wetzoeker

Artikel 2 Besluit tot verhoging van de uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht met een toeslag

1 Indien over het jaar 1950 of over een deel van dat jaar een bijzondere toeslag is of wordt ontvangen krachtens de wet van 9 November 1950, Staatsblad K 502, tot verhoging van pensioenen met een bijzondere toeslag, bestaat over dat jaar of over dat deel van dat jaar slechts aanspraak op de toeslag indien en voor zover deze meer bedraagt dan de bijzondere toeslag.

2 In de gevallen, dat aanspraak bestaat op een bijzondere toeslag krachtens de wet van 9 November 1950, Staatsblad K 502, tot verhoging van pensioenen met een bijzondere toeslag, zoals deze luidt na de daarin bij de wet van 16 Augustus 1951, Staatsblad 389, aangebrachte wijzigingen, wordt de uitkering, welke is of wordt verleend krachtens de in artikel 1 genoemde regeling, - voor zover het recht op de uitkering op 1 Januari 1951 niet is vervallen - te rekenen van 1 Januari 1951 of van het later tijdstip, waarop zij is ingegaan of zal ingaan, ambtshalve verhoogd met een toeslag, gelijk aan het verschil tussen:

het bedrag aan bijzondere toeslag, waarop krachtens genoemde wetten aanspraak zou bestaan, indien instede van de vorenbedoelde uitkering een pensioen tot een gelijk bedrag zou worden genoten en

de bijzondere toeslag, waarop krachtens genoemde wetten aanspraak bestaat.

3 De in het tweede lid bedoelde toeslag wordt naar boven afgerond tot volle guldens en mag niet meer bedragen dan die, welke zou zijn toegekend, indien geen aanspraak op bijzondere toeslag had bestaan.

Regeling
Besluit tot verhoging van de uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht met een toeslag
Soort
AMvB
Geldend vanaf
24-04-1952
BWB-id
BWBR0002073
Versie
1952-04-24_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl