wetzoeker

Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen

Wet van 22 april 1855, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële Departementen

Soort
Wet
Geldend vanaf
19-09-2018
Afkortingen
Wmv
Rechtsgebied
Staats- en bestuursrecht, Staatsrecht
Ministerie
Veiligheid en Justitie
BWB-id
BWBR0001844
Versie
2018-09-19_0
SHA-256 bron
e4ab1c252ebcd56193afec1248a88f6822080287bb3b9a8058d0dd89c912b72c

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (37)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28
  29. Artikel 29
  30. Artikel 30
  31. Artikel 31
  32. Artikel 32
  33. Artikel 33
  34. Artikel 34
  35. Artikel 35
  36. Artikel 36
  37. Artikel 37

Hoofdstuk 1 — De verantwoordelijkheid van ministers en staatssecretarissen

Artikel 1

1 Onze Ministers dragen zorg voor de uitvoering van de Grondwet en de andere wetten, voor zover die van de regering afhangt.

2 Zij zijn wegens het niet naleven van deze verplichting verantwoordelijk en in rechte vervolgbaar overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 2.

Hoofdstuk 1 — De verantwoordelijkheid van ministers en staatssecretarissen

Artikel 2

De medeondertekening van wetten en koninklijke besluiten door een of meer ministers of staatssecretarissen wijst de voor die wetten en koninklijke besluiten verantwoordelijke ministers of staatssecretarissen aan.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 1 — Algemene bepalingen

Artikel 3

1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. ambtsdelicten: ambtsmisdrijven of ambtsovertredingen, begaan door een lid van de Staten-Generaal, een minister of een staatssecretaris in die betrekking;

b. vervolging: vervolging wegens een ambtsdelict.

2 Onder ambtsdelicten worden mede verstaan strafbare feiten begaan onder een der verzwarende omstandigheden, omschreven in artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 1 — Algemene bepalingen

Artikel 4

1 De leden van de Staten-Generaal, Onze ministers en de staatssecretarissen staan, ook na hun aftreden, wegens ambtsdelicten terecht voor de Hoge Raad.

2 De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

3 De procureur-generaal bij de Hoge Raad is verplicht aan de ontvangen opdracht tot vervolging onmiddellijk gevolg te geven.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 2 — Opdracht tot vervolging door de regering

Artikel 5

1 Het koninklijk besluit waarbij de opdracht wordt gegeven tot vervolging bevat een nauwkeurige aanduiding van het ten laste gelegde feit en de opdracht aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad om de vervolging in te stellen.

2 Afschrift van dit besluit wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal toegezonden.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 2 — Opdracht tot vervolging door de regering

Artikel 6

Indien bij koninklijk besluit opdracht is gegeven tot vervolging, neemt de Tweede Kamer geen aanklacht tegen dezelfde persoon wegens dezelfde feiten in overweging.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 7

Indien ten minste vijf leden van de Tweede Kamer een schriftelijke en met redenen omklede aanklacht indienen wegens een vermoedelijk ambtsdelict, beslist de Tweede Kamer of zij die aanklacht in overweging neemt.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 8

Alvorens de Tweede Kamer beslist of zij de aanklacht in overweging neemt, stelt de voorzitter van de Tweede Kamer degene tegen wie de aanklacht is gericht in de gelegenheid naar diens keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze naar voren te brengen.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 9

Indien de Tweede Kamer besluit tot het in overweging nemen van de aanklacht, stelt zij een commissie van onderzoek in.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 10

De Tweede Kamer benoemt de leden van de commissie van onderzoek uit haar midden. Leden die de aanklacht hebben ingediend, kunnen geen lid zijn van de commissie. Wel kunnen zij door de commissie ten behoeve van het geven van nadere inlichtingen worden gehoord.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 11

1 De commissie van onderzoek is belast met het opsporen en verzamelen van alle bescheiden, inlichtingen en bewijzen, die tot opheldering van de feiten, in de aanklacht vermeld, kunnen leiden.

2 De hoofdstukken 3, 4, 5 en 7 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. degene tegen wie de aanklacht is gericht niet verplicht is de commissie van onderzoek medewerking te verlenen;

b. artikel 217 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing is.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 12

In iedere stand van het onderzoek is de commissie van onderzoek verplicht om degene tegen wie de aanklacht is gericht, indien deze dit wenst, te horen.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 13

Zodra de commissie van onderzoek de aanklacht genoegzaam toegelicht acht, brengt zij over de daarbij aangevoerde feiten verslag uit aan de Tweede Kamer.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 14

1 Bij de beraadslaging over de aanklacht wordt degene tegen wie de aanklacht is gericht gehoord, indien deze daarom verzoekt. Aan deze persoon wordt in ieder geval het laatst het woord gegeven.

2 Het eerste lid geldt eveneens indien voor of tijdens het onderzoek het kamerlidmaatschap van het betrokken lid van de Staten-Generaal is beëindigd of aan de betrokken minister of staatssecretaris ontslag is verleend.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 15

1 Indien de Tweede Kamer een aanklacht als bedoeld in artikel 7 niet in overweging heeft genomen, kan zij deze bij het opkomen van nieuwe bezwaren alsnog in overweging nemen. Eveneens kan in dat geval bij koninklijk besluit de opdracht worden gegeven tot vervolging van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten.

2 Indien de Tweede Kamer de aanklacht na gedaan onderzoek en gehouden beraadslaging heeft verworpen, kan ten aanzien van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten noch door de regering noch door de Tweede Kamer opnieuw onderzoek worden gedaan noch een opdracht tot vervolging worden gegeven.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 16

1 Een aanklacht wordt geacht te zijn verworpen indien de Tweede Kamer binnen drie maanden na de indiening van de aanklacht geen eindbeslissing heeft genomen.

2 De Tweede Kamer kan besluiten de termijn, bedoeld in het eerste lid, te verlengen met ten hoogste twee maanden.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 17

Indien een aanklacht overeenkomstig artikel 16 wordt geacht te zijn verworpen, blijft de regering bevoegd om bij koninklijk besluit de opdracht te geven tot vervolging van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 18

1 De Tweede Kamer toetst de aangeklaagde feiten aan het recht, de billijkheid, de zedelijkheid en het staatsbelang.

2 Indien de Tweede Kamer genoegzame gronden tot vervolging aanwezig acht, geeft zij opdracht aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad om de vervolging in te stellen. Het daartoe strekkende besluit bevat een nauwkeurige aanduiding van het ten laste gelegde feit. Binnen drie dagen nadat de Tweede Kamer het besluit heeft genomen, wordt dit tezamen met de aanklacht en de verzamelde informatie toegezonden aan de procureur-generaal.

3 Een afschrift van het besluit wordt toegezonden aan de betrokkene, aan Onze Minister van Justitie en Veiligheid en aan de Eerste Kamer.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 19

Indien de Tweede Kamer opdracht heeft gegeven tot vervolging, kan bij koninklijk besluit geen opdracht worden gegeven tot vervolging van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten.

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 20

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 21

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 22

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 23

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 24

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 25

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 26

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 27

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 28

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 29

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 30

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 31

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 32

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 33

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 34

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen › § 3 — Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 35

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Slotbepalingen

Artikel 36

Een vordering tot vergoeding van schade, geleden door een ambtsdelict als bedoeld in hoofdstuk 2, kan slechts berusten op een veroordeling door de Hoge Raad en kan uitsluitend bij de burgerlijke rechter worden ingesteld.

Hoofdstuk 3 — Slotbepalingen

Artikel 37

Deze wet wordt aangehaald als: Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen.