wetzoeker

Inkwartieringsbesluit

Besluit van 20 juli 1953, tot vaststelling van regelen ter uitvoering van de Inkwartieringswet

Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-01-2002
Rechtsgebied
Militair recht, Staats- en bestuursrecht
Ministerie
Defensie
BWB-id
BWBR0002113
Versie
2002-01-01_0
SHA-256 bron
b0fa77a18d05ba7b68b2a368782c95ff7320bbd1c2622917a4897c5d08c6bc5d

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (153)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28
  29. Artikel 29
  30. Artikel 30
  31. Artikel 31
  32. Artikel 32
  33. Artikel 33
  34. Artikel 34
  35. Artikel 35
  36. Artikel 36
  37. Artikel 37
  38. Artikel 38
  39. Artikel 39
  40. Artikel 40
  41. Artikel 41
  42. Artikel 42
  43. Artikel 43
  44. Artikel 44
  45. Artikel 45
  46. Artikel 46
  47. Artikel 47
  48. Artikel 48
  49. Artikel 49
  50. Artikel 50
  51. Artikel 51
  52. Artikel 52
  53. Artikel 53
  54. Artikel 54
  55. Artikel 55
  56. Artikel 56
  57. Artikel 57
  58. Artikel 58
  59. Artikel 59
  60. Artikel 60
  61. Artikel 61
  62. Artikel 62
  63. Artikel 63
  64. Artikel 64
  65. Artikel 65
  66. Artikel 66
  67. Artikel 67
  68. Artikel 68
  69. Artikel 69
  70. Artikel 70
  71. Artikel 71
  72. Artikel 72
  73. Artikel 73
  74. Artikel 74
  75. Artikel 75
  76. Artikel 76
  77. Artikel 77
  78. Artikel 78
  79. Artikel 79
  80. Artikel 80
  81. Artikel 81
  82. Artikel 82
  83. Artikel 82a
  84. Artikel 82b
  85. Artikel 82c
  86. Artikel 82d
  87. Artikel 82e
  88. Artikel 82f
  89. Artikel 82g
  90. Artikel 82h
  91. Artikel 82i
  92. Artikel 82j
  93. Artikel 82k
  94. Artikel 82l
  95. Artikel 82m
  96. Artikel 82n
  97. Artikel 82o
  98. Artikel 82p
  99. Artikel 82q
  100. Artikel 82r
  101. Artikel 82s
  102. Artikel 82t
  103. Artikel 82u
  104. Artikel 82v
  105. Artikel 82w
  106. Artikel 82x
  107. Artikel 82y
  108. Artikel 82z
  109. Artikel 83
  110. Artikel 84
  111. Artikel 85
  112. Artikel 86
  113. Artikel 87
  114. Artikel 88
  115. Artikel 89
  116. Artikel 90
  117. Artikel 91
  118. Artikel 92
  119. Artikel 93
  120. Artikel 94
  121. Artikel 95
  122. Artikel 96
  123. Artikel 97
  124. Artikel 98
  125. Artikel 98a
  126. Artikel 99
  127. Artikel 100
  128. Artikel 101
  129. Artikel 102
  130. Artikel 103
  131. Artikel 104
  132. Artikel 105
  133. Artikel 106
  134. Artikel 107
  135. Artikel 108
  136. Artikel 108a
  137. Artikel 108b
  138. Artikel 109
  139. Artikel 110
  140. Artikel 111
  141. Artikel 112
  142. Artikel 113
  143. Artikel 114
  144. Artikel 115
  145. Artikel 116
  146. Artikel 117
  147. Artikel 118
  148. Artikel 119
  149. Artikel 120
  150. Artikel 121
  151. Artikel 122
  152. Artikel 123
  153. Artikel 124

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. de wet: de Inkwartieringswet;

b. Onze Minister: Onze Minister van Defensie.

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 2

In dit besluit wordt mede verstaan onder:

a. vordering in eigendom: de in eigendomneming krachtens artikel 28 der wet, alsmede de beschikbaarstelling in eigendom vanwege de gemeente krachtens artikel 6 der wet;

b. vordering in gebruik: de ingebruikneming krachtens artikel 28 der wet, alsmede de beschikbaarstelling in gebruik vanwege de gemeente krachtens artikel 6 der wet.

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 3

1 Geen verstrekkingen worden gevorderd indien daardoor de uitoefening van een beroep of bedrijf in ernstige mate wordt belet of belemmerd.

2 Het in het voorgaande lid gestelde lijdt uitzondering in geval van buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, indien en voor zover de commandant, die vordert, van oordeel is dat het belang waarvoor de vordering geschiedt voorrang dient te hebben op de voorziening in de essentiële behoeften van de volkshuishouding, tenzij het betreft zaken en diensten van vitaal belang voor de functionnering van bedrijven, welke zijn opgenomen op een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat, samengestelde lijst.

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 4

1 Geen vordering vindt plaats:

a. van onroerende zaken, vermeld in de Voorlopige Lijst der Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst, opgemaakt door de Rijkscommissie, ingesteld bij Koninklijk besluit van 7 Juli 1903, no. 44, en door de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, ingesteld bij Koninklijk besluit van 10 Mei 1918, no. 66, tenzij het Hoofd van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg desgevraagd heeft verklaard dat daartegen uit een oogpunt van monumentenzorg geen bezwaar bestaat;

b. van onroerende zaken, opgenomen in een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat, samengestelde lijst, vermeldende gebouwen welke naar hun inhoud of naar het doel, waarvoor zij gebruikt worden, van wetenschappelijke of culturele betekenis zijn, alsmede gebouwen welke uitsluitend gebruikt worden voor de uitoefening van de openbare eredienst;

c. van terreinen, welke naar het oordeel van de Houtvester van het Staatsbosbeheer uit een oogpunt van natuur- of landschapsschoon of wegens hun betekenis voor de natuurwetenschappen van bijzonder belang zijn.

2 Onze in het voorgaande lid genoemde Ministers bepalen in hoeverre in geval van buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, van het gestelde in het eerste lid kan worden afgeweken. Daaromtrent worden bij de instructie, bedoeld in het derde lid van artikel 28 der wet, nadere voorschriften gegeven.

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 5

Zo min mogelijk worden verstrekkingen gevorderd, waardoor de uitoefening van de openbare eredienst en de werkzaamheden in het belang van de gezondheidszorg, alsmede die van instellingen van weldadigheid en van sociale instellingen worden belet of belemmerd.

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 6

1 Geen verstrekkingen worden gevorderd van Ons en van de Leden van Ons Huis.

2 Bij de toepassing van de wet en van dit besluit worden de uitzonderingen, welke in het volkenrecht zijn erkend, in acht genomen.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 7

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. de commandant: de officieren van de zee-, land- en luchtstrijdkrachten, bedoeld in het eerste en vierde lid van artikel 28 der wet, alsmede voor wat betreft de eerste afdeling en de tweede paragraaf van de derde afdeling van dit hoofdstuk, degenen die krachtens artikel 6 der wet bevoegd zijn een aanvraag te richten tot de burgemeester;

b. zomer: het tijdvak van 1 Mei-1 October;

c. winter: het tijdvak van 1 October-1 Mei.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 8

In de hierna volgende bepalingen van dit hoofdstuk worden onder officier mede begrepen de adjudant-onderofficier en de onderofficier met een daaraan gelijkgestelde of hogere rang.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 9

In ruimten, welke krachtens dit hoofdstuk verwarmd moeten zijn, dient de temperatuur tenminste 16° Celsius te bedragen.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 10

De in dit hoofdstuk vermelde verstrekkingen worden alleen verschaft op de wijze en in de mate als door de commandant wordt aangevraagd of gevorderd.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 11

1 Aan de vordering tot inkwartiering wordt, al naar gelang de commandant zulks aanvraagt of vordert, voldaan door:

a. verstrekking van individuele inkwartiering;

b. verstrekking van collectieve inkwartiering.

2 Onder individuele inkwartiering wordt verstaan het onder dak brengen van ten hoogste twee militairen in een afzonderlijke kamer van een bewoond huis.

3 Onder collectieve inkwartiering wordt verstaan het gezamenlijk onderdak brengen van meer dan twee militairen in een ruimte.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 12

1 Officieren en afzonderlijk reizende militairen worden, met inachtneming van artikel 14 der wet, zoveel mogelijk individueel ingekwartierd.

2 Indien de toestand ter plaatse geen voldoende individuele inkwartiering toelaat, kunnen officieren tot de troep behorende ook collectief worden ingekwartierd, met dien verstande dat zij steeds gezamenlijk in een of meer afzonderlijke ruimten moeten kunnen worden ingekwartierd.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 13

1 Als besmettelijke ziekten in de zin van het tweede lid van artikel 19 der wet worden aangemerkt:

Pest

Cholera

Gele koorts

Vlektyphus en andere Rickettsiosen

Febris Recurrens

Pokken (Variola major en minor)

Febris Typhoidea

Salmonellosen

Bacillaire Dysenterie

Amoeben Dysenterie

Roodvonk

Diphterie

Meningitis Cerebrospinalis (Epidemica)

Poliomyelitis Anterior Acuta

Encephalitis Lethargica

Leptospirosen

Ornithosis

Hepatitis Infectiosa

Open longtuberculose.

2 Onder gebouwen, waarin een besmettelijke ziekte heerst, worden mede begrepen gebouwen waarin een kiemdrager verblijft van:

Febris Typhoidea

Salmonellosen

Bacillaire Dysenterie

Amoeben Dysenterie.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 2 — Individuele inkwartiering

Artikel 14

1 In geval van individuele inkwartiering moet worden verschaft een behoorlijke kamer, voorzien van:

a. per militair een ledikant of bedstede met matras, hoofdkussen, kussensloop, twee bedlakens, en een deken des zomers en twee des winters, een en ander van deugdelijke hoedanigheid en in zindelijke staat verkerend;

b. een tafel, alsmede per militair een stoel of bank;

c. wasgelegenheid met voldoende waswater;

d. behoorlijke verlichting.

2 De kamer, het meubilair en de overige zaken genoemd in het eerste lid worden door de zorg van de kwartiergever schoongehouden.

3 In geval van inkwartiering des winters dient de in het eerste lid bedoelde kamer verwarmd te zijn gedurende de avonduren, of dient de ingekwartierde een plaats in een verwarmd en behoorlijk verlicht vertrek te worden verschaft, zulks ter keuze van de kwartiergever.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 2 — Individuele inkwartiering

Artikel 15

Voor opper- of vlagofficieren, alsmede voor door Onze Minister aangewezen hoofdofficieren, wordt zo mogelijk boven de in artikel 14 omschreven verstrekking nog verschaft een behoorlijk verlichte en des winters ook verwarmde werkkamer, voorzien van de nodige meubelen, waaronder een tafel en enige stoelen. Alsdan behoeft de in artikel 14 bedoelde kamer niet verwarmd te zijn.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 2 — Individuele inkwartiering

Artikel 16

1 In geval van individuele inkwartiering met voeding draagt degene, van wie de inkwartiering is gevorderd, zorg voor de maaltijden van de ingekwartierde.

2 Wanneer de kwartiergever verlangt dat de ingekwartierde militair aan de gewone maaltijden van het gezin deelneemt, wordt daaraan voldaan voorzover de militaire dienst zulks toelaat.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 3 — Collectieve Inkwartiering › § 1 — Algemene bepalingen

Artikel 17

1 De ruimten in deze afdeling bedoeld moeten voldoen aan de eisen, welke Onze Minister op het gebied van de gezondheidszorg daaraan stelt.

2 Zij dienen behoorlijk verlicht en des winters zonodig ook verwarmd te zijn.

3 Zij dienen, zo geen brandblusapparaten aanwezig zijn, voorzien te zijn van een voldoende hoeveelheid zand en een voldoend aantal emmers met schoppen.

4 De ruimten dienen, voorzover zij door of vanwege de militaire gebruikers onderhouden worden, voorzien te zijn van schoonmaakgereedschap en reinigingsmiddelen.

5 Voorzover de ruimten niet aan de in dit artikel gestelde eisen voldoen, worden door de zorg van de burgemeester in overeenstemming met de commandant de nodige voorzieningen getroffen.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 3 — Collectieve Inkwartiering › § 2 — Anders dan in buitengewone omstandigheden

Artikel 18

1 In geval van collectieve inkwartiering moet voor de legering van militairen worden verschaft:

a. per militair een ruimte van tenminste 12 m3 inhoud met een vloeroppervlakte van tenminste 1,50 m bij 2,50 m in een daartoe geschikt gebouw;

b. per militair een hoeveelheid vers ligstro van 15 kg in geval van militaire zijde een bedzak en een kussenzak zijn verstrekt, en van ten hoogste 25 kg indien geen bedzak en kussenzak zijn verstrekt, dan wel een matras.

2 Indien bedzakken en kussenzakken zijn verstrekt, dient het stro eenmaal in de drie maanden ververst te worden. Indien geen bedzakken en kussenzakken zijn verstrekt, dient het stro eenmaal per maand ververst te worden en dient tussentijds een vierde deel van de totale hoeveelheid bijgevuld te worden.

3 Het stro, dat bij het einde van de collectieve inkwartiering en bij de verversing vrij komt, wordt door de zorg van de burgemeester zo mogelijk tegen de marktprijs ten bate van het Rijk verkocht, waarbij degenen die het stro verstrekt hebben in de gelegenheid worden gesteld het stro terug te kopen.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 3 — Collectieve Inkwartiering › § 2 — Anders dan in buitengewone omstandigheden

Artikel 19

1 De gebouwen, bedoeld in het eerste lid van artikel 18, dienen voorzien te zijn van voldoende sanitaire installaties, waarbij als regel geldt dat per 20 man een toilet en één waterkraan of -pomp of per man één wasblik met voldoende waswater beschikbaar is.

2 Indien geen voldoende sanitaire installaties aanwezig zijn, doet de burgemeester in overeenstemming met de commandant de nodige voorzieningen treffen.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 3 — Collectieve Inkwartiering › § 2 — Anders dan in buitengewone omstandigheden

Artikel 20

1 In geval van collectieve inkwartiering met voeding worden, behoudens de verstrekking bedoeld in de vierde afdeling, lokalen verschaft, geschikt tot het nuttigen van maaltijden en voorzien van een voldoend aantal tafels en stoelen of banken.

2 Voorts dienen bij collectieve inkwartiering verschaft te worden:

a. gebouwen of gedeelten van gebouwen voor het inrichten van bureaux met tafels, stoelen en zo mogelijk kasten, met dien verstande dat per militair beschikt kan worden over een bureauruimte met een oppervlakte van 1/3 m2;

b. gebouwen of gedeelten van gebouwen of terreinen voor de opslag en plaatsing van materieel en voorraden, met dien verstande dat per militair beschikt kan worden over een bergruimte met een oppervlakte van 1/3 m2 en een al dan niet overdekte parkeergelegenheid met een oppervlakte van 3 m2;

c. lokalen, geschikt tot het betrekken van wachten, voorzien van een tafel en stoelen.

3 De in het tweede lid onder a bedoelde gebouwen of gedeelten van gebouwen alsmede de onder c bedoelde lokalititen dienen zoveel mogelijk voorzien te zijn van een telefoonaansluiting.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 3 — Collectieve Inkwartiering › § 2 — Anders dan in buitengewone omstandigheden

Artikel 21

In geval van collectieve inkwartiering worden de in arrest gestelde militairen ondergebracht in bestaande arrestantenlokalen.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 3 — Collectieve Inkwartiering › § 2 — Anders dan in buitengewone omstandigheden

Artikel 22

1 Indien voor de legering gebruik gemaakt wordt van tenten of slaapzakken, worden daarvoor geschikte terreinen beschikbaar gesteld.

2 Bij voorkeur worden bestaande kampeerterreinen beschikbaar gesteld, voorzover daardoor het gebruik door burgers niet in ernstige mate wordt geschaad.

3 De artikelen 18 en 19 zijn alsdan van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 3 — Collectieve Inkwartiering › § 2 — Anders dan in buitengewone omstandigheden

Artikel 23

Voor de stalling van paarden dient beschikbaar te worden gesteld een ruimte van tenminste 1.50 m breedte en 3 m lengte per paard in stallen of daartoe geschikte gebouwen.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 3 — Collectieve Inkwartiering › § 3 — Buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat

Artikel 24

In geval van buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, dienen boven de verstrekkingen genoemd in de vorige paragraaf ten behoeve van de collectief ingekwartierde militairen nog verschaft te worden:

a. dekens, handdoeken en zeep;

b. lokalen geschikt tot het geven van theorie en voor ontspanning, voorzien van tafels en stoelen of banken;

c. gymnastieklokalen, bad- en zweminrichtingen en terreinen voor exercitie en beoefenen van sport gedurende tijdsruimten per week, door de commandant in overeenstemming met de burgemeester te bepalen;

d. daartoe geschikte gebouwen of gedeelten van gebouwen voor het inrichten van een ziekenverblijf, met het nodige meubilair en inventaris;

e. lokalen geschikt tot het onderbrengen van arrestanten.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 3 — Collectieve Inkwartiering › § 3 — Buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat

Artikel 25

1 De burgemeester doet aan de gebouwen en terreinen, bedoeld in deze afdeling, voorzieningen treffen welke door de commandant in verband met het gebruik nodig worden geoordeeld.

2 Het gestelde in het eerste lid laat onverlet de bevoegdheid van de commandant zelf de nodige voorzieningen te treffen.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 3 — Collectieve Inkwartiering › § 3 — Buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat

Artikel 26

1 Ter voorziening in de behoeften aan onderhoud en herstel van materieel, kleding en uitrusting kan het met voorrang verrichten van onderhouds- en herstelwerkzaamheden gevorderd worden.

2 Indien door toepassing van het voorgaande lid aan de militaire behoeften niet voldoende kan worden tegemoet gekomen, kunnen gebouwen met daarin aanwezige machines en gereedschappen, reparatiematerialen, onderdelen en onderhoudsmiddelen gevorderd worden.

3 De verstrekkingen, bedoeld in dit artikel, worden zoveel mogelijk gevorderd van hen die uit hoofde van hun beroep of bedrijf daaraan het beste kunnen voldoen.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 3 — Collectieve Inkwartiering › § 3 — Buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat

Artikel 27

De commandant kan boven de verstrekkingen omschreven in dit hoofdstuk, doch binnen de grenzen bij artikel 3 der wet bepaald, nog meer verstrekkingen vorderen of aanvragen, welke hij nodig oordeelt ter voorziening in de behoeften aan inkwartiering en onderhoud.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 4 — Voeding

Artikel 28

Voor de voeding van militairen dienen te worden verschaft:

a. bereide spijzen en dranken;

b. grondstoffen en onbereide spijzen en dranken;

c. gereedschappen en middelen tot het bereiden en nuttigen van spijzen en dranken.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 4 — Voeding

Artikel 29

1 De onder a van het vorige artikel bedoelde verstrekking houdt in dat per dag verschaft worden drie maaltijden, waaronder tenminste een warme maaltijd.

2 Indien de in het vorige lid bedoelde verstrekking niet bij minnelijke schikking kan worden geregeld, kan zij zich per militair en per dag ten hoogste uitstrekken tot:

500 gram brood

40 gram vleeswaren

40 gram kaas

40 gram zoet broodbeleg

75 gram margarine, vet of spijsolie

800 gram aardappelen of 150 gram peulvruchten

300 gram groente, zo mogelijk vers

100 gram vlees zonder been, of mager spek, of twee eieren

30 gram grutterswaren

9 gram koffie

2 gram thee

500 gram melk

50 gram suiker

15 gram zout.

3 De verschaffing van de onder b van het vorige artikel bedoelde verstrekking kan zich per militair en per dag ten hoogste uitstrekken tot hoeveelheden, welke gelijk, dan wel gelijkwaardig zijn aan de in het vorige lid genoemde.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 4 — Voeding

Artikel 30

De onder c van artikel 28 bedoelde verstrekking houdt in het beschikbaarstellen van keukens, brandstoffen, kook-, bak- en braadtoestellen, pannen en overige keukengereedschappen, alsmede borden, lepels, vorken, messen en drinkglazen of bekers.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 4 — Voeding

Artikel 31

Zonodig worden terreinen tot het plaatsen van veldkeukens beschikbaar gesteld, alsmede gereedschappen en materialen voor het inrichten van zodanige keukens.

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 5 — Het register

Artikel 32

Vervallen

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 5 — Het register

Artikel 33

Vervallen

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 5 — Het register

Artikel 34

Vervallen

Hoofdstuk II — Inkwartiering en onderhoud › Afdeling 5 — Het register

Artikel 35

Vervallen

Hoofdstuk III — De voorbereiding van de vordering van gebouwen en terreinen

Artikel 36

Degene, die in opdracht van Onze Minister de maatregelen, bedoeld onder b van artikel 30 der wet, treft, pleegt terzake daarvan zoveel mogelijk overleg met de eigenaar of de gebruiker van het gebouw of het terrein, alsmede met de burgemeester van de gemeente, binnen welker grenzen het gebouw of het terrein is gelegen.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 37

1 Indien aan een algemene vordering van motorrijtuigen - niet zijnde die voor mechanisch grondverzet - een voorbereiding, overeenkomstig de artikelen 36 tot en met 40 van de wet, voorafgaat, geschieden die voorbereiding en de algemene vordering met inachtneming van de bepalingen van de afdelingen 2 tot en met 9 van dit hoofdstuk.

2 Indien aan een algemene vordering van motorrijtuigen - niet zijnde die voor mechanisch grondverzet - geen voorbereiding, overeenkomstig de artikelen 36 tot en met 40 van de wet, is voorafgegaan, geschiedt die algemene vordering met inachtneming van de bepalingen van de afdeling 10 van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 38

In dit besluit wordt verstaan onder motorrijtuigen: rij- of voertuigen, bestemd om uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het rij- of voertuig zelf aanwezig, anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen met inbegrip van door zodanige rij- of voertuigen voort te bewegen aanhangwagens.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 39

Onder algemene vordering van motorrijtuigen in de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan de algemene vordering van motorrijtuigen die voor zover nodig ter uitvoering van de militaire taak ten tijde van de oproeping van reservisten dan wel van dienstplichtigen in geval van buitengewone omstandigheden wordt gehouden dan wel de vordering die op een later tijdstip ter aanvulling wordt gehouden.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 40

1 Onze Minister van Defensie benoemt ten behoeve van de uitvoering van dit hoofdstuk:

a. een vorderingscommissaris-motorrijtuigen, belast met de leiding van de voorbereiding en de uitvoering van de algemene vordering;

b. een aantal keuringscommissarissen, belast met de leiding van keuringsploegen;

c. een aantal taxateurs, belast met de waarde-vaststelling van de motorrijtuigen.

2 Ten aanzien van de benoeming van taxateurs pleegt Onze Minister van Defensie overleg met de daarvoor in aanmerking komende organen van het bedrijfsleven.

3 Indien een keuringscommissaris tevens optreedt als taxateur, wordt ten aanzien van zijn benoeming eveneens overleg gepleegd met de organen bedoeld in het voorgaande lid.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 41

De vorderingscommissaris-motorrijtuigen verdeelt ten behoeve van de voorbereiding van de algemene vordering het land in districten.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 42

1 De vorderingscommissaris-motorrijtuigen wijst voor elk district een keuringscommissaris aan en voegt deze een keuringsploeg toe, waarin een of meer taxateurs zijn opgenomen.

2 De vorderingscommissaris-motorrijtuigen voorziet de keuringscommissaris en de taxateurs van een instructie.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 43

De burgemeester houdt aantekening van alle gegevens en opgaven, welke hij ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk ontvangt, op de hem door de vorderingscommissaris-motorrijtuigen verstrekte kaarten of lijsten.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 44

Degene, op wie krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk de verplichting rust tot bekendmaking, zal ook met andere dan de in die bepalingen genoemde middelen, welke hem ten dienste staan, de bekendmaking bevorderen.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 2 — De registratie

Artikel 45

1 Indien de gegevens, welke Onze Minister nodig heeft voor de registratie van motorrijtuigen, niet verschaft kunnen worden door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, brengt Onze eerstgenoemde Minister ter algemene kennis dat de inwoners de nodige gegevens moeten verschaffen.

2 De algemene kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door publicatie in de Staatscourant, alsmede door aanplakking in de gemeente door de zorg van de burgemeester.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 2 — De registratie

Artikel 46

1 Degene, die ten tijde van de in het vorige artikel bedoelde kennisgeving houder is van een motorrijtuig, bedoeld in de kennisgeving, is verplicht binnen twee maanden na de dagtekening van de kennisgeving dit motorrijtuig te laten registreren.

2 Een zelfde verplichting bestaat voor een ieder die na de kennisgeving houder wordt van een motorrijtuig, met dien verstande dat hij alsdan binnen veertien dagen nadat hij houder is geworden daaraan dient te voldoen.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 2 — De registratie

Artikel 47

De in het vorige artikel bedoelde verplichting houdt in, dat de houder van een motorrijtuig een ten gemeentehuize verkrijgbaar registratieformulier invult en binnen de in dat artikel genoemde termijnen ten gemeentehuize inlevert.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 2 — De registratie

Artikel 48

1 De burgemeester brengt de gegevens, welke hij middels de registratieformulieren heeft verkregen, over op de daarvoor door de vorderingscommissaris-motorrijtuigen beschikbaar gestelde lijsten of kaarten.

2 De burgemeester zendt een exemplaar van de lijst of de kaarten toe aan de vorderingscommissaris-motorrijtuigen en behoudt een exemplaar voor zijn administratie.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 49

De vorderingscommissaris-motorrijtuigen bepaalt welke geregistreerde motorrijtuigen moeten worden gekeurd en zendt aan elke burgemeester, voorzover het zijn gemeente betreft, een opgave daarvan. Bij elk motorrijtuig worden de naam en het adres van de houder aangetekend.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 50

1 De keuringscommissaris stelt in overeenstemming met de burgemeester de plaats vast waar de keuring zal geschieden en bepaalt de tijdstippen waarop de motorrijtuigen ter keuring aanwezig moeten zijn.

2 De burgemeester treft na overleg met de keuringscommissaris de nodige maatregelen ter bevordering van een ordelijk verloop van de keuring.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 51

1 Tenminste zeven dagen voor de keuring zendt de burgemeester aan de houders van motorrijtuigen welke zullen worden gekeurd een persoonlijke oproeping toe, onder mededeling van de plaats alwaar en het tijdstip waarop het motorrijtuig aanwezig moet zijn.

2 De oproeping bevat tevens een opsomming van de bescheiden en inlichtingen, op het motorrijtuig betrekking hebbende, welke bij de keuring getoond respectievelijk verstrekt moeten worden.

3 Het motorrijtuig dient in bedrijfsvaardige toestand, voorzien van daarbij behorende reservewiel(en) met binnen- en buitenband(en), ter keuring te worden aangeboden.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 52

1 De motorrijtuigen worden door de zorg van de houders op de keuringsplaats gebracht.

2 De keuringscommissaris beslist, met inachtneming van de hem verstrekte instructie als bedoeld in het tweede lid van artikel 42, of het motorrijtuig geschikt is voor militair gebruik.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 53

1 De taxateur maakt met inachtneming van de hem verstrekte instructie, bedoeld in het tweede lid van artikel 42, een rapport op van de toestand waarin het motorrijtuig zich bevindt en stelt de waarde daarvan vast op de wijze als in artikel 97 is bepaald.

2 Het model van het rapport wordt door Onze Minister vastgesteld en in de Staatscourant bekendgemaakt.

3 Het rapport wordt door de taxateur, die de waardevaststelling deed, ondertekend en door de keuringscommissaris voor gezien mede ondertekend.

4 Een afschrift van het rapport wordt aan de houder uitgereikt.

5 Mocht de houder van oordeel zijn dat het rapport onjuistheden bevat, dan kan hij zulks bij de eerstkomende keuring van zijn motorrijtuig aan de keuringscommissaris mededelen, die daaraan de nodige aandacht schenkt.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 54

De keuringscommissaris maakt van de keuringen dagelijks een verslag op, hetwelk met de rapporten betreffende de op die dag gekeurde motorrijtuigen wordt toegezonden aan de vorderingscommissaris-motorrijtuigen.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 55

De burgemeester doet nagaan of alle motorrijtuigen verschenen zijn. Hij doet, zo dit niet het geval mocht zijn, een onderzoek instellen naar de redenen van het niet verschijnen, en stelt de keuringscommissaris van de resultaten van dit onderzoek in kennis.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 56

Motorrijtuigen, welke niet op de vastgestelde datum en plaats ter keuring zijn verschenen, zullen op een nader te bepalen plaats, dag en uur gekeurd worden.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 57

Een zelfde motorrijtuig wordt niet meer dan tweemaal per jaar gekeurd.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 58

De keuring geschiedt zoveel mogelijk per gemeente.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 59

De burgemeester van de gemeente, waar de keuring plaats heeft, stelt na overleg met de keuringscommissaris de nodige hulpmiddelen als tafels, stoelen en verlichtingsmiddelen ter beschikking ten behoeve van de keuring op de keuringsplaats.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 4 — De aanwijzing

Artikel 60

1 Onze Ministers van Defensie en van Verkeer en Waterstaat delen de motorrijtuigen, welke krachtens de tweede afdeling van dit hoofdstuk geregistreerd zijn, in drie bezwarenklassen in.

2 De eerste bezwarenklasse bevat die motorrijtuigen, aan welker onttrekking aan hun normale bestemming in geval van buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, bezwaren van essentiële aard zijn verbonden. De in deze klasse gerangschikte motorrijtuigen worden niet dan met toestemming van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor vordering aangewezen. Onze laatstgenoemde Minister pleegt, alvorens zijn toestemming te geven, overleg met Onze Minister welke belast is met de behartiging van de belangen ten behoeve waarvan het motorrijtuig is bestemd.

3 De tweede bezwarenklasse bevat die motorrijtuigen, aan welker onttrekking aan hun normale bestemming in geval van buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, bezwaren zijn verbonden, welke niet van essentiële aard, doch niettemin van zodanig belang zijn, dat een vordering van deze motorrijtuigen minder wenselijk is. De in deze klasse gerangschikte motorrijtuigen worden alleen dan aangewezen, indien en voor zover in de betreffende gemeente geen voldoende motorrijtuigen van de derde bezwarenklasse aanwezig zijn, welke naar het oordeel van de vorderingscommissaris-motorrijtuigen geschikt zijn voor militair gebruik.

4 De derde bezwarenklasse bevat alle overige motorrijtuigen.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 4 — De aanwijzing

Artikel 61

1 De vorderingscommissaris-motorrijtuigen wijst, met inachtneming van de regelen gesteld bij het voorgaande artikel, uit de krachtens

artikel 52 geschikt bevonden motorrijtuigen die aan, welke voor vordering in aanmerking komen.

2 Van de in het eerste lid bedoelde aanwijzing wordt de burgemeester, voorzover het betreft de motorrijtuigen uit zijn gemeente, een opgave verstrekt onder vermelding van het adres van het onderdeel ten behoeve waarvan het motorrijtuig bestemd is.

3 Van de aanwijzing van motorrijtuigen doet de vorderingscommissaris-motorrijtuigen mededeling aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of aan een door deze aangewezen autoriteit.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 4 — De aanwijzing

Artikel 62

1 Elke houder van een motorrijtuig, dat krachtens het voorgaande artikel is aangewezen, ontvangt van de burgemeester een lastgeving, inhoudende de verplichting het motorrijtuig in voorkomend geval ter vordering aan te bieden overeenkomstig de bepalingen van de achtste afdeling van dit hoofdstuk. Het model van de lastgeving wordt door Onze Minister vastgesteld en in de Staatscourant bekend gemaakt.

2 De lastgeving kan vergezeld zijn van nadere instructies en bescheiden, welke de vorderingscommissaris-motorrijtuigen en de burgemeester nodig oordelen.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 5 — Vrijstelling

Artikel 63

1 De houder van een motorrijtuig, die van de burgemeester een lastgeving als bedoeld in het eerste lid van artikel 62 heeft ontvangen, kan binnen een maand na dagtekening van deze lastgeving, indien hij van oordeel is dat dit motorrijtuig in geval van buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep onmisbaar is, een met redenen omkleed verzoekschrift tot vrijstelling door tussenkomst van de burgemeester bij de vorderingscommissaris-motorrijtuigen indienen.

2 De burgemeester voorziet het verzoekschrift, alvorens het door te zenden, van zijn advies.

3 De vorderingscommissaris-motorrijtuigen stelt het model van het verzoekschrift vast en verstrekt het aan de burgemeester ter inzage voor de inwoners.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 5 — Vrijstelling

Artikel 64

1 De vorderingscommissaris-motorrijtuigen beslist in hoogste aanleg op het verzoek om vrijstelling en geeft van zijn beslissing schriftelijk kennis aan de houder en aan de burgemeester.

2 Zo de beslissing inhoudt een vrijstelling van de algemene vordering, dient de houder daarop onverwijld de ontvangen lastgeving in te leveren bij de burgemeester. Zolang dit laatste niet heeft plaats gehad blijft de lastgeving van kracht.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 6 — Mededelingen

Artikel 65

1 Iedere houder van een motorrijtuig, die een lastgeving heeft ontvangen, is verplicht binnen acht dagen mededeling te doen aan de burgemeester:

a. wanneer het motorrijtuig aan een andere houder of eigenaar overgaat;

b. wanneer het motorrijtuig voor langere duur dan een maand in het buitenland verblijft;

c. wanneer het motorrijtuig voor het ondergaan van herstellingen langer dan een maand aan het normale gebruik wordt onttrokken;

d. wanneer het motorrijtuig zodanig bedrijfsonklaar mocht geraken, dat het niet meer voor normaal gebruik geschikt is te achten;

e. wanneer in het adres van de houder wijziging komt;

f. wanneer aan het motorrijtuig zodanige veranderingen worden aangebracht, dat de gegevens, welke op de lastgeving voorkomen, niet meer daarmede in overeenstemming zijn.

2 Bij de mededeling, bedoeld onder a van het eerste lid, dienen tevens de naam, de woonplaats en het adres van de nieuwe houder of eigenaar te worden vermeld.

3 De burgemeester geeft van de in het eerste lid bedoelde wijzigingen onverwijld kennis aan de vorderingscommissaris-motorrijtuigen.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 7 — Treffen van voorzieningen

Artikel 66

1 Indien aan een voor vordering aangewezen motorrijtuig voorzieningen moeten worden getroffen, ontvangt de houder ten minste zeven dagen voordat de voorzieningen getroffen zullen worden daarvan bericht van de keuringscommissaris of van de burgemeester, onder vermelding van:

a. de aard der te treffen voorzieningen;

b. de dag en het uur waarop en de plaats alwaar de voorzieningen zullen worden getroffen.

2 De houder is alsdan verplicht zorg te dragen dat het motorrijtuig ten tijde en ter plaatse, bedoeld in het voorgaande lid, aanwezig is.

3 Indien de keuringscommissaris mocht bepalen dat de voorzieningen zullen worden getroffen ter plaatse waar het motorrijtuig is gestald, is de houder verplicht, zo het motorrijtuig bij een derde is gestald, deze derde daarvan in kennis te stellen.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 7 — Treffen van voorzieningen

Artikel 67

De keuringscommissaris stelt de burgemeester in kennis van de voorzieningen, welke aan motorrijtuigen uit zijn gemeente zijn aangebracht.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 7 — Treffen van voorzieningen

Artikel 68

1 De houder van een motorrijtuig, waaraan een voorziening is getroffen, is verplicht zorg te dragen dat de voorziening in een goede staat gehouden wordt.

2 Indien de voorziening, door welke omstandigheid dan ook, in minder goede staat geraakt, is de houder verplicht hiervan terstond aan de burgemeester mededeling te doen.

3 De burgemeester geeft hiervan bericht aan de keuringscommissaris.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 8 — De Algemene Vordering

Artikel 69

1 Wanneer Onze Minister van Oorlog bepaalt dat een algemene vordering van motorrijtuigen gehouden zal worden, zal een daartoe strekkende openbare kennisgeving door de zorg van de burgemeesters geschieden.

2 De burgemeester herinnert voorts de houders van motorrijtuigen hetzij schriftelijk, hetzij mondeling aan hun verplichting om alle daarvoor op dat tijdstip in de termen vallende motorrijtuigen op het in de openbare kennisgeving vermelde tijdstip aanwezig te doen zijn op de in de lastgeving, bedoeld in artikel 62, vermelde verzamelplaats in de gemeente.

3 De openbare kennisgeving is rechtens voldoende oproeping, onverschillig of de in het tweede lid bedoelde persoonlijke herinnering de houders al dan niet heeft bereikt.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 8 — De Algemene Vordering

Artikel 70

1 Op de houder van een motorrijtuig, aan wie een lastgeving als bedoeld in de openbare bekendmaking is verstrekt, rust de verplichting het aangewezen motorrijtuig tijdig op de verzamelplaats in de gemeente aanwezig te doen zijn en vandaar naar de plaats van bestemming te brengen of te doen brengen op de wijze als bepaald in artikel 73.

2 Een zelfde verplichting rust op de werknemer, die in dienst is van de in het eerste lid bedoelde houder, indien deze hem daartoe opdracht geeft.

3 Bij gebreke van een opdracht van de houder kan een zodanige opdracht door de burgemeester of een militaire autoriteit worden gegeven.

4 De in het tweede en derde lid bedoelde opdracht wordt zo mogelijk verstrekt aan die werknemer, die daarvoor het meest in aanmerking komt.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 8 — De Algemene Vordering

Artikel 71

1 Indien de werknemer weigert aan een opdracht van de houder, bedoeld in het tweede lid van het voorgaande artikel, te voldoen, dient de houder daarvan terstond mondeling, zo mogelijk telefonisch, kennis te geven aan de burgemeester.

2 De burgemeester treft alsdan maatregelen, opdat zo spoedig mogelijk een opdracht, bedoeld in het derde lid van het voorgaande artikel, wordt verstrekt.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 8 — De Algemene Vordering

Artikel 72

1 De houder van een motorrijtuig, hetwelk ingevolge het bepaalde bij het eerste lid van artikel 70 op de verzamelplaats in de gemeente aanwezig moet zijn, draagt zorg dat het motorrijtuig in bedrijfsvaardige toestand verkeert, voorzien van behoorlijk gevulde benzinetanks en bij het motorrijtuig behorende reservewiel(en) met binnen- en buitenband(en).

2 De lastgeving en het kentekenbewijs, bedoeld in artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994, dienen eveneens medegebracht te worden.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 8 — De Algemene Vordering

Artikel 73

1 De burgemeester doet op de verzamelplaatsen in de gemeente colonnes samenstellen van de motorrijtuigen, welke onder leiding van door de burgemeester aangewezen colonnecommandanten naar de plaats van bestemming gaan. Bij voorkeur zullen als colonnecommandanten worden aangewezen leden van de politie.

2 Voorts doet de burgemeester op de verzamelplaatsen in de gemeente nagaan, of alle daarvoor in de termen vallende motorrijtuigen aanwezig zijn.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 8 — De Algemene Vordering

Artikel 74

1 De burgemeester doet terstond bij de houders van de motorrijtuigen, welke niet op het aangegeven tijdstip op de verzamelplaats in de gemeente verschenen zijn, een onderzoek instellen naar de redenen van het niet verschijnen en bevordert met alle hem ten dienste staande middelen, dat de motorrijtuigen alsnog op de plaats van hun bestemming komen.

2 Te dien einde kan hij, daarbij optredend namens Onze Minister, desnodig bestuursdwang toepassen.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 8 — De Algemene Vordering

Artikel 75

De vorderingscommissaris-motorrijtuigen stelt de burgemeester in kennis van de maatregelen welke getroffen moeten worden ten aanzien van de motorrijtuigen, welke na toepassing van het voorgaande artikel niet op de verzamelplaats in de gemeente zijn verschenen.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 8 — De Algemene Vordering

Artikel 76

1 Op de plaats van bestemming aangekomen wordt elk motorrijtuig aan het onderdeel waarvoor het is bestemd aangeboden.

2 De commandant van het onderdeel onderzoekt, alvorens het motorrijtuig in eigendom van de Staat over te nemen, of de toestand van het motorrijtuig beantwoordt aan de gegevens van het laatstelijk opgemaakte rapport, bedoeld in artikel 53.

3 Indien de toestand van het motorrijtuig in belangrijke mate afwijkt van de gegevens in het rapport, kan een hertaxatie plaats vinden. Deze hertaxatie geschiedt overeenkomstig de normen, welke gelden voor een taxatie, bedoeld in artikel 53.

4 Het overnemen heeft plaats door de afgifte van een bon, bevattende een verklaring dat het motorrijtuig in eigendom van de Staat is overgenomen, onder vermelding van de waarde waarop het bij de laatstgehouden keuring is getaxeerd en de noodzakelijke gegevens inzake het motorrijtuig en de rechthebbenden op de schadeloosstelling.

5 Heeft een taxatie ingevolge het derde lid van dit artikel plaats gevonden, dan zal het bedrag van de hertaxatie op de bon worden vermeld.

6 Een duplicaat van de bon wordt door de commandant van het onderdeel, ten behoeve waarvan het motorrijtuig is gevorderd, aan de colonnecommandant ter hand gesteld. Deze levert dit duplicaat in bij de burgemeester.

7 Het model van de bon wordt door Onze Minister vastgesteld en in de Staatscourant bekend gemaakt.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 8 — De Algemene Vordering

Artikel 77

1 Degene, aan wie de bon ingevolge het voorgaande artikel is uitgereikt, is verplicht deze aan de houder ter hand te stellen.

2 Indien de houder niet zelf rechthebbende op de schadeloosstelling is, is hij verplicht de bon ter hand te stellen aan de rechthebbende op de schadeloosstelling, wiens naam op de bon is vermeld.

3 Zo er meer rechthebbenden op de schadeloosstelling zijn, is de houder verplicht de bon aan die rechthebbende op de schadeloosstelling ter hand te stellen, wiens naam als eerste op de bon is vermeld, en de overige rechthebbenden op de schadeloosstelling daarvan schriftelijk in kennis te stellen.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 8 — De Algemene Vordering

Artikel 78

1 De burgemeester doet aan de vorderingscommissaris-motorrijtuigen desgevraagd een opgave toekomen van het totale bedrag, hetwelk volgens de door hem ontvangen duplicaat-bonnen aan de rechthebbenden op de schadeloosstelling in zijn gemeente zal moeten worden uitbetaald.

2 De vorderingscommissaris-motorrijtuigen draagt zorg dat de nodige gelden zo spoedig mogelijk aan de gemeente beschikbaar worden gesteld.

3 De burgemeester maakt het tijdstip bekend waarop de uitbetaling zal plaats hebben.

4 De uitbetaling geschiedt door de gemeente, tegen inlevering van de bon, aan de rechthebbenden op de schadeloosstelling, ieder voor zoveel hij recht heeft.

5 Nadat uitbetaling heeft plaats gevonden wordt een afrekening toegezonden aan de vorderingscommissaris-motorrijtuigen, onder medezending van alle ingenomen bonnen.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 8 — De Algemene Vordering

Artikel 79

Indien te voorzien is, dat geen openbare middelen van vervoer aanwezig zullen zijn om degenen, die de motorrijtuigen op de plaats van bestemming hebben gebracht, naar hun woonplaats te doen terugkeren, draagt de burgemeester zorg voor de daartoe nodige vervoersmiddelen.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 8 — De Algemene Vordering

Artikel 80

1 De motorrijtuigen, bestemd voor het in het voorgaande artikel bedoelde vervoer, worden voorzien van een verklaring, afgegeven door de vorderingscommissaris-motorrijtuigen en door deze autoriteit getekend, waarop vermeld wordt dat deze motorrijtuigen niet dan in de uiterste militaire noodzaak op de dag, waarop de algemene vordering van motorrijtuigen plaats heeft, gevorderd mogen worden.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 8 — De Algemene Vordering

Artikel 81

1 Indien de omstandigheden het niet toelaten dat de terugreis terstond na de aanbieding van de motorrijtuigen geschiedt, treft de colonnecommandant de nodige maatregelen ter voorziening in de behoeften aan voeding en huisvesting van degenen, die de motorrijtuigen op de plaats van bestemming hebben gebracht.

2 Te dien einde stelt hij zich in verbinding met de burgemeester ter plaatse, die zoveel mogelijk zijn bemiddeling verleent.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 9 — Proefvordering

Artikel 82

1 Indien een algemene vordering van motorrijtuigen in de zin van artikel 61 der wet plaats heeft, wordt het motorrijtuig in afwijking van artikel 76 na de aanbieding niet in eigendom overgenomen.

2 De commandant van het onderdeel, waaraan het motorrijtuig is aangeboden, stelt op de desbetreffende lastgeving een verklaring, dat het motorrijtuig op de plaats van bestemming is verschenen.

3 Ter verkrijging van de schadeloosstelling dient de houder binnen veertien dagen na de dag, waarop de proefvordering plaats vond, een declaratie bij de burgemeester in te dienen onder overlegging van de lastgeving, voorzien van de in het voorgaande lid bedoelde verklaring.

4 De burgemeester zendt de declaratie, na deze voor gezien en accoord te hebben getekend, binnen vier weken na de dag, waarop de proefvordering plaats vond, aan de vorderingscommissaris-motorrijtuigen.

5 De vorderingscommissaris-motorrijtuigen draagt zorg, dat de schadeloosstelling zo spoedig mogelijk aan de rechthebbende wordt uitbetaald.

Hoofdstuk IV — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen › Afdeling 10 — De algemene vordering in eigendom van motorrijtuigen waaraan geen voorbereiding is voorafgegaan

Artikel 82a

1 Wanneer Onze Minister bepaalt, dat een algemene vordering, als bedoeld in artikel 37, tweede lid, zal plaatsvinden, wordt dit besluit op door Onze Minister te bepalen wijze ter algemene kennis gebracht. Onze Minister kan daarbij bepalen, dat, in het gebied waarop dit besluit betrekking heeft, de burgemeesters zorg dragen, dat het ter algemene kennis wordt gebracht. In het besluit wordt het gebied aangegeven, waarop het besluit betrekking heeft.

2 De burgemeester wijst voor de gevorderde motorrijtuigen een of meer verzamelplaatsen in de gemeente aan.

3 De artikelen 63, 64 en 70 tot en met 75, 76, vierde, zesde en laatste lid en 77 tot en met 81 zijn van overeenkomstige toepassing.

4 De waarde van de gevorderde motorrijtuigen wordt na aankomst op de plaats van bestemming en na aanbieding aan het onderdeel waarvoor zij zijn bestemd, vastgesteld door de taxateur op de wijze als in artikel 97 is bepaald en met inachtneming van de hem verstrekte instructie, bedoeld in artikel 42, tweede lid. De taxateur maakt terzake rapport op.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 82b

Onder roerende zaken in de zin van dit hoofdstuk zijn niet begrepen motorrijtuigen, behoudens die voor mechanisch grondverzet.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 82c

1 Indien aan een algemene vordering van roerende zaken een voorbereiding, overeenkomstig de artikelen 36 tot en met 40 van de wet, voorafgaat, geschieden die voorbereiding en de algemene vordering met inachtneming van de bepalingen van de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk.

2 Indien aan een algemene vordering van roerende zaken geen voorbereiding, overeenkomstig de artikelen 36 tot en met 40 van de wet is voorafgegaan, geschiedt die vordering met inachtneming van de bepalingen van de afdeling 8 van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 82d

1 Onze Minister wijst een vorderingscommissaris aan, die met de leiding van de voorbereiding en de uitvoering van de algemene vordering in de zin van dit hoofdstuk is belast.

2 Een aanwijzing, als bedoeld in het eerste lid, wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 82e

Degene op wie krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk de verplichting tot bekendmaking rust, zal ook met andere dan de in de betreffende bepalingen genoemde middelen, welke hem ten dienste staan, de bekendmaking bevorderen.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 2 — De registratie

Artikel 82f

1 Alvorens Onze Minister een besluit neemt tot het voorbereiden of doen voorbereiden van een algemene vordering van roerende zaken, pleegt hij overleg met Onze Minister van Economische Zaken en voorzover het zaken betreft, met betrekking tot welke aan een Onzer overige Ministers een bijzondere bevoegdheid is gegeven, ook met deze.

2 In het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt de aard van de te vorderen zaken aangegeven.

3 Het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 2 — De registratie

Artikel 82g

1 Indien de gegevens, welke Onze Minister nodig heeft voor de registratie van de zaken waaromtrent hij een algemene vordering wenst voor te bereiden of te doen voorbereiden, niet verschaft kunnen worden door Onze Minister van Economische Zaken of een van Onze overige Ministers, aan wie met betrekking tot de zaken een bijzondere bevoegdheid is gegeven, brengt Onze eerstgenoemde Minister ter algemene kennis, dat de inwoners de nodige gegevens moeten verschaffen.

Indien de verplichting tot het verschaffen van gegevens beperkt kan blijven tot een gering aantal inwoners, kan de algemene kennisgeving vervangen worden door een persoonlijke kennisgeving aan de betrokkenen.

2 De algemene kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door publikatie in de Staatscourant en indien Onze Minister zulks wenselijk oordeelt ook in de vakbladen.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 2 — De registratie

Artikel 82h

1 Een ieder, die ten tijde van een hem betreffende kennisgeving, als bedoeld in artikel 82g, de daarin vermelde zaken produceert, importeert of doorgaans in voorraad heeft in hoeveelheden daarin vermeld, is verplicht, binnen twee maanden na dagtekening van de kennisgeving, een registratieformulier volledig en naar waarheid in te vullen en ten gemeentehuize van de gemeente, waar de zaken zich als regel bevinden, in te leveren.

2 Eenzelfde verplichting bestaat voor een ieder die na een algemene kennisgeving de daarin genoemde zaken in de daarbij vermelde hoeveelheden gaat produceren, importeren of in voorraad houden; hij dient alsdan binnen veertien dagen nadat de produktie of de import begonnen is of een begin gemaakt is met het aanleggen van de voorraad, aan de verplichting te voldoen.

3 De autoriteit of de instantie bij welke de registratieformulieren verkrijgbaar zijn wordt in de kennisgeving vermeld.

4 De burgemeester zendt de ingeleverde registratieformulieren zo spoedig mogelijk toe aan de vorderingscommissaris, met dien verstande, dat de toezending van de krachtens het eerste lid ingeleverde formulieren eerst na afloop van de in dat lid genoemde termijn geschiedt.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 82i

1 De vorderingscommissaris bepaalt of de keuring wordt gehouden ter plaatse waar de zaken zich bevinden, dan wel aan de hand van toegezonden monsters.

2 Bij eenzelfde inwoner zal ten aanzien van dezelfde soort zaken niet meer dan twee maal per jaar een keuring als bedoeld in het eerste lid worden gehouden.

3 Met afwijking van het gestelde in het tweede lid, kan een keuring plaats hebben na ontvangst van een mededeling als bedoeld in artikel 82o, eerste lid, sub f.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 82j

1 Indien de vorderingscommissaris bepaalt dat de keuring zal worden gehouden ter plaatse waar de zaken zich bevinden, zendt hij tenminste twee maal vier en twintig uur van te voren daarvan schriftelijk bericht aan degenen, aan wie de te keuren zaken in eigendom toebehoren dan wel aan degenen die deze zaken onder zich hebben.

2 De personen, die de vorderingscommissaris heeft aangewezen tot het verrichten van de keuring ter plaatse waar de zaken zich bevinden, zijn door hem voorzien van een schriftelijke, door hem gedagtekende en ondertekende algemene opdracht. Zij zijn bevoegd de voorraden op te nemen en inzage te nemen in de administratieve bescheiden en boeken welke een inzicht verschaffen in de omvang van de produktie, de import, de aflevering en de aanwezige voorraden.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 3 — De keuring

Artikel 82k

1 Indien de vorderingscommissaris bepaalt dat de keuring geschiedt aan de hand van toegezonden monsters, zijn degenen, die de zaken produceren, importeren of in voorraad hebben, verplicht op verzoek van de vorderingscommissaris een monster daarvan aan hem toe te zenden.

2 De vorderingscommissaris bepaalt de omvang van het monster en de termijn binnen welke het toegezonden moet worden.

3 De waarde van het monster - zo dit behouden wordt - alsmede de kosten van verzending worden desgevraagd vergoed.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 4 — De aanwijzing

Artikel 82l

1 De vorderingscommissaris wijst de inwoners aan, van wie zaken gevorderd zullen worden, door toezending van een lastgeving vermeldende de aard en de hoeveelheden der zaken die bij vordering moeten worden afgeleverd, alsmede de plaats waar en het uur waarop dit moet geschieden. Het model van de lastgeving wordt door Onze Minister vastgesteld en in de Staatscourant bekend gemaakt.

2 Afschrift van deze lastgeving zendt de vorderingscommissaris aan de burgemeester van de plaats, waar de in de lastgeving bedoelde zaken zich als regel bevinden, terwijl aan de in artikel 82f, eerste lid, bedoelde Ministers bericht wordt gezonden onder vermelding van de gegevens welke op de lastgeving voorkomen.

3 De lastgeving kan vergezeld zijn van nadere instructies en bescheiden.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 5 — Vrijstelling

Artikel 82m

1 Degene, die van de vorderingscommissaris een lastgeving als bedoeld in artikel 82l heeft ontvangen, kan binnen een maand na dagtekening van deze lastgeving, indien hij van oordeel is dat de in de lastgeving vermelde zaken in geval van buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep onmisbaar zijn, een met redenen omkleed verzoekschrift tot vrijstelling door tussenkomst van de burgemeester van de gemeente, waar de zaken zich als regel bevinden, bij de vorderingscommissaris indienen.

2 De burgemeester voorziet het verzoekschrift, alvorens het door te zenden, van zijn advies.

3 De vorderingscommissaris stelt het model van het verzoekschrift vast en verstrekt het aan de burgemeester ter inzage voor de inwoners.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 5 — Vrijstelling

Artikel 82n

1 De vorderingscommissaris beslist in hoogste aanleg op het verzoek om vrijstelling en geeft van zijn beslissing schriftelijk kennis aan de houder, aan de burgemeester en aan de Ministers bedoeld in artikel 82f.

2 Zo de beslissing inhoudt een vrijstelling van de algemene vordering, dient de houder daarop onverwijld de ontvangen lastgeving in te leveren bij de burgemeester. Zolang dit laatste niet heeft plaats gehad blijft de lastgeving van kracht.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 6 — Mededelingen

Artikel 82o

1 Ieder die ingevolge artikel 82l, eerste lid, een lastgeving heeft ontvangen is - voorzover het betreft de in de lastgeving bedoelde zaken - verplicht binnen acht dagen mededeling te doen aan de vorderingscommissaris:

a. wanneer de onderneming, die de zaken produceert, importeert of in voorraad heeft, in andere handen overgaat;

b. wanneer de produktie of de import van de zaken blijvend dan wel tijdelijk gedurende langer dan een maand stopgezet wordt;

c. wanneer in de hoeveelheid der te produceren of te importeren zaken een blijvende verandering komt dan wel een tijdelijke verandering, welke langer dan een maand duurt;

d. wanneer in de doorgaans aanwezige voorraad een blijvende verandering komt dan wel een tijdelijke verandering, welke langer dan een maand duurt;

e. wanneer het produktieapparaat geheel of ten dele, door welke omstandigheid ook, teniet gaat;

f. wanneer in de aard en de specificatie, zoals die in de lastgeving omschreven zijn, een blijvende verandering komt dan wel een tijdelijke verandering, welke langer dan een maand duurt;

g. wanneer zijn adres of de plaats, waar de zaken zich als regel bevinden, gewijzigd wordt.

2 Bij de in het eerste lid onder a genoemde mededeling dienen tevens de naam, de woonplaats en het adres van de nieuwe ondernemer te worden vermeld.

3 De vorderingscommissaris kan bepalen, dat in geval van wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, welke bepaalde door hem vastgestelde grenzen niet overschrijden, geen mededeling behoeft te worden gedaan.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 6 — Mededelingen

Artikel 82p

De vorderingscommissaris zendt de in artikel 82l, tweede lid, bedoelde autoriteiten bericht, indien tengevolge van de krachtens artikel 82o gedane mededeling de lastgeving gewijzigd of ingetrokken wordt.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 7 — De algemene vordering

Artikel 82q

1 Wanneer Onze Minister bepaalt, dat een algemene vordering van roerende zaken zal worden gehouden, wordt dit besluit door de zorg van de burgemeesters ter openbare kennis gebracht.

2 De burgemeester herinnert voorts, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling, de inwoners aan wie een lastgeving ingevolge artikel 82l, eerste lid, is toegezonden, aan hun verplichting de voor de vordering aangewezen goederen af te leveren op de in de lastgeving vermelde plaats en tijd.

3 De openbare kennisgeving is rechtens een voldoende oproeping, onverschillig of de in het tweede lid bedoelde persoonlijke herinnering de inwoners aan wie een lastgeving is uitgereikt al dan niet heeft bereikt.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 7 — De algemene vordering

Artikel 82r

1 De inwoners aan wie een lastgeving ingevolge artikel 82l, eerste lid, is toegezonden, zijn verplicht de in de lastgeving vermelde zaken af te leveren of te doen afleveren op de in de openbare kennisgeving vermelde dag en op de plaats en het uur, in de lastgeving vermeld. De toegezonden lastgeving dient medegebracht te worden.

2 De werknemer die in dienst is van degene aan wie de lastgeving is toegezonden, is, indien laatstbedoelde persoon hem daartoe opdracht geeft, verplicht er aan mede te werken dat aan de vordering kan worden voldaan.

3 Bij gebreke van een opdracht, als bedoeld in het tweede lid, kan een zodanige opdracht door de burgemeester of een militaire autoriteit worden gegeven.

4 De in het tweede en derde lid bedoelde opdracht wordt zo mogelijk verstrekt aan die werknemer die daarvoor het meest in aanmerking komt.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 7 — De algemene vordering

Artikel 82s

1 Indien de werknemer weigert te voldoen aan een opdracht als bedoeld in artikel 82r, tweede lid, dient de werkgever daarvan terstond mondeling, zo mogelijk telefonisch, kennis te geven aan de burgemeester.

2 De burgemeester treft alsdan maatregelen opdat zo spoedig mogelijk een opdracht, als bedoeld in artikel 82r, derde lid, wordt verstrekt.

3 De burgemeester geeft van het een en ander zo spoedig mogelijk telefonisch bericht aan de commandant van het onderdeel of de dienst waarvoor de zaken bestemd zijn.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 7 — De algemene vordering

Artikel 82t

De inwoners aan wie een lastgeving ingevolge artikel 82l, eerste lid, is toegezonden, zijn verplicht zorg te dragen dat de in de lastgeving vermelde zaken bij aflevering voor direct gebruik gereed zijn.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 7 — De algemene vordering

Artikel 82u

De commandant van het onderdeel of de dienst waarvoor de gevorderde zaken bestemd zijn, controleert aan de hand van de hem verstrekte gegevens de hoedanigheid en de hoeveelheid van de ter aflevering aangeboden zaken.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 7 — De algemene vordering

Artikel 82v

1 Indien uit de in het voorgaande artikel bedoelde controle blijkt dat de hoedanigheid van de ter aflevering aangeboden zaken of van een gedeelte daarvan niet overeenstemt met de daaromtrent aan de commandant verstrekte gegevens of indien daaraan twijfel bestaat, deelt hij zulks mede aan degene die de zaken ter aflevering aanbiedt.

2 Indien de commandant de ter aflevering aangeboden zaken niet aanvaardt, kan hij - zo het militair belang zich daartegen niet verzet - degene van wie gevorderd is, alsnog in de gelegenheid stellen tot aflevering van zaken van de in de lastgeving omschreven hoedanigheid binnen een door hem te bepalen tijd.

3 In het geval bedoeld in het tweede lid is de commandant gerechtigd de ter aflevering aangeboden zaken onder zijn berusting te houden totdat de aflevering van zaken van de in de lastgeving omschreven hoedanigheid heeft plaats gehad.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 7 — De algemene vordering

Artikel 82w

1 Indien uit de in artikel 82u bedoelde contrôle blijkt, dat de hoeveelheid van de ter aflevering aangeboden zaken geringer is dan de hoeveelheid welke vermeld is in de aan de commandant verstrekte gegevens, deelt hij dit mede aan degene die de zaken ter aflevering aanbiedt.

2 Indien het militaire belang zich daartegen niet verzet, kan de commandant degene van wie gevorderd is, alsnog in de gelegenheid stellen tot aflevering van de ontbrekende zaken binnen een door hem te bepalen tijd.

3 De afgeleverde hoeveelheid blijft onder berusting van de commandant.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 7 — De algemene vordering

Artikel 82x

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 82v en 82w kan de commandant of de burgemeester van de gemeente, waar de gevorderde zaken zich bevinden, namens Onze Minister, waar met betrekking tot de gevorderde goederen bestuursdwang toepassen.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 7 — De algemene vordering

Artikel 82y

1 Indien uit de in artikel 82u bedoelde contrôle blijkt dat aan de vordering is voldaan, vult de commandant de desbetreffende verklaring van ontvangst, voorkomende op de lastgeving, volledig in en reikt deze daarna uit aan degene, die de zaken afgeleverd heeft. Hetzelfde geschiedt indien de op de lastgeving vermelde zaken ingevolge artikel 82x in bezit genomen zijn. Voorts zendt hij terstond na de ontvangst der zaken een afschrift van de verklaring van ontvangst aan de burgemeester van de gemeente, waar de gevorderde zaken zich bevonden. Indien aan de vordering slechts ten dele is voldaan dan wel zaken van een andere specificatie, dan in de lastgeving vermeld, zijn afgeleverd en aanvaard, vermeldt de commandant dit op de verklaring van ontvangst en op het afschrift daarvan.

2 Degene, aan wie de verklaring van ontvangst is uitgereikt, is verplicht deze aan degene van wie gevorderd is, ter hand te stellen.

Hoofdstuk IVA — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken › Afdeling 8 — De algemene vordering in eigendom van roerende zaken, waaraan geen voorbereiding is voorafgegaan

Artikel 82z

1 Wanneer Onze Minister bepaalt, dat een algemene vordering, als bedoeld in artikel 82c, tweede lid, zal plaatsvinden wordt dit besluit op door Onze Minister te bepalen wijze ter algemene kennis gebracht. Daarbij worden de aard der zaken en het gebied, waarop het besluit betrekking heeft, aangegeven.

2 De burgemeester wijst voor de gevorderde zaken een of meer verzamelplaatsen in de gemeente aan.

3 De werknemer die in dienst is van een inwoner tot wie de algemene vordering is gericht, is, indien laatstbedoelde persoon hem daartoe opdracht geeft, verplicht er aan mede te werken, dat aan de vordering kan worden voldaan.

4 De artikelen 82m, 82n, 82r, derde en vierde lid, en 82s zijn van overeenkomstige toepassing.

5 De inwoners tot wie de algemene vordering is gericht, zijn verplicht zorg te dragen dat de van hen gevorderde zaken bij aflevering voor direct gebruik gereed zijn.

6 De commandant van het onderdeel of de dienst waarvoor de gevorderde goederen bestemd zijn, dan wel de burgemeester kan, namens Onze Minister, met betrekking tot de gevorderde goederen bestuursdwang toepassen.

7 Het overnemen van de zaken geschiedt tegen contante betaling, dan wel, indien zulks niet mogelijk is, tegen afgifte van een bon, bevattende een verklaring, dat de zaken in eigendom door de Staat zijn overgenomen, onder vermelding van de waarde, waarop zij door de commandant van het onderdeel of de dienst waarvoor zij zijn bestemd, zijn geschat. Degene aan wie de betaling is gedaan dan wel de bon is uitgereikt, is verplicht deze ter hand te stellen aan degene van wie gevorderd is.

Een afschrift van de bon wordt toegezonden aan de vorderingscommissaris die onverwijld zorg draagt dat de nodige gelden aan de gemeente beschikbaar worden gesteld.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 83

1 De schadeloosstelling voor het voldoen aan een vordering krachtens de wet wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

2 Voor zover bij de volgende bepalingen van dit hoofdstuk geen bijzondere of afwijkende regelen zijn gegeven, wordt de schadeloosstelling vastgesteld op het geldelijk nadeel hetwelk is ontstaan als rechtstreeks gevolg van de vordering.

3 De schadeloosstelling, welke krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk is vastgesteld, kan worden verminderd, indien en voor zover de rechthebbende op de schadeloosstelling redelijkerwijs de mogelijkheid heeft gehad de schade te beperken.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 84

1 De schadeloosstelling voor het voldoen aan een vordering in eigendom van een roerende zaak wordt vastgesteld op een bedrag, gelijk aan de vervangingswaarde op het tijdstip van de vordering.

2 Onder vervangingswaarde wordt verstaan de aanschaffingsprijs van een soortgelijke zaak in dezelfde staat op het tijdstip van de vordering. Indien geen zodanige aanschaffingsprijs van de zaak bekend is, wordt de vervangingswaarde bepaald op de nieuwprijs van de zaak op het tijdstip van de vordering, verminderd met een redelijke afschrijving welke gebaseerd is op de levensduur van de zaak.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 85

De schadeloosstelling voor het voldoen aan een vordering in gebruik van een roerende zaak wordt, naar reden van de tijdsduur, vastgesteld op het bedrag van een redelijke afschrijving op de nieuwprijs van de zaak op het tijdstip van de vordering, welke afschrijving gebaseerd is op de levensduur van de zaak.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 86

1 Indien de vordering betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk gebruik van woonhuizen, wordt de schadeloosstelling vastgesteld op een evenredig bedrag van de huurwaarde in de zin van de artikelen 7 en 8 van de Wet op de personele belasting 1950.

2 In het geval, bedoeld in het voorgaande lid, worden op de schadeloosstelling in mindering gebracht de kosten van het onderhoud, hetwelk krachtens de bepalingen inzake huur en verhuur van het Burgerlijk Wetboek ten laste van de verhuurder komt, indien en voor zover bij gebreke van een zodanig onderhoud door degene, van wie gevorderd is, dit is geschied door de gebruiker.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 87

1 De tengevolge van het gebruik ontstane buitengewone waardevermindering van een zaak, bedoeld in de artikelen 85 en 86, wordt vergoed.

2 De in de artikelen 85 en 86 bedoelde schadeloosstelling wordt alsdan doorbetaald over de termijn, welke redelijkerwijs nodig is voor het herstel van de buitengewone waardevermindering, voorzover dit herstel plaats vindt en dientengevolge het gebruik van de zaak belemmerd wordt.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 88

1 Indien een roerende zaak tengevolge van het gebruik verloren gaat, wordt de schadeloosstelling vastgesteld overeenkomstig artikel 84, onder aftrek van hetgeen reeds als schadeloosstelling voor het gebruik en voor buitengewone waardevermindering is ontvangen.

2 Indien een onroerende zaak tengevolge van het gebruik verloren gaat, wordt de schadeloosstelling vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 84, onder aftrek van hetgeen reeds in de schadeloosstelling voor het gebruik als afschrijving, alsmede van hetgeen voor buitengewone waardevermindering is ontvangen.

3 Indien een in gebruik gevorderd onroerende zaak door brand verloren gaat, wordt - voorzover niet uit andere hoofde aanspraken op vergoeding van de geleden schade geldend gemaakt kunnen worden - de in het voorgaande lid bedoelde schadeloosstelling verleend, tenzij de gebruiker bewijst dat de brand niet aan zijn schuld te wijten is.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 89

De vergoeding voor het voldoen aan een vordering tot het verrichten van enkele diensten, bedoeld in artikel 3 der wet, wordt vastgesteld op het daarvoor algemeen geldende tarief.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 90

De vergoeding voor het voldoen aan een vordering van een transport wordt vastgesteld op het daarvoor algemeen geldende tarief.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 91

De kosten, welke degene die aan een vordering heeft voldaan als rechtstreeks en onvermijdelijk gevolg van de vordering heeft moeten maken, worden boven de in de voorgaande artikelen bedoelde schadeloosstelling, voorzover zij geacht kunnen worden niet daarin begrepen te zijn, vergoed.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 92

1 Indien tengevolge van het voldoen aan een vordering de exploitatie van een bedrijf of de zelfstandige uitoefening van een beroep wordt belet of belemmerd, wordt een schadeloosstelling verleend wegens bedrijfsschade.

2 De in het voorgaande lid bedoelde schadeloosstelling wordt vastgesteld op het verschil tussen de als rechtstreeks en onvermijdelijk gevolg van de vordering gederfde bruto-opbrengsten van het bedrijf of bruto-inkomsten uit het beroep en de tengevolge van de vordering weggevallen kosten.

3 Bij de vaststelling van het bedrag, bedoeld in het voorgaande lid, wordt rekening gehouden met hetgeen reeds krachtens de overige artikelen van dit hoofdstuk is ontvangen.

4 Het bedrag, hetwelk overeenkomstig het tweede lid is vastgesteld, kan worden verminderd, indien en voorzover degene, aan wie uiteindelijk - hetzij middellijk, hetzij onmiddellijk - de schadeloosstelling geheel of gedeeltelijk ten goede komt, redelijkerwijs de mogelijkheid heeft gehad door het verrichten van andere werkzaamheden of anderszins de schade te beperken.

5 Onder bedrijf in de zin van dit artikel wordt verstaan een zelfstandige, duurzaam bedoelde organisatie of een samenstel van bedrijfs-economisch samenhangende duurzaam bedoelde organisaties, regelmatig en openlijk aan het economisch verkeer deelnemende door het verstrekken van zaken of het verrichten van diensten, met het oogmerk winst te behalen dan wel met het doel zoveel mogelijk de baten en lasten met elkander in evenwicht te houden.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 93

Bij de vaststelling van de schadeloosstelling worden de van overheidswege gegeven prijsvoorschriften in acht genomen.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 1 — Algemene bepalingen

Artikel 94

Onze Minister is bevoegd van de bepalingen van dit hoofdstuk, behoudens het voorgaande artikel, af te wijken in gevallen, waarin blijkt dat de toepassing van die bepalingen tot uitkomsten leidt welke aanzienlijk verschillen van het bedrag der werkelijk geleden schade. Alsdan wordt de schadeloosstelling vastgesteld op het geldelijk nadeel hetwelk is ontstaan als rechtstreeks gevolg van de vordering.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 2 — Tarieven

Artikel 95

1 Aan de tarieven, welke Onze Minister ingevolge het derde lid van artikel 11 en het eerste lid van artikel 44 der wet vaststelt, dienen de bepalingen van de eerste afdeling van dit hoofdstuk ten grondslag te liggen, met dien verstande dat bij de vaststelling wordt uitgegaan van krachtens de wet gedane verstrekkingen van deugdelijke hoedanigheid en normale aard.

2 In de tarieven is niet begrepen een schadeloosstelling voor bedrijfsschade en buitengewone waardevermindering, noch een vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 91, tenzij het tegendeel is vermeld.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 3 — Bijzondere bepalingen

Artikel 96

1 De afschrijvingspercentages, bedoeld in de artikelen 84 en 85, worden, voorzover zij betrekking hebben op motorrijtuigen, door Onze Minister vastgesteld na overleg met de daarvoor in aanmerking komende organen van het bedrijfsleven.

2 De in het voorgaande lid bedoelde afschrijvingspercentages worden door de zorg van Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakt.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 3 — Bijzondere bepalingen

Artikel 97

De schadeloosstelling, bedoeld in artikel 48 der wet, wordt, voorzover deze betrekking heeft op motorrijtuigen, aan de hand van de gegevens van het rapport, bedoeld in artikel 53 dan wel artikel 82a, vierde lid, met overeenkomstige toepassing van artikel 84 vastgesteld op de vervangingswaarde op het tijdstip van de taxatie.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 3 — Bijzondere bepalingen

Artikel 98

1 Indien de houder van een motorrijtuig tengevolge van de maatregelen, bedoeld in de derde en zevende afdeling van het vierde hoofdstuk van dit besluit, dan wel ten gevolge van een algemene vordering van motorrijtuigen in de zin van artikel 61 der wet, schade heeft geleden, wordt hem een schadeloosstelling verleend overeenkomstig een daarvoor door Onze Minister vastgesteld tarief.

2 Dit tarief omvat een vergoeding voor het aantal verreden kilometers en een vergoeding gebaseerd op het loon van een bestuurder van een motorrijtuig.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 3 — Bijzondere bepalingen

Artikel 98a

Indien tengevolge van een keuring ter plaatse waar de zaken zich bevinden, als bedoeld in artikel 82i, eerste lid, schade is geleden, wordt op een daartoe strekkend verzoek een schadeloosstelling verleend.

Zo Onze Minister te dier zake een tarief heeft vastgesteld, wordt de schadeloosstelling vastgesteld overeenkomstig dat tarief.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 3 — Bijzondere bepalingen

Artikel 99

De als rechtstreeks en onvermijdelijk gevolg van de maatregelen, bedoeld in artikel 30 onder a en b van de wet, geleden schade en gemaakte kosten worden vergoed.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 3 — Bijzondere bepalingen

Artikel 100

Indien de burgemeester, dan wel de persoon die hem vervangt, optredend ter uitvoering van een hem bij dit besluit opgedragen taak, zich buiten zijn gemeente moet begeven, worden de noodzakelijk gemaakte reis- en verblijfkosten vergoed.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 3 — Bijzondere bepalingen

Artikel 101

De ingevolge de artikelen 79 en 81 noodzakelijk gemaakte kosten worden vergoed.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 3 — Bijzondere bepalingen

Artikel 102

De kosten, welke de gemeente ingevolge artikel 25 heeft gemaakt, worden vergoed.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 4 — De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling

Artikel 103

De vaststelling van de schadeloosstelling ingevolge het vierde lid van artikel 11 der wet geschiedt door de burgemeester met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk, met dien verstande dat schadeloosstellingen terzake van bedrijfsschade, welke meer bedragen dan een bedrag naar reden van € 2 270 per jaar, voorafgaande goedkeuring van Onze Minister behoeven.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 4 — De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling

Artikel 104

De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling ingevolge het derde lid van artikel 44 der wet geschiedt, voorzover zij niet strekt tot vergoeding van geleden bedrijfsschade, door daartoe door Onze Minister aangewezen officieren.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 4 — De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling

Artikel 105

1 De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling ingevolge het derde lid van artikel 44 der wet geschiedt, voorzover zij strekt tot vergoeding van geleden bedrijfsschade, door Onze Minister.

2 Vervallen.

3 Onze Minister is bevoegd de vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling, bedoeld in het eerste lid, op te dragen aan de in het voorgaande artikel bedoelde officieren, tenzij de schadeloosstelling meer bedraagt dan een bedrag naar reden van € 2 270 per jaar.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 4 — De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling

Artikel 106

Vervallen

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 4 — De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling

Artikel 107

Ter verkrijging van een schadeloosstelling voor bedrijfsschade of buitengewone waardevermindering, dan wel ter verkrijging van een vergoeding, bedoeld in de artikelen 91 en 99, dient de rechthebbende een verzoekschrift te richten tot Onze Minister.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 4 — De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling

Artikel 108

1 Ter verkrijging van de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 98, dient de houder van het motorrijtuig, behoudens het bepaalde bij artikel 82, een declaratie in bij een door Onze Minister aangewezen autoriteit.

2 De uitbetaling van de schadeloosstelling geschiedt door de gemeente.

3 Onze Minister draagt zorg dat aan de gemeente de nodige gelden beschikbaar worden gesteld.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 4 — De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling

Artikel 108a

1 Ter verkrijging van schadeloosstelling terzake van vordering van roerende zaken in eigendom levert degene van wie gevorderd is, indien aan de vordering is voldaan krachtens een lastgeving als bedoeld in artikel 82l, de lastgeving, voorzien van de volledig ingevulde verklaring van ontvangst in ten gemeentehuize van de gemeente waar de gevorderde zaken zich bevonden.

2 De burgemeester doet nagaan of de op de lastgeving voorkomende verklaring van ontvangst volledig is ingevuld en of de lastgeving en de daarop voorkomende verklaring van ontvangst overeenstemmen met het in zijn bezit zijnde afschrift van de lastgeving en het hem door de commandant toegezonden afschrift van de verklaring van ontvangst. In geval van overeenstemming, vult hij zowel op het origineel als op het afschrift van de lastgeving de akkoordverklaring in. Stemmen de gegevens niet overeen dan bericht hij zulks aan de commandant.

3 Na invulling van de akkoordverklaring worden het originele exemplaar van de lastgeving met de daaraan gehechte verklaring van ontvangst aan degene van wie gevorderd is teruggegeven en het afschrift toegezonden aan de vorderingscommissaris.

4 De vorderingscommissaris stelt zo spoedig mogelijk orde op de uitbetaling der schadeloosstelling.

5 Uitbetaling van de schadeloosstelling geschiedt tegen inlevering van het volledig ingevulde originele exemplaar van de lastgeving. Indien het originele exemplaar van de lastgeving in het ongerede is geraakt, kan uitbetaling plaatsvinden tegen inlevering van het afschrift nadat daarop van de reden van het in ongerede raken is melding gemaakt.

6 De in ontvangst genomen lastgeving en het door de burgemeester toegezonden afschrift daarvan worden door de zorg van de vorderingscommissaris ongeldig gestempeld.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 4 — De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling

Artikel 108b

De schadeloosstelling ter zake van vordering van roerende zaken in eigendom, welke heeft plaatsgehad met toepassing van artikel 82z en zonder contante betaling, wordt aan degene van wie gevorderd is uitgekeerd ten gemeentehuize van de gemeente waar de gevorderde zaken zijn ingeleverd, tegen inlevering van de in het zevende lid van dat artikel bedoelde bon.

Hoofdstuk V — Schadeloosstelling › Afdeling 4 — De vaststelling en uitkering van de schadeloosstelling

Artikel 109

1 Indien een schadeloosstelling voor het voldoen aan een vordering niet binnen een redelijke termijn is uitbetaald, wordt vanaf de datum, waarop deze termijn is verstreken, een rentevergoeding over het bedrag der schadeloosstelling gegeven van 4% per jaar.

2 Als redelijke termijn, bedoeld in het eerste lid, geldt:

a. bij een schadeloosstelling waarvoor een tarief is voorgeschreven: drie maanden na het voldoen aan de vordering;

b. bij een schadeloosstelling waarvoor geen tarief is voorgeschreven: zes maanden na het voldoen aan de vordering.

3 Bij een schadeloosstelling, waarvoor het indienen van een verzoekschrift is voorgeschreven, begint de in het tweede lid bedoelde termijn te lopen vanaf de datum van de indiening van het verzoekschrift, met dien verstande dat bij een schadeloosstelling voor geleden bedrijfsschade als redelijke termijn geldt: een jaar.

4 Indien het betreft schadeloosstellingen, welke in gelijke maandelijkse of andere termijnen worden uitbetaald, geldt, na verloop van de in het tweede en derde lid genoemde termijnen, voor iedere volgende uitbetaling als redelijke termijn: een maand.

5 De rentevergoeding wordt niet gegeven indien en voorzover de te late uitkering is te wijten aan gemis aan medewerking van de rechthebbende of aan overmacht.

Hoofdstuk VI — Uitkering in geval van tijdelijke of blijvende vermindering van arbeidsgeschiktheid of overlijden

Artikel 110

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. de getroffene: degene die, als gevolg van het voldoen aan een vordering krachtens de wet of de medewerking aan het voldoen, tijdelijk of blijvend verminderd arbeidsgeschikt is geworden;

b. de overledene: degene die, als gevolg van het voldoen aan een vordering krachtens de wet of de medewerking aan het voldoen, overleden is;

c. de nabestaande: elk der personen, bedoeld in de artikelen 36 en 37 van de Pensioenwet voor de landmacht 1922;

d. de inkomsten: de inkomsten welke de getroffene of de overledene uit de eigen arbeid rechtmatig genoot, met inbegrip van de in verband daarmede regelmatig toegevallen baten.

Hoofdstuk VI — Uitkering in geval van tijdelijke of blijvende vermindering van arbeidsgeschiktheid of overlijden

Artikel 111

1 Ten laste van het Rijk wordt, naar regelen en onder voorwaarden bij of krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk gesteld, aan de getroffene of de nabestaanden een uitkering toegekend.

2 De in het eerste lid bedoelde uitkering is een tijdelijke in het geval van verminderde arbeidsgeschiktheid voor de duur van de verminderde arbeidsgeschiktheid, doch uiterlijk tot aan het tijdstip waarop vastgesteld is dat de verminderde arbeidsgeschiktheid van blijvende aard is.

3 De in het eerste lid bedoelde uitkering is een voortdurende in het geval van verminderde arbeidsgeschiktheid, vanaf het tijdstip waarop vastgesteld is dat de verminderde arbeidsgeschiktheid van blijvende aard is, en in het geval van overlijden.

Hoofdstuk VI — Uitkering in geval van tijdelijke of blijvende vermindering van arbeidsgeschiktheid of overlijden

Artikel 112

Geen uitkering zal worden toegekend voor zover de getroffene of de overledene een zodanige wijze van voldoening aan de vordering of vorm van medewerking heeft gekozen, dat daardoor onevenredige of nodeloze risico's geschapen zijn.

Hoofdstuk VI — Uitkering in geval van tijdelijke of blijvende vermindering van arbeidsgeschiktheid of overlijden

Artikel 113

1 Een tijdelijke uitkering krachtens artikel 111 heeft alleen plaats indien en voor zover de getroffene tengevolge van de verminderde arbeidsgeschiktheid schade lijdt door gehele of gedeeltelijke derving van inkomsten.

2 Onze Minister stelt de tijdelijke uitkering vast, met dien verstande dat de uitkering niet mag worden vastgesteld op een bedrag hoger dan naar reden van € 2 178,15 per jaar.

Hoofdstuk VI — Uitkering in geval van tijdelijke of blijvende vermindering van arbeidsgeschiktheid of overlijden

Artikel 114

1 De ingevolge het voorgaande artikel vastgestelde uitkering kan te allen tijde worden herzien, indien het Onze Minister mocht blijken dat de vaststelling op grond van onjuiste gegevens is geschied.

2 Indien mocht blijken dat terzake van een uitkering, bedoeld in het voorgaande artikel, teveel is uitbetaald, heeft geen terugvordering plaats tenzij zulks aan onjuiste opgaven van de getroffene is te wijten.

Hoofdstuk VI — Uitkering in geval van tijdelijke of blijvende vermindering van arbeidsgeschiktheid of overlijden

Artikel 115

Onze Minister is bevoegd de tijdelijke uitkering geheel of ten dele niet te verlenen, indien de getroffene:

a. weigert of nalaat inlichtingen te verschaffen, welke door Onze Minister nodig worden geoordeeld ter vaststelling van de tijdelijke uitkering;

b. weigert of nalaat zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek of geneeskundige contrôle, door Onze Minister nodig geoordeeld ter vaststelling van de mate van zijn verminderde arbeidsgeschiktheid;

c. weigert of nalaat zich voor observatie op te laten nemen in een ziekeninrichting, indien Onze Minister zulks nodig oordeelt ter vaststelling van de mate van zijn verminderde arbeidsgeschiktheid;

d. weigert of nalaat zich voor geneeskundige behandeling - uitgezonderd operatief ingrijpen - op te laten nemen in een ziekeninrichting, indien Onze Minister dit nodig oordeelt;

e. zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd.

Hoofdstuk VI — Uitkering in geval van tijdelijke of blijvende vermindering van arbeidsgeschiktheid of overlijden

Artikel 116

1 Een voortdurende uitkering wordt vastgesteld naar dezelfde regelen en maatstaven als die, waarnaar krachtens de bepalingen van de Pensioenwet voor de landmacht 1922 aan dienstplichtige militairen der Koninklijke Landmacht of hun nabestaanden een pensioen kan worden toegekend.

2 De bepalingen van de Pensioenwet voor de landmacht 1922, alsmede de uitvoeringsbepalingen van die wet zijn in daartoe leidend geval ten deze van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk VI — Uitkering in geval van tijdelijke of blijvende vermindering van arbeidsgeschiktheid of overlijden

Artikel 117

1 Ten laste van het Rijk komen de kosten van noodzakelijke genees- en heelkundige behandeling van de getroffene terzake van tijdelijke of blijvende vermindering van arbeidsgeschiktheid als gevolg van het voldoen aan een vordering krachtens de wet of de medewerking aan het voldoen, alsmede de redelijke kosten van lijkbezorging van de overledene, welke ten laste van de nabestaanden zouden komen.

2 Onder geneeskundige behandeling worden mede begrepen: tandheelkundige behandeling, verpleging in een ziekeninrichting, ziekenvervoer, alsmede verstrekking van genees- en verbandmiddelen en medische kunst- of hulpmiddelen.

3 De kosten, bedoeld in het eerste lid, komen niet ten laste van het Rijk, indien en voor zover uit hoofde van een wettelijke of andere algemene regeling aanspraken op genees- en heelkundige behandeling of op vergoeding van de daaraan verbonden kosten geldend gemaakt kunnen worden.

4 Het in artikel 112 ten aanzien van de uitkering bepaalde is eveneens van toepassing op de kosten, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

5 Ten aanzien van de genees- en heelkundige behandeling kan Onze Minister in voorkomende gevallen bepalen, dat deze wordt verleend door de militair geneeskundige dienst.

Hoofdstuk VII — Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 118

De Inspecteurs van 's Rijksbelastingen verschaffen de inlichtingen, welke Onze Minister nodig heeft voor de uitvoering van de bepalingen van dit besluit.

Hoofdstuk VII — Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 119

Het Koninklijk besluit van 10 November 1892, Stb. 253, wordt ingetrokken.

Hoofdstuk VII — Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 120

De verplichtingen, welke op grond van de artikelen 43 M-71 M van het Koninklijk besluit van 10 November 1892, Stb. 253, zijn opgelegd, blijven van kracht totdat zij zijn vervangen door de verplichtingen krachtens het vierde hoofdstuk van dit besluit, dan wel zijn ingetrokken.

Hoofdstuk VII — Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 121

Indien na de inwerkingtreding van dit besluit de maatregelen, bedoeld in de afdelingen 3-7 van het vierde hoofdstuk, nog niet zijn getroffen, kan niettemin een algemene vordering van motorrijtuigen in de zin van artikel 61 der wet plaats vinden, met dien verstande dat een lastgeving als bedoeld in artikel 62 aan de houders dient te zijn uitgereikt.

Hoofdstuk VII — Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 122

Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel "Inkwartieringsbesluit".

Hoofdstuk VII — Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 123

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 Augustus 1953.

Hoofdstuk VII — Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 124

Gelijktijdig met dit besluit treedt de Inkwartieringswet in werking.