wetzoeker

Artikel 1 Wet vorm van de eed

Hij, die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen, zal:

a. indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden: "Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig",

b. indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden: "Dat beloof ik", indien hij een bevestiging aflegt, uitspreken de woorden: "Dat verklaar ik",

tenzij hij aan zijn godsdienstige gezindheid den plicht ontleent den eed, de belofte of de bevestiging op andere wijze te doen.

Regeling
Wet vorm van de eed
Afkortingen
WvdE
Soort
Wet
Geldend vanaf
24-08-1911
BWB-id
BWBR0001881
Versie
1911-08-24_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl