wetzoeker

Artikel 2 Besluit vrijstelling herhalingsoefeningen reserve-personeel

1 Aan hem, die tot het personeel behoort en die:

a. op grond van het bepaalde in Ons besluit is vrijgesteld van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden;

b. de hoedanigheid bezit als omschreven in artikel 2, eerste lid, a, onder nummer 13 of 14, van Ons besluit en op grond daarvan in aanmerking komt voor vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden, doch ten aanzien van wie, op grond van het bepaalde in het tweede lid van dat artikel, de vrijstelling niet is verleend of de verleende vrijstelling is ingetrokken; of

c. op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van Ons besluit in aanmerking komt voor vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden, doch ten aanzien van wie, op grond van het bepaalde in het derde lid van dat artikel, de vrijstelling niet is verleend of de verleende vrijstelling is ingetrokken;

zal door Onze Minister vrijstelling worden verleend van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van gewone omstandigheden.

2 De in het voorgaande lid bedoelde vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van gewone omstandigheden zal door Onze Minister niet worden verleend of, indien de vrijstelling reeds is verleend, worden ingetrokken, indien een militair, als bedoeld in het voorgaande lid onder b of c, schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven niet of niet langer voor vrijstelling in aanmerking te willen komen en het algemeen belang zich tegen inwilliging van dat verzoek niet verzet.

Regeling
Besluit vrijstelling herhalingsoefeningen reserve-personeel
Soort
KB
Geldend vanaf
17-10-1997
BWB-id
BWBR0002237
Versie
1997-10-17_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl