wetzoeker

Artikel 6 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956

Periodieke uitkeringen, vruchtgebruik, leegwaarderatio van verhuurde woningen en waarde van erfpachtcanon

1 De waarde van een periodieke uitkering in geld welke na een bepaalde tijd vervalt, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met het aantal jaren gedurende welke zij moet plaatshebben, iedere euro berekend tegen de volgende bedragen:

indien de uitkering afhankelijk is van het leven van een persoon | indien de uitkering niet van het leven afhankelijk is

jonger dan 40 jaar | 40 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar | 60 jaar of ouder

het eerste vijftal jaren | 0,84 | 0,83 | 0,75 | 0,85

het tweede vijftal jaren | 0,62 | 0,60 | 0,40 | 0,64

het derde vijftal jaren | 0,46 | 0,42 | 0,15 | 0,48

het vierde vijftal jaren | 0,34 | 0,28 | 0,04 | 0,36

het vijfde vijftal jaren | 0,25 | 0,18 | 0,02 | 0,28

de volgende jaren | 0,12 | 0,06 | – | 0,15

2 De waarde, naar de in het eerste lid bedoelde berekening vastgesteld, kan, indien de uitkering afhankelijk is van het leven, niet hoger zijn dan de waarde welke verkregen zou zijn wanneer de uitkering niet tevens na een bepaalde tijd zou vervallen, en, indien zij niet van het leven afhankelijk is, niet meer bedragen dan het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag.

3 De waarde van een periodieke uitkering in geld voor onbepaalde tijd, welke niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag.

Regeling
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956
Afkortingen
Uitv besl SW
Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-01-2026
BWB-id
BWBR0002227
Versie
2026-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl