wetzoeker

Wet op de Sociaal-Economische Raad

Wet van 27 januari 1950, tot toepassing ten aanzien van het bedrijfsleven van de artikelen 80 en 152 tot en met 154 van de Grondwet

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-01-2023
Afkortingen
BO, Wet BO
Rechtsgebied
Ondernemingspraktijk
Ministerie
Economische Zaken
BWB-id
BWBR0002058
Versie
2023-01-01_0
SHA-256 bron
c1d49bacbd4bd7bb9180e0fda09f051bd445f625829c758353e1f42dfde69a97

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (173)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28
  29. Artikel 29
  30. Artikel 30
  31. Artikel 31
  32. Artikel 32
  33. Artikel 33
  34. Artikel 34
  35. Artikel 35
  36. Artikel 36
  37. Artikel 37
  38. Artikel 38
  39. Artikel 38a
  40. Artikel 39
  41. Artikel 40
  42. Artikel 41
  43. Artikel 42
  44. Artikel 43
  45. Artikel 44
  46. Artikel 45
  47. Artikel 46
  48. Artikel 47
  49. Artikel 48
  50. Artikel 49
  51. Artikel 50
  52. Artikel 51
  53. Artikel 52
  54. Artikel 53
  55. Artikel 54
  56. Artikel 55
  57. Artikel 56
  58. Artikel 57
  59. Artikel 58
  60. Artikel 59
  61. Artikel 60
  62. Artikel 61
  63. Artikel 62
  64. Artikel 63
  65. Artikel 64
  66. Artikel 65
  67. Artikel 66
  68. Artikel 67
  69. Artikel 68
  70. Artikel 69
  71. Artikel 70
  72. Artikel 70A
  73. Artikel 71
  74. Artikel 72
  75. Artikel 73
  76. Artikel 74
  77. Artikel 75
  78. Artikel 76
  79. Artikel 77
  80. Artikel 78
  81. Artikel 79
  82. Artikel 80
  83. Artikel 81
  84. Artikel 82
  85. Artikel 83
  86. Artikel 84
  87. Artikel 85
  88. Artikel 86
  89. Artikel 87
  90. Artikel 88
  91. Artikel 88a
  92. Artikel 89
  93. Artikel 90
  94. Artikel 91
  95. Artikel 92
  96. Artikel 92a
  97. Artikel 93
  98. Artikel 94
  99. Artikel 95
  100. Artikel 96
  101. Artikel 97
  102. Artikel 98
  103. Artikel 99
  104. Artikel 100
  105. Artikel 101
  106. Artikel 102
  107. Artikel 103
  108. Artikel 104
  109. Artikel 105
  110. Artikel 106
  111. Artikel 106a
  112. Artikel 107
  113. Artikel 108
  114. Artikel 109
  115. Artikel 110
  116. Artikel 111
  117. Artikel 112
  118. Artikel 113
  119. Artikel 114
  120. Artikel 115
  121. Artikel 116
  122. Artikel 117
  123. Artikel 118
  124. Artikel 119
  125. Artikel 120
  126. Artikel 121
  127. Artikel 122
  128. Artikel 122a
  129. Artikel 123
  130. Artikel 124
  131. Artikel 125
  132. Artikel 125a
  133. Artikel 126
  134. Artikel 127
  135. Artikel 127a
  136. Artikel 128
  137. Artikel 128a
  138. Artikel 129
  139. Artikel 130
  140. Artikel 131
  141. Artikel 132
  142. Artikel 133
  143. Artikel 134
  144. Artikel 135
  145. Artikel 136
  146. Artikel 137
  147. Artikel 137a
  148. Artikel 138
  149. Artikel 139
  150. Artikel 140
  151. Artikel 142
  152. Artikel 143
  153. Artikel 144
  154. Artikel 145
  155. Artikel 146
  156. Artikel 147
  157. Artikel 148
  158. Artikel 149
  159. Artikel 150
  160. Artikel 151
  161. Artikel 152
  162. Artikel 153
  163. Artikel 154
  164. Artikel 155
  165. Artikel 156
  166. Artikel 157
  167. Artikel 158
  168. Artikel 159
  169. Artikel 160
  170. Artikel 161
  171. Artikel 162
  172. Artikel 163
  173. Artikel 164

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel I — Van de zetel en de taak

Artikel 1

1 Er is een Sociaal-Economische Raad, hierna genoemd Raad.

2 De Raad heeft zijn zetel te 's-Gravenhage.

3 De Raad is rechtspersoon.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel I — Van de zetel en de taak

Artikel 2

De Raad heeft, onverminderd de hem bij de vijfde titel van dit hoofdstuk opgedragen adviserende functie, tot taak een het algemeen belang dienende werkzaamheid van het bedrijfsleven te bevorderen, alsmede het belang van het bedrijfsleven en de daartoe behorende personen te behartigen.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 1 — Algemene bepaling

Artikel 3

De Raad heeft een voorzitter, een dagelijks bestuur, een algemeen secretaris en, bij toepassing van artikel 19, een of meer commissies uit zijn midden.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 2 — Van de Raad

Artikel 4

1 De Raad bestaat uit ten minste dertig en ten hoogste vijf en veertig leden.

2 Van de leden worden ten minste twee derden benoemd door de door Ons aan te wijzen organisaties van ondernemers en van werknemers en de overige door Ons. Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking naar Ons oordeel algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van ondernemers en naar Ons oordeel algemeen erkende centrale organisaties van werknemers.

3 Voor elk lid kan tevens een plaatsvervanger worden benoemd.

4 Door organisaties van werknemers worden evenveel leden benoemd als door organisaties van ondernemers.

5 Door Ons wordt bepaald:

a. het aantal leden van de Raad;

b. het aantal leden, dat elke door Ons aangewezen organisatie kan benoemen.

6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de benoeming van de leden en hun plaatsvervangers.

7 De Raad wordt gehoord, alvorens Ons een voordracht tot aanwijzing van een organisatie, als bedoeld in het tweede lid, of tot een besluit, als bedoeld in het vijfde lid, wordt gedaan.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 2 — Van de Raad

Artikel 5

1 Lid of plaatsvervangend lid van de Raad kunnen alleen zijn zij die niet van de verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen zijn ontzet, noch van de uitoefening van het kiesrecht bij zodanige verkiezingen zijn uitgesloten.

2 Van het lidmaatschap zijn uitgesloten zij, die zijn ontzet van het recht ambten of bepaalde ambten te bekleden, dan wel bepaalde beroepen of functies uit te oefenen.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 2 — Van de Raad

Artikel 6

1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van de Raad met andere werkzaamheden.

2 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 2 — Van de Raad

Artikel 7

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ter verzekering van de naleving van het bepaalde in artikel 5 en de krachtens artikel 6 gestelde regelen.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 2 — Van de Raad

Artikel 8

1 De leden van de Raad en hun plaatsvervangers treden om de twee jaren tegelijk af en kunnen terstond opnieuw worden benoemd.

2 De leden van de Raad en hun plaatsvervangers kunnen te allen tijde ontslag bekomen door een schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter van de Raad.

3 Hij, die tot lid of plaatsvervangend lid is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip, waarop degeen, in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden.

4 Hij, die in het geval van zeteluitbreiding tot lid of plaatsvervangend lid is benoemd, treedt tegelijk met de overige leden van de Raad en hun plaatsvervangers af op het tijdstip, genoemd in het eerste lid.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 2 — Van de Raad

Artikel 9

De leden van de Raad en hun plaatsvervangers kunnen een vergoeding genieten volgens regelen, door de Raad bij verordening te stellen.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 2 — Van de Raad

Artikel 10

De leden van de Raad en hun plaatsvervangers zijn verplicht tot geheimhouding van alle zaken- en bedrijfsgeheimen, welke zij in hun hoedanigheid vernemen, en voorts van alle aangelegenheden, ten aanzien waarvan de Raad of de voorzitter geheimhouding heeft opgelegd, of waarvan zij het vertrouwelijke karakter moeten begrijpen.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 3 — Van de voorzitter

Artikel 11

1 De voorzitter wordt door Ons uit de leden van de Raad benoemd en kan door Ons worden geschorst en ontslagen. De Raad wordt gehoord, alvorens Ons een voordracht tot benoeming of ontslag wordt gedaan.

2 De voorzitter heeft twee plaatsvervangers, die door de Raad uit zijn midden worden benoemd en door deze kunnen worden geschorst en ontslagen.

3 De benoeming van de plaatsvervangende voorzitters geschiedt in dier voege, dat uit elk van de groepen: leden, benoemd door organisaties van ondernemers, leden, benoemd door organisaties van werknemers, en overige leden, met uitzondering van de groep, waaruit de voorzitter is benoemd, een hunner wordt benoemd.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 3 — Van de voorzitter

Artikel 12

1 De benoeming van de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters geschiedt telkens voor ten hoogste twee jaren. Zij zijn terstond weder benoembaar.

2 De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters kunnen te allen tijde als zodanig ontslag bekomen door een schriftelijke kennisgeving aan Ons, onderscheidenlijk aan de voorzitter.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 3 — Van de voorzitter

Artikel 13

De artikelen 9 en 10 zijn ten aanzien van de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters van overeenkomstige toepassing.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 4 — Van het dagelijks bestuur

Artikel 14

1 Behoudens het bepaalde in het volgende lid benoemt de Raad uit zijn midden de leden van het dagelijks bestuur.

2 De voorzitter van de Raad is lid en voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters zijn lid van het dagelijks bestuur.

3 Het dagelijks bestuur wordt zodanig samengesteld, dat het een afspiegeling vormt van de samenstelling van de Raad.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 4 — Van het dagelijks bestuur

Artikel 15

De artikelen 9 en 10 zijn ten aanzien van het dagelijks bestuur van overeenkomstige toepassing.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 5 — Van het secretariaat

Artikel 16

1 De Raad heeft een secretariaat, dat bestaat uit een algemeen secretaris, een of meer secretarissen en ander personeel.

2 De algemeen secretaris en de secretarissen worden in dienst genomen en kunnen worden ontslagen door de Raad.

3 Het personeel is in dienst op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 5 — Van het secretariaat

Artikel 17

1 De algemeen secretaris en de secretarissen kunnen noch zelf een onderneming drijven, noch in dienst zijn van een natuurlijke of rechtspersoon, die een onderneming drijft, noch enige andere functie ten behoeve van zulk een natuurlijke of rechtspersoon vervullen, tenzij naar het oordeel van de Raad daardoor een goede vervulling van hun functie niet wordt belemmerd. Onder onderneming wordt mede verstaan een bedrijf, waarmede niet wordt beoogd het maken van winst.

2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld omtrent de onverenigbaarheid van een functie bij het secretariaat met andere werkzaamheden.

3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ter verzekering van de naleving van het bepaalde in het eerste lid en de krachtens het tweede lid gestelde regelen.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 5 — Van het secretariaat

Artikel 18

Artikel 10 is ten aanzien van het personeel van het secretariaat van overeenkomstige toepassing.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 6 — Van de commissies uit het midden van de Raad

Artikel 19

1 De Raad is bevoegd voor bepaalde onderwerpen commissies uit zijn midden in te stellen.

2 De artikelen 9 en 10 zijn ten aanzien van deze commissies van overeenkomstige toepassing.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel III — Van de werkwijze

Artikel 20

De Raad vergadert niet, indien blijkens de presentielijst niet meer dan de helft van de zitting hebbende leden is opgekomen. Nadat tweemaal tot een vergadering is opgeroepen, zonder dat meer dan de helft van de zitting hebbende leden is opgekomen, wordt de daarna uitgeschreven vergadering gehouden, ongeacht het aantal opgekomen leden.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel III — Van de werkwijze

Artikel 21

De leden van de Raad zijn niet gerechtelijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergaderingen hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel III — Van de werkwijze

Artikel 22

De leden van de Raad stemmen zonder last of ruggespraak.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel III — Van de werkwijze

Artikel 23

De leden van de Raad onthouden zich van medestemmen over zaken, die hun, hun echtgenoten of hun geregistreerde partners of hun bloed- of aanverwanten tot de derde graad ingesloten, persoonlijk aangaan.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel III — Van de werkwijze

Artikel 24

1 Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping, over personen bij gesloten en ongetekende briefjes gestemd.

2 Indien bij het nemen van een besluit over een zaak geen der leden stemming vraagt, wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel III — Van de werkwijze

Artikel 25

1 Een stemming is nietig, indien niet meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, die zich niet van medestemmen moeten onthouden, aan de stemming heeft deelgenomen.

2 Bij stemming over personen worden leden, die blanco briefjes hebben ingeleverd, voor de toepassing van dit artikel geacht aan de stemming te hebben deelgenomen.

3 In geval van een nietige stemming vindt in een volgende vergadering herstemming plaats. Deze is geldig, ongeacht het aantal leden, dat er aan heeft deelgenomen.

4 Een stemming, gehouden in een vergadering, als bedoeld in de tweede volzin van artikel 20, is geldig, ongeacht het aantal leden, dat aan de stemming heeft deelgenomen.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel III — Van de werkwijze

Artikel 26

1 Ieder lid kan één stem uitbrengen.

2 Voor de vaststelling van een verordening is een meerderheid van twee derden, voor het tot stand komen van een ander besluit de volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen vereist. Blanco stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel III — Van de werkwijze

Artikel 27

1 Bij staking van stemmen in een voltallige vergadering wordt, indien het zaken betreft, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen, en beslist, indien het personen betreft, het lot.

2 Bij staking van stemmen in een andere dan een voltallige vergadering wordt het nemen van een besluit tot een volgende vergadering uitgesteld, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. Indien de stemmen dan opnieuw staken, is het voorgaande lid van overeenkomstige toepassing.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel III — Van de werkwijze

Artikel 28

1 Onze Ministers zijn bevoegd de door de Raad en de commissies uit zijn midden te houden vergaderingen bij te wonen en zich daarin door een of meer door hen aan te wijzen personen te doen bijstaan, dan wel zich daarin door een of meer zodanige personen te doen vertegenwoordigen. Zowel zij als hun vertegenwoordigers hebben in deze vergaderingen een raadgevende stem.

2 Aan Onze Ministers wordt tijdig kennis gegeven van de in dat lid bedoelde vergaderingen.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel III — Van de werkwijze

Artikel 29

De artikelen 20 tot en met 27 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het dagelijks bestuur.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel III — Van de werkwijze

Artikel 30

De Raad vraagt de adviezen, welke hij voor de vervulling van zijn taak nodig acht.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel III — Van de werkwijze

Artikel 31

De Raad kan bij verordening nadere regelen stellen betreffende zijn werkwijze.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 32

1 De Raad maakt ten aanzien van de onderwerpen, waarvan de regeling of nadere regeling bij de wet aan hem is overgelaten, de verordeningen, die hij ter vervulling van zijn in artikel 2 omschreven taak nodig oordeelt.

2 Bij deze verordeningen kunnen overtredingen van het bij of krachtens haar bepaalde worden aangewezen als strafbare feiten.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 33

De wet bepaalt, voor wie de verordeningen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, bindende regelen kunnen inhouden.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 34

Vervallen

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 35

De Raad kan met betrekking tot de vervulling van zijn in artikel 2 omschreven taak, bij verordening zijn bevoegdheden - met uitzondering van de bevoegdheid tot het maken van verordeningen en die tot het vaststellen ingevolge artikel 52, derde lid, van het bedrag der inkomsten en uitgaven -, delegeren aan de voorzitter, het dagelijks bestuur of een commissie uit zijn midden.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 36

De Raad verleent de bij of krachtens een wet tot uitvoering daarvan gevorderde medewerking. Tot de gevorderde medewerking kan mede behoren het stellen van nadere regelen bij verordening.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 37

Tenzij het voorschrift, waarbij de medewerking wordt ingeroepen, anders bepaalt, kan de Raad bij verordening zijn bevoegdheden, voortvloeiend uit de gevorderde medewerking, met uitzondering van het stellen van nadere regelen bij verordening, delegeren aan een commissie uit zijn midden.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 38

1 Tenzij naar zijn oordeel dringende redenen zich daartegen verzetten, geeft de Raad kennis van de ontwerpen van verordeningen welke algemeen bindende regelen inhouden, in de Staatscourant en geeft hij gedurende vier weken gelegenheid daartegen schriftelijk bedenkingen aan te voeren.

2 Over de vaststelling van verordeningen beraadslaagt en beslist de Raad in het openbaar.

3 Verordeningen als bedoeld in het eerste lid behoeven de goedkeuring van Onze betrokken Ministers.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 38a

Vervallen

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 39

De voorzitter vertegenwoordigt de Raad in en buiten rechte.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 40

De Raad dient desgevraagd Onze Ministers van bericht over alle aangelegenheden de Raad betreffende.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel V — Van de adviezen van de Raad

Artikel 41

De Raad adviseert op schriftelijk verzoek van Onze Ministers of van een van beide Kamers der Staten-Generaal en kan Onze Ministers uit eigen beweging adviseren over de uitvoering van deze wet en andere aangelegenheden van sociale of economische aard. Indien Onze Ministers de Raad advies vragen, geven zij daarbij aan binnen welke termijn het advies wordt verwacht. Artikel 20, tweede, vijfde en zesde lid, alsmede artikel 23, van de Kaderwet adviescolleges is voor de toepassing van deze titel niet van toepassing.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel V — Van de adviezen van de Raad

Artikel 42

1 De Raad kan commissies, waarin ook personen buiten de Raad zitting kunnen hebben, instellen ter voorbereiding van door hem uit te brengen adviezen.

2 De artikelen 9, 10 en 28 zijn ten aanzien van deze commissies van overeenkomstige toepassing.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel V — Van de adviezen van de Raad

Artikel 43

1 In afwijking van de Kaderwet adviescolleges stelt de Raad, op verzoek van Onze betrokken Ministers, commissies ter behandeling van bepaalde onderwerpen in. De samenstelling van deze commissies, waarin ook personen buiten de Raad zitting kunnen hebben, geschiedt in overleg met Onze Ministers.

2 De Raad legt desgevraagd bij zijn advies dat van een overeenkomstig het voorgaande lid ingestelde commissie over.

3 Indien Onze betrokken Ministers het advies van een zodanige commissie hebben gevraagd, brengt zij dit rechtstreeks aan hen uit. Van het advies wordt kennis gegeven aan de Raad.

4 De artikelen 9, 10 en 28 zijn ten aanzien van deze commissies van overeenkomstige toepassing.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel V — Van de adviezen van de Raad

Artikel 44

De Raad kan de commissies, bedoeld in de artikelen 42 en 43, machtigen namens hem van advies te dienen. Zodanige machtiging wordt niet verleend voor een op verzoek van een Onzer Ministers uit te brengen advies, waarvan deze bepaaldelijk heeft verzocht, dat het door de Raad zelf wordt uitgebracht.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel V — Van de adviezen van de Raad

Artikel 45

1 De adviezen van de Raad en zijn commissies worden opgesteld overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid der vergadering.

2 In de adviezen wordt van afwijkende gevoelens van de minderheid desverlangd melding gemaakt.

3 De leden zijn bevoegd minderheidsnota’s bij het advies te voegen, indien het daarin uitgesproken gevoelen is verdedigd in de vergadering, waarin het uit te brengen advies werd behandeld.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 1 — Van de begroting

Artikel 46

1 Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks voor 1 October aan de Raad een begroting der inkomsten en uitgaven in het komende kalenderjaar aan, vergezeld van de nodige toelichting en bescheiden.

2 De begroting wordt, zodra zij is aangeboden, ten kantore van het secretariaat voor een ieder ter lezing nedergelegd en, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

3 Van de nederlegging en verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving, welke tenminste twee weken voorafgaat aan de behandeling der begroting in de Raad.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 1 — Van de begroting

Artikel 47

De begroting wordt vastgesteld door de Raad en behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 1 — Van de begroting

Artikel 48

1 De door de Raad vastgestelde begroting wordt Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor 15 November ter goedkeuring aangeboden.

2 Indien zij niet voor de aanvang van het jaar, waarvoor zij moet dienen, is goedgekeurd, kan de Raad door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden gemachtigd uitgaven te doen uit die posten, alsmede die inkomsten te innen, waartegen bij Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geen bedenking bestaat.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 1 — Van de begroting

Artikel 49

1 Indien de Raad weigert de hem bij de wet opgelegde uitgaven op de begroting te brengen, geschiedt dit door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2 Indien in dat geval de geraamde inkomsten niet toereikend zijn en de Raad weigert nieuwe middelen tot dekking voor te dragen, worden de overige niet bij de wet aan de Raad opgelegde uitgaven door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zodanige reden verminderd, dat tussen de inkomsten en uitgaven evenwicht is.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 1 — Van de begroting

Artikel 50

Vervallen

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 2 — Van het beheer en de rekening en verantwoording

Artikel 51

Het dagelijks bestuur beheert het vermogen en de inkomsten en uitgaven van de Raad, met dien verstande, dat de Raad ter zake bij verordening regelen kan stellen.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 2 — Van het beheer en de rekening en verantwoording

Artikel 52

1 Het dagelijks bestuur doet aan de Raad rekening en verantwoording van het beheer over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de rekening der inkomsten en uitgaven.

2 De jaarrekening wordt, met alle daarbij behorende bescheiden en met vermelding van hetgeen het dagelijks bestuur tot zijn verantwoording dienstig acht, aan de Raad overgelegd voor 1 april van het jaar volgend op het jaar, waarop zij betrekking heeft. Zij wordt ten kantore van het secretariaat voor een ieder ter lezing nedergelegd en, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de nederlegging en verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving, welke ten minste twee weken voorafgaat aan de beraadslagingen, bedoeld in het vierde lid.

3 De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de Raad aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring heeft mede betrekking op de rechtmatige verkrijging en besteding van de middelen.

4 De Raad onderzoekt de rekening en stelt het bedrag der inkomsten en uitgaven vast. De beraadslagingen en de stemming geschieden in het openbaar. De leden van het dagelijks bestuur kunnen bij de beraadslagingen tegenwoordig zijn, doch onthouden zich van medestemmen.

5 Het besluit van de Raad tot vaststelling van de jaarrekening behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 2 — Van het beheer en de rekening en verantwoording

Artikel 53

De Raad is verplicht aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de door hem aangewezen deskundigen alle door hen met betrekking tot de inkomsten en uitgaven gevraagde inlichtingen te verstrekken en desgevraagd inzage in de boeken te geven.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 3 — Middelen

Artikel 54

1 De middelen ter dekking van uitgaven van de Raad, voor zover die niet door andere inkomsten worden gedekt, komen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen.

2 De Raad stelt in de begroting het bedrag dat ten laste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds, vast.

3 De Raad verstrekt voor 1 juli van het kalenderjaar, voorafgaande aan het jaar waar de begroting betrekking op heeft, een raming van de inkomsten en uitgaven van de Raad aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

4 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld voor dit artikel.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 3 — Middelen

Artikel 55

1 De Raad kan beschikken over de financiële middelen in de rekening-courant die de Raad aanhoudt bij Onze Minister van Financiën.

2 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere regels worden gesteld voor dit artikel.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VII — Van het toezicht op de Raad

Artikel 56

1 Indien een verordening of een ander besluit van de Raad Onze goedkeuring of die van Onze betrokken ministers behoeft, kan de goedkeuring worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

2 Het niet tijdig bekendmaken van een besluit omtrent goedkeuring of een besluit tot verdaging van goedkeuring heeft niet tot gevolg dat een besluit tot goedkeuring geacht wordt te zijn genomen.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VII — Van het toezicht op de Raad

Artikel 57

Vervallen

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VII — Van het toezicht op de Raad

Artikel 58

De besluiten van de Raad, de voorzitter, het dagelijks bestuur en de commissies uit het midden van de Raad kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VII — Van het toezicht op de Raad

Artikel 59

Het koninklijk besluit tot vernietiging of tot schorsing, dan wel tot verlenging of opheffing van een schorsing wordt in het Staatsblad geplaatst.

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VII — Van het toezicht op de Raad

Artikel 60

Vervallen

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VII — Van het toezicht op de Raad

Artikel 61

Vervallen

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VII — Van het toezicht op de Raad

Artikel 62

Vervallen

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VII — Van het toezicht op de Raad

Artikel 63

Vervallen

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VII — Van het toezicht op de Raad

Artikel 64

Vervallen

hoofdstuk Eerste — Van de Sociaal-Economische Raad › Titel VII — Van het toezicht op de Raad

Artikel 65

1 De Raad brengt jaarlijks voor 1 april aan Onze Ministers verslag uit omtrent zijn werkzaamheden en die van de commissies, bedoeld in de artikelen 19, 42 en 43, in het afgelopen kalenderjaar.

2 Het verslag wordt, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

3 De Raad houdt het verslag gedurende ten minste twee jaren op elektronische wijze ter inzage.

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel I — Van de instelling en de taak

Artikel 66

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel I — Van de instelling en de taak

Artikel 67

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel I — Van de instelling en de taak

Artikel 68

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel I — Van de instelling en de taak

Artikel 69

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel I — Van de instelling en de taak

Artikel 70

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel I — Van de instelling en de taak

Artikel 70A

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel I — Van de instelling en de taak

Artikel 71

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 1 — Algemene bepaling

Artikel 72

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 2 — Van het bestuur

Artikel 73

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 2 — Van het bestuur

Artikel 74

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 2 — Van het bestuur

Artikel 75

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 2 — Van het bestuur

Artikel 76

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 2 — Van het bestuur

Artikel 77

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 3 — Van de voorzitter

Artikel 78

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 3 — Van de voorzitter

Artikel 79

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 3 — Van de voorzitter

Artikel 80

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 3 — Van de voorzitter

Artikel 81

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 3 — Van de voorzitter

Artikel 82

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 3 — Van de voorzitter

Artikel 83

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 4 — Van het dagelijks bestuur

Artikel 84

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 4 — Van het dagelijks bestuur

Artikel 85

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 5 — Van het secretariaat

Artikel 86

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 5 — Van het secretariaat

Artikel 87

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 6 — Van de commissies uit het midden van het bestuur en van de andere organen, bedoeld in artikel 72, eerste lid

Artikel 88

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel II — Van de samenstelling en inrichting › § 6 — Van de commissies uit het midden van het bestuur en van de andere organen, bedoeld in artikel 72, eerste lid

Artikel 88a

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel III — Van de werkwijze der organen

Artikel 89

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel III — Van de werkwijze der organen

Artikel 90

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel III — Van de werkwijze der organen

Artikel 91

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel III — Van de werkwijze der organen

Artikel 92

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel III — Van de werkwijze der organen

Artikel 92a

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 93

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 94

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 95

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 96

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 97

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 98

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 99

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 100

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 101

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 102

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 103

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 104

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 105

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 106

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 106a

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 107

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel IV — Van de vervulling van de taak

Artikel 108

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel V — Van de voorzieningen tot gemeenschappelijke behartiging van belangen van bedrijfslichamen

Artikel 109

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel V — Van de voorzieningen tot gemeenschappelijke behartiging van belangen van bedrijfslichamen

Artikel 110

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel V — Van de voorzieningen tot gemeenschappelijke behartiging van belangen van bedrijfslichamen

Artikel 111

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel V — Van de voorzieningen tot gemeenschappelijke behartiging van belangen van bedrijfslichamen

Artikel 112

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel V — Van de voorzieningen tot gemeenschappelijke behartiging van belangen van bedrijfslichamen

Artikel 113

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel V — Van de voorzieningen tot gemeenschappelijke behartiging van belangen van bedrijfslichamen

Artikel 114

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel V — Van de voorzieningen tot gemeenschappelijke behartiging van belangen van bedrijfslichamen

Artikel 115

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel V — Van de voorzieningen tot gemeenschappelijke behartiging van belangen van bedrijfslichamen

Artikel 116

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel V — Van de voorzieningen tot gemeenschappelijke behartiging van belangen van bedrijfslichamen

Artikel 117

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 1 — Van de begroting

Artikel 118

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 1 — Van de begroting

Artikel 119

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 1 — Van de begroting

Artikel 120

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 1 — Van de begroting

Artikel 121

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 1 — Van de begroting

Artikel 122

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 1 — Van de begroting

Artikel 122a

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 2 — Van het beheer en de rekening en verantwoording

Artikel 123

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 2 — Van het beheer en de rekening en verantwoording

Artikel 124

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 2 — Van het beheer en de rekening en verantwoording

Artikel 125

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 2 — Van het beheer en de rekening en verantwoording

Artikel 125a

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 3 — Van de inkomsten

Artikel 126

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 3 — Van de inkomsten

Artikel 127

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VI — Van de geldmiddelen › § 3 — Van de inkomsten

Artikel 127a

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VII — Van het toezicht op de bedrijfslichamen

Artikel 128

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VII — Van het toezicht op de bedrijfslichamen

Artikel 128a

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VII — Van het toezicht op de bedrijfslichamen

Artikel 129

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VII — Van het toezicht op de bedrijfslichamen

Artikel 130

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VII — Van het toezicht op de bedrijfslichamen

Artikel 131

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VII — Van het toezicht op de bedrijfslichamen

Artikel 132

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VII — Van het toezicht op de bedrijfslichamen

Artikel 133

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VII — Van het toezicht op de bedrijfslichamen

Artikel 134

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VII — Van het toezicht op de bedrijfslichamen

Artikel 135

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VII — Van het toezicht op de bedrijfslichamen

Artikel 136

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VII — Van het toezicht op de bedrijfslichamen

Artikel 137

Vervallen

hoofdstuk Tweede — Van de bedrijfslichamen › Titel VII — Van het toezicht op de bedrijfslichamen

Artikel 137a

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 138

Voor oprichting van of deelneming in andere rechtspersonen behoeft de Raad de toestemming van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 139

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties draagt zorg voor de elektronische toegankelijkheid van de teksten van verordeningen die op grond van artikel 106a van deze wet, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het is vervallen, in geconsolideerde vorm voor een ieder beschikbaar zijn gesteld door middel van plaatsing op internet.

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 140

Het beroep tegen besluiten en handelingen van de Raad wordt door de wet geregeld.

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 142

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 143

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 144

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 145

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 146

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 147

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 148

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 149

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 150

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 151

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 152

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 153

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 154

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 155

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 156

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 157

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 158

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 159

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 160

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 161

Vervallen

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 162

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van deze wet.

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 163

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Sociaal-Economische Raad.

hoofdstuk Derde — Slotbepalingen

Artikel 164

Vervallen