wetzoeker

Instellingswet Productschap voor Zuivel

Wet van 2 februari 1956, houdende instelling van een productschap voor zuivel

Soort
Wet
Geldend vanaf
15-10-1956
Rechtsgebied
Agrarisch recht
Ministerie
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
BWB-id
BWBR0002205
Versie
1956-10-15_0
SHA-256 bron
c4ab7d5ddf26260f13e9df4db71d9c45d42c7dc002b9ff451413ae8cf3c7cf4b

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (10)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10

Artikel 1

1 Er is een Productschap voor Zuivel.

2 Het productschap heeft zijn zetel te 's-Gravenhage.

Artikel 2

1 Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin:

melk wordt gewonnen;

melk of daaruit verkregen producten worden be- of verwerkt tot producten, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijk voedsel kunnen dienen, dan wel uit melk verkregen producten worden verwerkt tot caseïne;

de handel - met uitzondering van de aanvoer-, transito- en driehoekshandel - wordt uitgeoefend in melk of in daaruit verkregen producten, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijk voedsel kunnen dienen.

2 Deze wet verstaat onder: melk: melk van runderen.

3 Deze wet verstaat onder handel mede de werkzaamheid van tussenpersonen.

Artikel 3

Het bestuur van het productschap bestaat uit 18 leden. Daarvan worden benoemd:

voor de ondernemingen op het gebied van | door organisaties van ondernemers | door organisaties van werknemers

de veehouderij en het boerenkaasmakersbedrijf | 3 leden | 3 leden

de melk-, melkproducten- en zuivelproductenindustrie | 3 leden | 3 leden

de groothandel in melk- en zuivelproducten | 2 leden | 2 leden

de detailhandel in melk en melk- en zuivelproducten | 1 lid | 1 lid

Artikel 4

1 Aan het productschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de volgende onderwerpen:

a. aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, waaronder, indien of voor zover dit door Ons is bepaald, de prijzen begrepen zijn;

b. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het productschap is ingesteld;

c. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het productschap nodige gegevens;

d. de voor de vervulling van de taak van het productschap nodige inzage van boeken en bescheiden en bezichtiging en opneming van bedrijfsmiddelen en voorraden van ondernemingen.

2 Als aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet aangemerkt:

a. de vestiging, uitbreiding en stillegging van ondernemingen;

b. de in- en uitvoer.

3 Verordeningen betreffende de in het eerste lid bedoelde onderwerpen hebben niet betrekking op de aanvoer-, transito- en driehoekshandel.

4 Verordeningen betreffende onderwerpen als bedoeld in het eerste lid, onder c en d, houden waarborgen in tegen misbruik van de ingevolge die verordeningen te verstrekken gegevens.

Artikel 5

Overtredingen van het bepaalde bij of krachtens een op grond van artikel 93, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K 22) vastgestelde verordening kunnen bij die verordening worden aangewezen als strafbare feiten.

Artikel 6

Bij een op grond van artikel 93, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie vastgestelde verordening kan worden bepaald, dat de bij of krachtens die verordening gestelde regelen mede andere dan de in artikel 102, eerste lid, van genoemde wet bedoelde natuurlijke en rechtspersonen binden, voor zover deze handelingen verrichten, die bedrijfsmatig in de ondernemingen, waarvoor het productschap is ingesteld, plegen te worden verricht.

Artikel 7

1 Verordeningen, waarbij krachtens artikel 126, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie een heffing wordt opgelegd tot een in die verordeningen vermeld ander doel dan dekking van de huishoudelijke uitgaven van het productschap, behoeven, in afwijking van het derde lid van dat artikel, de goedkeuring van Onze betrokken Ministers; zij worden terstond na vaststelling ter kennisneming aan de Sociaal-Economische Raad toegezonden.

2 Tot instelling van een fonds in het belang der bedrijfsgenoten wordt besloten bij verordening. Zodanige verordening behoeft de goedkeuring van Onze betrokken Ministers.

3 Onze betrokken Ministers kunnen bepalen, dat besluiten tot uitbetalingen ten laste van een fonds in het belang der bedrijfsgenoten hun goedkeuring behoeven.

Artikel 8

Voor de toepassing van deze wet en van de artikelen 94, 100, derde lid, en 104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie ten aanzien van het productschap worden als Onze betrokken Ministers aangemerkt Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, Onze Minister van Economische Zaken.

Artikel 9

Deze wet kan worden aangehaald als: Instellingswet Productschap voor Zuivel.

Artikel 10

Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.