wetzoeker

Besluit vaststelling premieregeling reserve-personeel bij de gronddienst van de Koninklijke Luchtmacht

Besluit van 10 november 1954, houdende vaststelling van een premieregeling voor reserve-personeel bij de gronddienst van de Koninklijke Luchtmacht

Soort
AMvB
Geldend vanaf
27-07-1961
Rechtsgebied
Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht, Militaire ambtenarenrecht
Ministerie
Defensie
BWB-id
BWBR0002159
Versie
1961-07-27_0
SHA-256 bron
f8eb2c5192e1b1f553c386a8dbec599ac233a52c662326acf4ce6135a3fdbf45

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (3)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder maand:

de periode, gerekend van een datum tot de overeenkomstige datum van de volgende kalendermaand.

Artikel 2

1 Een militair of gewezen militair, die een verbintenis als bedoeld in artikel 1, in artikel 5, eerste of derde lid - in het laatste geval hetzij voor de eerste maal, hetzij na verlenging voor een tweede maal - of in artikel 6, tweede lid, van het Besluit verbintenissen gronddienst Luchtmacht, ten volle heeft volbracht, dan wel wiens zodanige verbintenis door een niet van zijn handelen of nalaten afhankelijke oorzaak is geëindigd binnen het tijdvak waarvoor zij is aangegaan, heeft voor elke maand welke hij krachtens de bedoelde - eventueel verlengde - verbintenis, anders dan ter voldoening aan de in artikel 1 onder 1° van het vorengenoemde besluit bedoelde verplichting, in werkelijke dienst heeft doorgebracht, aanspraak op een geldelijke uitkering.

2 De in lid 1 bedoelde geldelijke uitkering bedraagt voor een maand:

a. f 166,- indien de militair of gewezen militair op de laatste dag van die maand een officiersrang bekleedde;

b. f 116,- in alle andere dan de onder a bedoelde gevallen.

3 Indien een verbintenis door de in het eerste lid genoemde oorzaak niet ten volle wordt volbracht, wordt voor de berekening van de in dat lid bedoelde geldelijke uitkering een gedeelte van een maand aangemerkt als een volle maand.

Artikel 3

Een uitkering als bedoeld in artikel 2 wordt uitbetaald binnen twee weken nadat daarop aanspraak is ontstaan, tenzij de belanghebbende te kennen geeft, dat hij aan uitbetaling op een later tijdstip of aan uitbetaling in termijnen de voorkeur geeft, in welk geval zulks kan plaats vinden met toepassing van door Onze Minister van Defensie ter zake gestelde regelen.