewerkstelling de bevoegdheid tot het geven van opdrachten of het vaststellen van voorschriften krachtens bijzondere aanwijzing of ten aanzien van aldaar werkzame werknemers uit hoofde van zijn functie toekomt. De tewerkgestelde is voorts in het algemeen verplicht zich tijdens de vervangende dienst naar behoren te gedragen.

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 15

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verleent in bij algemene maatregel van bestuur nader aangewezen categorieën van gevallen ontheffing van de vervangende dienst in gewone omstandigheden wegens:

a. persoonlijke onmisbaarheid;

b. de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden;

c. kostwinnerschap;

d. het bekleden van een geestelijk ambt of het volgen van een opleiding tot een zodanig ambt; of

e. broeder- of zusterdienst.

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 16

1 Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

2 Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

3 Een ontheffing kan door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden ingetrokken, wanneer:

a. een of meer redenen waarom de ontheffing is verleend, zijn vervallen;

b. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet worden nageleefd; of

c. na de verlening zodanige feiten of omstandigheden bekend zijn geworden dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend.

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 17

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de ontheffing. Een krachtens artikel 15 of krachtens de eerste volzin vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 18

Vervallen

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 19

Vervallen

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 20

Vervallen

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 21

Vervallen

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 21a

Vervallen

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 22

Vervallen

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 23

1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan de dienstplichtige die als gewetensbezwaarde is erkend, verplichten de vervangende dienst in gewone omstandigheden bij gedeelten in twee of meer niet aansluitende tijdvakken te vervullen.

2 Indien de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt opgelegd als gevolg van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de tewerkgestelde komt het tijdvak gelegen tussen de gedeelten van de vervangende dienst in mindering op de duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden.

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 24

Vervallen

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 25

De vervangende dienst kan voor de tewerkgestelde, indien deze voor groot verlof in aanmerking komt, worden verlengd:

a. gedurende evenveel dagen als deze door ongeoorloofde afwezigheid niet aan de dagelijkse dienst heeft deelgenomen;

b. zolang het vertrek met groot verlof gevaar zou opleveren voor de verspreiding van een heersende of geheerst hebbende besmettelijke ziekte.

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 26

Vervallen

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 27

1 Het verlenen van groot verlof geschiedt door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2 De erkende gewetensbezwaarde met groot verlof is verplicht om aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen functionarissen inzage te verlenen van de aan de gewetensbezwaarde ter zake van de erkenning uitgereikte bescheiden alsmede om aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid desgevraagd alle gewenste inlichtingen te verschaffen in verband met de betreffende vervangende dienst.

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 28

De uit deze wet voortvloeiende verplichtingen met betrekking tot het vervullen van vervangende dienst zijn niet langer van toepassing indien de betrokkene:

a. blijkt daarvoor wegens ziekte of gebreken voorgoed ongeschikt te zijn;

b. blijkens een verdrag daartoe niet is verplicht; of

c. het Nederlanderschap verliest.

Hoofdstuk IV — Vervangende dienst

Artikel 29

1 Vervreemding, verpanding of belening van het aan de tewerkgestelde toekomende zakgeld is slechts geldig voor zover beslag op zijn zakgeld geldig zou zijn bij ontbreken van andere inkomsten.

2 Een volmacht tot invordering van het zakgeld is slechts geldig, indien zij schriftelijk is verleend. Zij is steeds herroepelijk.

3 Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig.

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 30

De tewerkgestelde die zich gedraagt in strijd met artikel 14 kan deswege disciplinair worden gestraft door een daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen persoon.

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 31

1 De disciplinaire straffen zijn:

a. berisping;

b. geldboete, van ten minste € 2 en ten hoogste het bedrag van het zakgeld over een halve maand;

c. verlenging van de duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden met ten hoogste veertien dagen.

2 Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald dat deze geheel of ten dele niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de tewerkgestelde zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim.

3 Een opgelegde geldboete kan worden geïnd door inhouding van het bedrag op het aan de tewerkgestelde toekomende zakgeld. Een geldboete kan niet worden geïnd, indien en voor zover daardoor de som van de in één kalendermaand te innen geldboeten, ingevolge deze wet aan de tewerkgestelde opgelegd, het bedrag gelijk aan één derde gedeelte van het zakgeld over één maand te boven zou gaan.

4 Bij beëindiging van de vervangende dienst in gewone omstandigheden worden geldboeten, voor zover zij nog niet zijn geïnd, op het nog aan de tewerkgestelde toekomende zakgeld ingehouden.

5 Geen straf van verlenging kan worden opgelegd indien en voor zover als gevolg daarvan de krachtens artikel 12 vastgestelde duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden van de tewerkgestelde met meer dan dertig dagen zou worden verlengd.

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 32

1 Geen straf wordt opgelegd of het voorwaardelijke karakter van een opgelegde straf herroepen dan nadat de tewerkgestelde in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk binnen zes maal vierentwintig uur te verantwoorden. Bij de uitnodiging zich te verantwoorden worden afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken meegezonden, tenzij het belang van geheimhouding van gegevens of het belang van derden zich daartegen verzet.

2 De tewerkgestelde die zich overeenkomstig het eerste lid heeft verantwoord wordt op verzoek in de gelegenheid gesteld ten overstaan van de strafoplegger dan wel een door deze aangewezen andere persoon een nadere mondelinge toelichting op de verantwoording te geven.

3 De strafoplegging of herroeping geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.

4 De gestrafte ontvangt van de strafoplegging of herroeping onverwijld bericht door toezending of uitreiking van het daartoe strekkende besluit. Daarbij wordt degene medegedeeld binnen welke termijn en bij welke instantie degene beroep kan instellen.

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 33

1 De gestrafte kan binnen vijf dagen na de ontvangst van het in artikel 32, vierde lid, bedoelde bericht beroep instellen bij de rechtbank Den Haag. De straf, behalve die van berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.

2 De behandeling van het beroep geschiedt door een meervoudige kamer van de rechtbank, welke zitting houdt en beslist met drie leden, van wie twee, onder wie de voorzitter, lid of plaatsvervangend lid zijn van de rechtbank en één niet tot de rechterlijke macht behoort. Laatstgenoemde en zoveel plaatsvervangers voor deze als Wij dienstig oordelen worden door Ons benoemd op voordracht van Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de tijd van vier jaren.

3 Aan de deskundige leden en hun plaatsvervangers wordt een vergoeding toegekend met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de rechters-plaatsvervangers. Op hen zijn artikel 4 en de artikelen 46c, 46ca, 46d, 46e, 46i met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l en 46m van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing.

4 Op de zittende leden van de in het tweede lid bedoelde kamer zijn de artikelen 512 tot en met 515 en de artikelen 517 en 518 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 34

1 Het beroep wordt ingesteld door indiening van een beroepschrift bij de griffie van de in artikel 33, eerste lid, genoemde rechtbank.

2 De rechtbank kan bij gemotiveerde beslissing verklaren, dat een na de beroepstermijn ingediend beroepschrift geacht wordt tijdig te zijn ingekomen indien de gestrafte redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 35

1 Het beroep wordt zo spoedig mogelijk behandeld. De voorzitter van de in artikel 33, tweede lid, bedoelde kamer bepaalt de dag van behandeling.

2 De gestrafte wordt ten minste zes dagen voor de behandeling van het beroep door de griffier opgeroepen. Daarbij wordt de gestrafte opmerkzaam gemaakt op de bevoegdheid zich door een raadsman te doen bijstaan, alsmede op het recht op kennisneming van de processtukken. Indien de gestrafte niet verschijnt en de rechtbank de aanwezigheid van de gestrafte noodzakelijk acht, kan zij de behandeling van het beroep voor bepaalde tijd uitstellen en de oproeping van de gestrafte gelasten. Verschijnt deze ten dienende dage wederom niet, dan kan de rechtbank het beroep vervallen verklaren.

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 36

1 De behandeling van het beroep geschiedt ter openbare terechtzitting. De voorzitter heeft de leiding van de behandeling. Hij kan op verzoek van de gestrafte of om redenen aan de openbare orde ontleend gelasten dat de behandeling achter gesloten deuren plaatsvindt.

2 De gestrafte kan zich door een raadsman doen bijstaan.

De rechtbank kan weigeren personen, die geen advocaat zijn, als raadsman toe te laten.

3 De rechtbank is bevoegd getuigen en deskundigen schriftelijk te bevragen of op te roepen. Vergoeding van door getuigen en deskundigen gemaakte kosten geschiedt overeenkomstig het bepaalde krachtens de Wet tarieven in strafzaken.

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 37

1 De rechtbank beslist uiterlijk op de veertiende dag na afloop van de behandeling van het beroep in een schriftelijke, met redenen omklede, uitspraak.

2 De voorlezing van de uitspraak in beroep geschiedt in het openbaar en de uitspraak wordt de gestrafte uitgereikt of toegezonden. Een afschrift van de uitspraak wordt toegezonden aan degene die de straf in eerste aanleg heeft opgelegd en aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

3 De rechtbank bevestigt in beroep de beslissing in eerste aanleg tot oplegging of uitvoerbaarverklaring van straf of vernietigt deze geheel of gedeeltelijk en doet de zaak zelf af.

4 Indien bij de beslissing in beroep een reeds geheel of gedeeltelijk ten uitvoer gelegde straf van verlenging van de duur van de vervangende dienst in gewone omstandigheden wordt tenietgedaan of verminderd, bepaalt de rechtbank, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, op welke wijze het door de gestrafte geleden nadeel zal worden hersteld.

5 Tegen de beslissing van de rechtbank staat geen verdere voorziening open.

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 38

1 Het recht van strafvordering vervalt door de toepassing van disciplinaire straf.

2 Boven de door de strafrechter uitgesproken straf zal geen disciplinaire straf worden opgelegd.

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 39

Vervallen

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 40

Vervallen

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 41

Vervallen

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 42

Vervallen

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 43

Vervallen

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 44

Vervallen

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 45

Vervallen

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 46

Vervallen

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 47

Vervallen

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 48

Vervallen

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 49

Vervallen

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 50

Vervallen

Hoofdstuk V — Tuchtrechtelijke bepalingen

Artikel 51

Vervallen

Hoofdstuk VI — Strafbepalingen

Artikel 52

1 Degene die opzettelijk niet voldoet aan een wettige oproeping tot het vervullen van vervangende dienst, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

2 Blijkt niet, dat het feit opzettelijk is gepleegd, dan wordt degene gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van de derde categorie.

Hoofdstuk VI — Strafbepalingen

Artikel 52a

1 Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die niet voldoet aan de ingevolge artikel 27, tweede lid, op hem rustende verplichtingen.

2 Met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die opzettelijk niet voldoet aan de ingevolge artikel 27, tweede lid, op hem rustende verplichtingen.

Hoofdstuk VI — Strafbepalingen

Artikel 53

1 De tewerkgestelde, die opzettelijk ongeoorloofd afwezig is, wordt gestraft:

a. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie, indien die afwezigheid langer dan vier dagen duurt;

b. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien die afwezigheid langer dan dertig dagen duurt dan wel de schuldige zich heeft verwijderd met het oogmerk zich voorgoed aan de dienstverplichtingen te onttrekken.

2 Onder afwezig zijn wordt verstaan het afwezig zijn van die plaats of plaatsen waar de tewerkgestelde zich ter vervulling van de op betrokkene rustende dienstverplichtingen behoort te bevinden; onder zich verwijderen wordt mede begrepen het zich schuil houden, afwezig blijven of achterblijven van die plaats of plaatsen.

Hoofdstuk VI — Strafbepalingen

Artikel 54

De tewerkgestelde die de dienstverplichtingen stelselmatig niet nakomt wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar en negen maanden of geldboete van de vierde categorie.

Hoofdstuk VI — Strafbepalingen

Artikel 55

1 De duur van een vrijheidsberoving ondergaan wegens overtreding van een van de artikelen 52, 52a, 53, eerste lid, en 54 komt in mindering op de duur van de vervangende dienst in gewone of buitengewone omstandigheden.

2 In gevallen waarin na toepassing van het eerste lid de tewerkgestelde nog verplicht is tot het vervullen van vervangende dienst gedurende één maand of minder, kan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de tewerkgestelde van deze verplichting ontslaan.

Hoofdstuk VI — Strafbepalingen

Artikel 55a

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan degene, die op grond van artikel 52, eerste lid, of wegens een misdrijf begaan tijdens de vervangende dienst onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, ontslaan van de voor die persoon uit deze wet voortvloeiende verplichtingen.

Hoofdstuk VI — Strafbepalingen

Artikel 55b

1 De in de artikelen 52, eerste lid, 52a, tweede lid, 53 en 54, strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

2 De in de artikelen 52, tweede lid, en 52a, eerste lid, strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Hoofdstuk VI — Strafbepalingen

Artikel 56

1 Met betrekking tot de voorlopige hechtenis worden misdrijven, omschreven in deze wet, gelijkgesteld met misdrijven, waarop als maximum een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

2 Met het opsporen van deze feiten zijn, behalve de ambtenaren, aangewezen bij artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen personen.

3 Zij die ingevolge het voorgaande lid met de opsporing zijn belast, kunnen degene die zich schuldig maakt aan een feit, strafbaar gesteld bij deze wet, na aanhouding overbrengen naar de plaats waar degene zich voor het vervullen van de dienstverplichtingen behoort te bevinden.

Hoofdstuk VII — Slotbepalingen

Artikel 57

1 De voor de uitvoering van deze wet nodige regelen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld, tenzij de wet anders bepaalt.

2 Hierbij zal de rechtspositie van de dienstplichtigen die als gewetensbezwaarden zijn erkend zoveel mogelijk op gelijke wijze worden geregeld als die van de dienstplichtige militairen.

Hoofdstuk VII — Slotbepalingen

Artikel 58

Alle stukken, die in verband met de bepalingen van deze wet of van de te harer uitvoering gegeven voorschriften worden gevorderd, ingediend, overgelegd of uitgereikt, zijn vrij van legesheffing, van kosten van legalisatie en van griffiekosten.

Hoofdstuk VII — Slotbepalingen

Artikel 59

Vervallen

Hoofdstuk VII — Slotbepalingen

Artikel 60

Vervallen

Hoofdstuk VII — Slotbepalingen

Artikel 60a

1 Ten aanzien van erkende gewetensbezwaarden worden de artikelen 11 tot en met 13 alsmede de artikelen 23 en 25 bij inwerkingtreding van de Kaderwet dienstplicht opgeschort.

2 Hoofdstuk 4 van de Kaderwet dienstplicht is van overeenkomstige toepassing.

3 De in het eerste lid bedoelde opschorting is niet van toepassing bij de oproeping van dienstplichtigen als bedoeld in artikel 64 van de Kaderwet dienstplicht.

Hoofdstuk VII — Slotbepalingen

Artikel 61

Deze wet kan worden aangehaald als "Wet gewetensbezwaren militaire dienst".

Hoofdstuk VII — Slotbepalingen

Artikel 62

Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.