wetzoeker

Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956

Wet van 23 juli 1957, houdende egalisatie en aanpassing van Indonesische pensioenen en daarmede in aard overeenkomende uitkeringen

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-01-2015
Rechtsgebied
Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht, Pensioenrecht
Ministerie
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
BWB-id
BWBR0002251
Versie
2015-01-01_0
SHA-256 bron
8fd3e9162cc18c918d5be6ec5d6654840f1fb2bd77d5f7edcbe20d7f469fc928

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (48)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 2a
  4. Artikel 3
  5. Artikel 3a
  6. Artikel 3b
  7. Artikel 3c
  8. Artikel 3d
  9. Artikel 3e
  10. Artikel 4
  11. Artikel 5
  12. Artikel 6
  13. Artikel 7
  14. Artikel 8
  15. Artikel 9
  16. Artikel 10
  17. Artikel 11
  18. Artikel 12
  19. Artikel 13
  20. Artikel 14
  21. Artikel 15
  22. Artikel 16
  23. Artikel 17
  24. Artikel 18
  25. Artikel 19
  26. Artikel 20
  27. Artikel 21
  28. Artikel 22
  29. Artikel 23
  30. Artikel 24
  31. Artikel 25
  32. Artikel 26
  33. Artikel 27
  34. Artikel 28
  35. Artikel 29
  36. Artikel 30
  37. Artikel 30a
  38. Artikel 30b
  39. Artikel 30c
  40. Artikel 30d
  41. Artikel 30e
  42. Artikel 30f
  43. Artikel 30g
  44. Artikel 31
  45. Artikel 32
  46. Artikel 33
  47. Artikel 34
  48. Artikel 35

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 1

Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet worden buiten werking gesteld:

a. de wet van 21 december 1951 (Stb. 590), houdende toekenning ten laste van het Rijk van een tijdelijke bijslag op bepaalde Indonesische pensioenen, zoals deze is gewijzigd bij de wet van 15 augustus 1955 (Stb. 400);

b. de wet van 23 april 1952 (Stb. 218), houdende toekenning ten laste van het Rijk van een tijdelijke bijslag op bepaalde Indonesische weduwenpensioenen en wezenonderstanden, zoals deze is gewijzigd bij de wet van 15 augustus 1955 (Stb. 400);

c. de Toeslagwet-1954 Indonesische uitkeringen (Stb. 1955, 401), ten aanzien van uitkeringen, welke voor een aanpassingstoeslag krachtens deze wet in aanmerking komen.

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 2

1 In deze wet wordt verstaan onder:

a. "Garantiewetten":

de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië en de Garantiewet Militairen K.N.I.L.;

b. "overheidsdienaren":

1. vóór de soevereiniteitsoverdracht in dienst getreden:

burgerlijke of militaire landsdienaren van Nederlandsch-Indië (Indonesië), ambtenaren van de zelfstandige gemeenschappen, ingesteld op de voet van de artikelen 119, 121 of 123 der Indische Staatsregeling, van de waterschappen, bedoeld in artikel 186 van die staatsregeling, en van de zelfbesturende landschappen in Indonesië, pensioengerechtigde leerkrachten bij het gesubsidieerd onderwijs in Indonesië, ambtenaren van het Beheerskantoor in Indonesië van de voormalige Indische Pensioenfondsen en personeel bij de Lands Landbouwbedrijven in Indonesië, allen met uitzondering van hen, die de Indonesische nationaliteit bezitten;

2. dienst- en reserveplichtigen van het voormalige Koninklijk Nederlands Indisch Leger, aan wie of aan wier nagelaten betrekkingen op grond van de vóór 8 december 1941 gegolden hebbende voorschriften een pensioen is toegekend tengevolge van in en door de dienst bekomen letsel, met uitzondering van hen, die de Indonesische nationaliteit bezitten;

3. personen, aan wie krachtens de Garantiewetten garanties zijn of zullen zijn verleend;

c. "pensioenen", "weduwenpensioenen" onderscheidenlijk "wezenonderstanden":

door gewezen overheidsdienaren, hun weduwen onderscheidenlijk hun wezen genoten pensioenen, onderstanden en daarmede in aard overeenkomende, onder welke benaming ook verleende periodieke uitkeringen - met uitzondering van die, toegekend krachtens of op de voet van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (Ind. Stb. 1946, 48), zoals deze sedert is gewijzigd, dan wel van de Pensioenwet 1922, de Algemene burgerlijke pensioenwet of een overeenkomst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP die van toepassing is op overheidswerknemers die werkzaam zijn in de sector Rijk -, welke geheel of gedeeltelijk ten laste van de Republiek Indonesië dan wel ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling ten laste van Nederland of van een door Nederland ingesteld orgaan komen, daaronder begrepen de duurtetoeslag bedoeld in de bij het besluit van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië van 2 oktober 1946, no. 12 goedgekeurde, bij de beschikking van de Gecommitteerde voor Indonesische Zaken bij het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen van 15 juli 1946, Afd. A., no. 47, vastgestelde Duurtetoeslag- en Kindertoelageregeling, zoals deze is gewijzigd, laatstelijk bij beschikking van de Fungerend Gedelegeerde van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië van 20 januari 1950, Afd. HAPZ, no. 77, met dien verstande, dat, indien bij de vaststelling van de in laatstgenoemde beschikking geregelde duurtetoeslag de mede in die beschikking genoemde kindertoelage in aanmerking is gebracht, deze op die duurtetoeslag in mindering dient te worden gebracht;

d. "overige uitkeringen":

1. de pensioenuitkeringen, toegekend aan de gewezen Gouverneurs-Generaal en Hoge Vertegenwoordigers van de Kroon in Indonesië;

2. de toelagen, verleend aan Vlagofficieren der Koninklijke Marine, die de functie van Hoofd van het Departement der Marine in Indonesië hebben bekleed;

3. de pensioenuitkeringen, toekomende op grond van artikel 33, onder 2, van de Regeling voor het Reservepersoneel van het Leger in Nederlandsch-Indië (Ind. Stb. 1923, 518), zoals deze sedert is gewijzigd;

e. "Nederlandse pensioenen":

pensioenuitkeringen, welke voor de berekening van het totaal der pensioenen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, dan wel artikel 98, eerste lid, van de Pensioenwet 1922 (Stb. 240), in beschouwing worden genomen dan wel, met betrekking tot na het tijdstip van inwerkingtreding van de Algemene burgerlijke pensioenwet gelegen perioden, pensioenuitkeringen als bedoeld in artikel A 2 en artikel J 14, lid 5 , van die wet, alsmede pensioenuitkeringen op grond van een overeenkomst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP die van toepassing is op overheidswerknemers die werkzaam zijn in de sector Rijk,

2 Naar de in artikel 32 gemaakte onderscheiding is Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderscheidenlijk Onze Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd andere periodieke uitkeringen dan die, omschreven in het eerste lid, onder c of d, voor de toepassing van deze wet gelijk te stellen met pensioenen, weduwenpensioenen of wezenonderstanden dan wel met overige uitkeringen.

3 Tenzij anders blijkt, worden voor de toepassing van deze wet pensioenen, weduwenpensioenen, wezenonderstanden en overige uitkeringen geacht in euro's te luiden.

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 2a

Vervallen

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 3

Vervallen

Hoofdstuk I-A — Vervallen

Artikel 3a

Vervallen

Hoofdstuk I-A — Vervallen

Artikel 3b

Vervallen

Hoofdstuk I-A — Vervallen

Artikel 3c

Vervallen

Hoofdstuk I-A — Vervallen

Artikel 3d

Vervallen

Hoofdstuk I-A — Vervallen

Artikel 3e

Vervallen

Hoofdstuk II — Vervallen

Artikel 4

Vervallen

Hoofdstuk II — Vervallen

Artikel 5

Vervallen

Hoofdstuk II — Vervallen

Artikel 6

Vervallen

Hoofdstuk II — Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Hoofdstuk II — Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Hoofdstuk II — Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Hoofdstuk II — Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Hoofdstuk II — Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Hoofdstuk II — Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Hoofdstuk II — Vervallen

Artikel 13

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 15

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 16

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 17

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 18

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 19

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 20

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 21

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 22

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 23

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 24

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 25

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 26

Vervallen

Hoofdstuk III — Vervallen

Artikel 27

Vervallen

Hoofdstuk IV — Vervallen

Artikel 28

Vervallen

Hoofdstuk IV — Vervallen

Artikel 29

Vervallen

Hoofdstuk V — Vervallen

Artikel 30

Vervallen

Hoofdstuk V-A — Vervallen

Artikel 30a

Vervallen

Hoofdstuk V-A — Vervallen

Artikel 30b

Vervallen

Hoofdstuk V-A — Vervallen

Artikel 30c

Vervallen

Hoofdstuk V-A — Vervallen

Artikel 30d

Vervallen

Hoofdstuk V-A — Vervallen

Artikel 30e

Vervallen

Hoofdstuk V-A — Vervallen

Artikel 30f

Vervallen

Hoofdstuk V-A — Vervallen

Artikel 30g

Vervallen

Hoofdstuk VI — Slotbepalingen

Artikel 31

1 Indien een persoon, die recht heeft op pensioen, weduwenpensioen, wezenonderstand of overige uitkering ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet langdurige zorg een bijdrage verschuldigd is in de kosten van zorg, is het orgaan, dat belast is met de uitbetaling van het pensioen, het weduwenpensioen, de wezenonderstand of de overige uitkering en toeslagen krachtens deze wet, bevoegd het pensioen, het weduwenpensioen, de wezenonderstand, de overige uitkering en de toeslagen tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in plaats van aan die persoon zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

2 Het in het voorgaande lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van uitbetaling van pensioenen als bedoeld in de Bijzondere Ongevallenregeling Dienst- en Reserveplichtigen (Ind. Stb. 1947, 154) en daarop verleende toeslagen.

Hoofdstuk VI — Slotbepalingen

Artikel 32

1 In de gevallen, waarin deze wet niet of niet naar billijkheid voorziet en welke betrekking hebben op weduwenpensioenen en wezenonderstanden, is Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevoegd in overeenstemming met Onze Minister van Financiën voorzieningen te treffen.

2 In alle overige gevallen, waarin deze wet niet of niet naar billijkheid voorziet, is Onze Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd in overeenstemming met Onze Minister van Financiën voorzieningen te treffen.

Hoofdstuk VI — Slotbepalingen

Artikel 33

1 De kosten van deze wet komen ten laste van Hoofdstuk VII der Rijksbegroting.

2 Onze Ministers van Buitenlandse Zaken en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijzen de organen aan, welke de toeslagen en toelagen verlenen en/of uitbetalen.

Hoofdstuk VI — Slotbepalingen

Artikel 34

Deze wet kan worden aangehaald als "Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956".

Hoofdstuk VI — Slotbepalingen

Artikel 35

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst.