wetzoeker

Besluit ter voorkoming en opheffing van omroepstoringen door verbrandingsmotoren 1959

Besluit van 17 april 1959, houdende voorschriften ter voorkoming en opheffing van omroepstoringen door verbrandingsmotoren

Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-01-1994
Rechtsgebied
Bestuursprocesrecht, Procesrecht
Ministerie
Infrastructuur en Milieu
BWB-id
BWBR0002313
Versie
1994-01-01_0
SHA-256 bron
62eb5f1ea32f91d9b640844a3c6aefe0de55b3a9bd4a4948a993122e7be8c518

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (8)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8

Artikel 1

Dit besluit verstaat onder:

a. "Onze minister", Onze minister belast met de zorg voor de zaken van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie;

b. "directeur-generaal", de directeur-generaal der Posterijen, Telegrafie en Telefonie;

c. "radiostoringscommissie", de commissie bedoeld bij artikel 13 van het Radiostoringsreglement 1951;

d. "radio-omroepontvangst", de ontvangst van de Nederlandse omroepzenders, werkende op frequenties tussen 40 en 240 megahertz;

e. "omroepstoring", de storing, welke veroorzaakt wordt in de radio-omroepontvangst door een aan een verbrandingsmotor dienstbaar zijnde elektrische ontstekingsinrichting, welke op een afstand van 10 meter een stoorveldsterkte opwekt van 50 microvolt per meter of meer.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit besluit wordt met radio-omroepontvangst gelijkgesteld de ontvangst van de Nederlandse beeldomroepzenders, werkende op frequenties tussen 40 en 240 megahertz.

Artikel 3

Het hebben of gebruiken van een aan een verbrandingsmotor dienstbaar zijnde elektrische ontstekingsinrichting, die omroepstoring kan veroorzaken, is verboden.

Artikel 4

Overtreding van het in artikel 3 gestelde verbod wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Artikel 5

De directeur-generaal is - gehoord de radiostoringscommissie - bevoegd in bijzondere gevallen te zijner beoordeling, zo nodig onder door hem te stellen voorwaarden, ontheffing te verlenen van het in artikel 3 gestelde verbod.

Artikel 6

Onze minister is bevoegd richtlijnen te geven met betrekking tot de wijze waarop kan worden nagegaan of door de elektrische ontstekingsinrichtingen van verbrandingsmotoren omroepstoring kan worden veroorzaakt.

Onze minister kan bepalen, dat door de directeur-generaal - gehoord de radiostoringscommissie - in de Nederlandse Staatscourant wordt ervan kennis wordt gegeven op welke wijze elektrische ontstekingsinrichtingen van verbrandingsmotoren zodanig kunnen worden ingericht, dat zij in het algemeen geen omroepstoring kunnen veroorzaken.

Artikel 7

Het in de artikelen 3, 4, 5 en 6 bepaalde is niet van toepassing op elektrische ontstekingsinrichtingen, welke dienstbaar zijn aan kennelijk voor uitvoer bestemde verbrandingsmotoren.

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking één jaar na de dagtekening van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Het kan worden aangehaald onder de titel: "Besluit ter voorkoming en opheffing van omroepstoringen door verbrandingsmotoren 1959".