Wet voorzieningen in verband met ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris
Wet van 25 januari 1951, houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris
- Soort
- Wet
- Geldend vanaf
- 31-12-1993
- Rechtsgebied
- Staats- en bestuursrecht, Staatsrecht
- Ministerie
- Algemene Zaken
- BWB-id
- BWBR0002069
- Versie
- 1993-12-31_0
- SHA-256 bron
- 12f02ca5595b833cdb1a0e58afbf5a9c97ecfeeed9bffd31575af188f9bd6155
Inhoud (31)
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 5
- Artikel 6
- Artikel 7
- Artikel 8
- Artikel 9
- Artikel 10
- Artikel 11
- Artikel 12
- Artikel 13
- Artikel 14
- Artikel 15
- Artikel 16
- Artikel 17
- Artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 20
- Artikel 21
- Artikel 22
- Artikel 23
- Artikel 24
- Artikel 25
- Artikel 26
- Artikel 27
- Artikel 28
- Artikel 29
- Artikel 30
- Artikel 31
Titel I — Algemene bepalingen
Artikel 1
De bevoegdheden en verplichtingen, bij of krachtens de wet aan hoofden der ministeriële departementen in het algemeen verleend, onderscheidenlijk opgelegd, komen mede toe aan, onderscheidenlijk rusten mede op Onze ministers zonder portefeuille, en de staatssecretarissen, voorzover deze overeenkomstig de Grondwet als minister optreden.
Titel I — Algemene bepalingen
Artikel 2
De bevoegdheden en verplichtingen, bij of krachtens de wet aan een hoofd van een ministerieel departement in het bijzonder verleend, onderscheidenlijk opgelegd, komen mede toe aan, onderscheidenlijk rusten mede op een staatssecretaris bij dat departement, voorzover hij overeenkomstig de Grondwet als minister optreedt.
Titel I — Algemene bepalingen
Artikel 3
Onverminderd de overige gevallen, waarin de minister, voor wiens departement een staatssecretaris is benoemd, het nodig acht, dat de staatssecretaris in zijn plaats optreedt, maakt de minister in de Nederlandse Staatscourant bekend, met welke taak de staatssecretaris meer in het bijzonder zal zijn belast.
Titel I — Algemene bepalingen
Artikel 4
Buiten de gevallen van de artikelen 1 en 2 worden ministers zonder portefeuille en staatssecretarissen voor de toepassing of overeenkomstige toepassing van bij of krachtens de wet gestelde bepalingen met hoofden van ministeriële departementen gelijkgesteld.
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 1 — Het salaris
Artikel 5
Artikel 4 is niet van toepassing op de bezoldiging van staatssecretarissen.
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 2 — Het wachtgeld
Artikel 6
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 2 — Het wachtgeld
Artikel 7
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 2 — Het wachtgeld
Artikel 8
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 2 — Het wachtgeld
Artikel 9
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 10
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 11
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 12
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 13
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 14
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 15
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 16
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 17
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 18
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 19
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 20
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 21
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 22
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 23
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 24
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 25
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 26
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 27
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 28
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 3 — Het pensioen der staatssecretarissen en der weduwen en wezen van staatssecretarissen
Artikel 29
Vervallen
Titel II — Bijzondere voorzieningen ten aanzien van staatssecretarissen › § 4 — Algemene bepaling
Artikel 30
Vervallen
Titel III — Slotbepaling
Artikel 31
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na die harer afkondiging en heeft terugwerkende kracht tot 1 Januari 1949.